De fetisjist

Jakob BeksHet toneelseizoen is alweer reeds enkele weken uit de startblokken geschoten. Na het wereldkampioenschap wielrennen weten we hoe gevaarlijk het is pronostieken te maken, maar alvast valt op dat het teksttheater enorm aan belang heeft gewonnen. Daar zal mijnheer Poma wel niet geheel vreemd aan zijn. De meest courante vorm van teksttheater is immers de monoloog, vanzelfsprekend ook de « zuinigste » theatervorm. Maar ook indien er meerdere personages op de scène staan, zijn door de nadruk op de tekst luxueuze decors vaak « overbodig » geworden. Wat meegenomen is. Zelfs in het muziektheater is men aan bezuinigen toe. Zij het om andere redenen. In Arena doet men het wat kalmer aan in afwachting van de blockbusters « Jesus Christ Superstar » en « Grease », in de Opera voor Vlaanderen situeert regisseur Vaclav Kaslik de opvoering van Verdi’s « Nabucco » in een concentratiekamp. Heel pregnant, dat wel, maar ook hier is men niet ongelukkig omwille van deze eenvoudige aankleding, zoals directeur Van Impe langs zijn neus weg opmerkte…

« Ik van mijn kant geloof sterk in acteurstheater — in ons geval draagt de speler het stuk — en niet in de rage van regisseurstheater. Ik hou van emoties in theater en niet van het cleane, koele theater dat ik zelfs een beetje als anti-theater beschouw. Zo afstandelijk, koud, ondoorzichtig. Nee, geef mij dan maar het werktheater ». André Vermaerke, regisseur van « De Fetisjist » in het Gentse theater Controverse, bij een gesprek in « De Gentenaar ». Indien het al niet gebeurd wás, dan had hij met deze woorden zeker mijn hart gestolen.
Overigens, indien het waar is dat auteur Michel Tournier in zijn monoloog van een man die een zodanig overdreven belangstelling voor vrouwenlingerie aan de dag legt dat hij erdoor in een psychiatrische instelling belandt, hoegenaamd geen regie-aanwijzingen heeft gegeven, dan mag Vermaerke zich fier op de borst kloppen.
De vertaling van « De fetisjist » is van Jos Van Gorp en we kunnen ons gelukkig prijzen met zijn vondst om de patiënt zich tot het publiek te laten richten, terwijl hij bezig is sinaasappelen te verpakken voor zijn collega’s-geïnterneerden.
Maar zoals regisseur André Vermaerke zelf aanstipt : het stuk wordt gedragen door de acteur, in casu Jakob Beks. Nu kende ik Beks’ capaciteiten reeds uit vroegere producties (o.a. van het Speeltheater, in een regie van Vermaerke trouwens) en was er dus vrijwel zeker van dat deze vertoning zou meevallen, maar het effect was nog sterker dan dat. Na tien minuten ben je immers vergeten dat daar Jakob Beks staat, maar ben je helemaal in de ban van die geïnterneerde man.
Precies omdat Beks wél die dunne draad tussen realiteit en krankzinnigheid bewandelt, word je hier als toeschouwer inderdaad geconfronteerd met de schuldvraag of de maatschappij het recht heeft een dergelijk iemand op te sluiten, iets wat ik miste in « Echo’s » van het MMT.
En als het u ene moer kan schelen wat mijn antwoord op die vraag is, het is positief. Niet omdat die persoon geil wordt van vrouwenlingerie (want wie wordt dat niet ?) maar wel omdat hij zo ver gaat in zijn passie dat hij toch een gevaar begint te vormen voor de maatschappij. Ik stel me b.v. de vraag of hij de vrouw wier « jarretelles » hij wil afrukken niet zou hebben vermoord indien ze had geweigerd. Maar, zoals gezegd, ga liever zelf naar het stuk kijken en formuleer dan in eer en geweten een eigen antwoord.
Vele jaren later heb ik Jakob Beks zelf gevraagd wat zijn bedoeling was met het stuk.De fetisjist heb ik opgezet om voor mijzelf te bewijzen dat ik mensen anderhalf uur kon boeien. IJdelheid zeker? Al moet ik er ook wel aan toevoegen dat het toen de tijd was van het armoetheater, waarin monologen welig tierden. En zo komt het dat ik met De fetisjist een beetje teveel op zeker heb gespeeld, vind ikzelf. Daar heb ik bijna een kopie gemaakt van wat ik heb geobserveerd in een paar instellingen. Ik wil er immers aan herinneren dat ik iemand op het toneel plaats die in een instelling opgesloten zit omwille van zijn fetisjisme voor vrouwenondergoed. Als totaal zinloze bezigheidstherapie heeft André er dan nog die sinaasappels bijgebracht die ik heel de tijd in zo van die zachte papiertjes wikkel. En ik vertelde dus wel wat die mens meemaakte, maar ik vertelde te weinig wat ik daarvan zélf vond. Ik kroop m.a.w. in dat personage, maar toch hield ikzelf te veel afstand. Om het wat overdreven uit te drukken: ik speelde een ‘manneke’. Dat had wellicht met het stuk zelf te maken dat een andere benadering niet toeliet, maar juist daarom zou ik het nu niet meer kiezen.”

EEN BOONTJE VOOR SUZANNE
Ook Suzanne Juchtmans blijkt zich goed te voelen in de monoloog. Na « Mama » staat zij nu op de planken met « De laatste uithoek », een vrije productie van theater Pulpitum v.z.w. in een regie van neef Paul Juchtmans. Het stuk is gebaseerd op de « Kapellekesbaan » van L.P.Boon. Juchtmans laat zich tijdens haar ruim twee uren durende monoloog vergezellen door poppen. Deze stellen de figuren van Ter-Muren voor. Afwisselend kruipt ze in de ziel van deze figuren, of van de schrijver zelf en zijn alter-ego’s. Het levensverhaal van Ondinneke Bosmans wordt een schrijnende vaststelling van onmacht en twijfel in een periode van opkomend socialisme met een vingerwijzing naar onze tijd.
Boon op de scène zetten is geen eenvoudige klus. Juchtmans doet het overtuigend en soms aangrijpend. De vereenzaming en het isolement waarin de « nuttige idioot » verzeild geraakt, zich enkel nog vastklampend aan een individueel anarchisme dat hem uiteindelijk naar de « Laatste Uithoek » brengt, komt sterk naar voren. Bestaat er inderdaad een weg tussen de heerser en de verschoppeling, of gaat het alleen maar om een te verwerpen macht die beurtelings in de handen komt naarmate de krachtsverhoudingen zich wijzigen ? Een keuze moeten maken : dat is de hamvraag.
Toch heeft het stuk ons niet kunnen boeien. Het geheel is statisch opgebouwd, mist bewegelijkheid en spel en wordt daardoor soms saai. De nadruk ligt sterk op de monoloog op zich. Dit kan de bedoeling geweest zijn. Doch het wordt bijna een hoorspel in plaats van een visueel gebeuren.
Op zondag 12 november 2000 werden in het landgoed De Campagne (Gijzelstraat 12) dan weer twee monologen gecreëerd van Frans Van Lancker. Hiermee maakt deze Germanist uit Drongen zijn debuut. De gewezen leraar aan het Sint-Lievenscollege heeft gewacht tot zijn pensionering om ook als schrijver actief te zijn. Als acteur en regisseur was hij reeds verscheidene jaren aan de slag bij amateurgezelschappen als Mariën Theeren en het Molenhuis.
In “Rosa” vertolkt Annemie De Bock een toiletjuffrouw die enkele episodes uit haar bewogen leven vertelt. Jan Van Holsbeke van zijn kant blikt onheilspellend vooruit op “Het Familiefeest” dat er zit aan te komen. Beide stukken vormen voor de auteur enkel maar een kapstok om zijn gal te spuien over een aantal symptomen van de huidige tijd. Zo komen onder meer eigentijdse kunst, de mode, de quiz-rage en zelfs de barbecue aan bod.

Referenties
Ronny De Schepper, Jakob Beks is een boeiend “Fetisjist”, De Rode Vaan nr.6 van 1984
Ronny De Schepper, “Het offer is te kort” maar al deze praatstukken zijn duidelijk te lang, De Rode Vaan nr.41 van 1984
Piet Loose, Een Boontje voor Suzanne, De Rode Vaan nr.41 van 1984

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s