Het muzikale hart van het Spaanse volk

09Het optreden van het Teatro Nacional de la Zarzuela uit Madrid ter gelegenheid van Europalia Spanje 1985 was méér dan een culturele aangelegenheid; het is het muzikale hart van het Spaanse volk dat ons vergast op een buiten Spanje en Zuid-Amerika amper gekend opera-genre : de zarzuela.

Zoals de Britten tussen Gilbert en Sullivan opgroeien, zo zingt het Spaanse volk van kindsaf de smeuïge melodieën van Chapi, Berton, Vives, Chueca, Torroba en vele andere. In feite is de zarzuela niet meer dan een Spaanse operette die dicht de opéra comique-vorm benadert. In de loop van de 18de, 19de en 20ste eeuw zijn er geen honderden, maar duizenden gecomponeerd… De muzikale stijl is echter blijven stilstaan bij deze van de negentiende eeuw.
Aan de zarzuela kleven dan onvermijdelijk ook nationalistische etiketten die door het Franco-regime uiteraard dik in de verf werden gezet. Hoewel het genre duidelijk uit het volk gegroeid is (denken we maar aan dansen als de bolero of de habanera die erin voorkomen), keerde men zich omwille van die politieke contekst van het genre af en is men pas sedert de democratisering aan een « herontdekking » toe — een evolutie die dus vergelijkbaar is met wat er met het flamenco-genre is gebeurd.
« Dona Francisquita » van Amadeo Vives was een uitstekende keuze om ons met het genre vertrouwd te maken. Gebaseerd op een komedie van Lope de Vega is het wat de intrige betreft minder « typisch Spaans » dan andere zarzuela’s en ook muzikaal bevat het stuk elementen van het « genero chico » (« het kleinere genre ») van de zarzuela, al is het natuurlijk in essentie een « zarzuela grande » (een avondvullend stuk). Muzikaal houdt het zowat het midden tussen Puccini en Kalman, wat garant staat voor een overvloed van prachtige melodieën.
Het volledige gezelschap uit Madrid bracht het werk in optimale omstandigheden. Een dubbele, zelfs drievoudige bezetting is voorzien voor de vijf voorstellingen te Antwerpen en Gent. Bij de première was het vooral de sopraan Enedina Lloris die onze aandacht weerhield. Ze heeft charme, de vereiste lichtheid van de toets, maar tevens een briljant en indringend timbre. Ook de tenor Antonio Ordonez klonk zonnig en kwam fraai tot zijn recht. De rest van de bezetting neigt meer naar de operette dan naar de opera (Carmen Gonzales, Maria Rus, Tomas Alvaraz, Enrique del Portal en Mario Ferrer). De decorbouw is zo ouderwets als het maar zijn kan, maar de enscenering van José Luis Alonso is wel bijzonder levendig, met een rijk gebruik van potsierlijke maskers en carnavalreuzen die menig toneel aan een doek van James Ensor doen denken. Het orkest o.l.v. Miguel Roga en de koren klonken even zonnig en uitbundig. Een pluim op de hoed van Alfons van Impe dat hij deze productie bij ons op de planken gekregen heeft !
Hetzelfde kunnen we zeker zeggen van het feit dat hij erin geslaagd is in het kader van deze Europalia grote Spaanse solisten als Tereza Berganza, Victoria de los Angeles, Montserrat Caballé en José Carreras naar hier te halen. Caballé en Carreras brengen een zarzuela-programma dat echter pas plaatsheeft op het moment dat dit nummer reeds gedrukt is, maar de twee diva’s van het Spaanse lied hebben we reeds aan het werk gehoord.
Nu dient gezegd dat zelfs bij grote zangkunstenaars een liederavond vaak een egotrip is. Er wordt niet gedacht aan wat het publiek van de zanger verwacht of zou willen horen : de zanger dringt zich integendeel op met een staaltje van zijn (vermeend) kunnen. Liefst de meest uiteenlopende genres om toch maar te bewijzen hoe breed zijn repertoire zich uitstrekt. Tereza Berganza was daar geen uitzondering op.
Het programma begon met drie werken van Vivaldi, een genre dat zij volledig onder de knie zou moeten hebben, maar dat bij nader inzicht — of beter gehoor — toch zo niet bleek te zijn. De aanzetten zijn soms onzuiver, met glijdende tonen die men niet klakkeloos vals kan noemen, maar toch zo klinken. Erger was dit nog in de acht Brahms-liederen waarvoor zij bovendien de ingetogenheid mist. Slechts na de pauze, in de vrolijke Granados-liederen en in de speelse niemendalletjes van Francisco Ernani Braga kwam zij volledig op dreef. Het beste van het programma zat in de vijf toegiften: Carmen van Bizet, de Falla en enkele komische stukjes waar ook de actrice aan bod kon komen.
Eenzelfde fragment uit « Carmen » besloot ook het optreden van de nu reeds 62-jarige Victoria de los Angeles. Op zo’n moment bleek echter overduidelijk dat de eens gevierde vedette veel van haar vocale capaciteiten heeft ingeboet. Het eigenlijke recital viel beter mee omdat ze zo verstandig was geweest haar programma aan te passen aan haar huidige mogelijkheden. De los Angeles zong met veel présence en voornaamheid een selectie uit Spaanse liederen uit de twintigste eeuw, die werden voorafgegaan door een aantal Spaanse baroknummers, waarin ze evenwel niet dezelfde intensiteit wist te bereiken. Samenvattend kunnen we stellen dat zowel Berganza als de los Angeles over hun hoogtepunt heen zijn, maar dankzij een gedegen techniek en een deskundige repertoirekeuze blijven het zangeressen die nog steeds zeer het aanhoren waard zijn.

Referentie
Willy Maijeur, Ronny De Schepper en Jan Mestdagh, Het muzikale hart van het Spaanse volk, De Rode Vaan, 24 oktober 1985

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.