Toen Eufoda, het platenlabel van het Davidsfonds, in 1986 uitpakte met de CD “Renaissance-polyfonie uit de Nederlanden”, kreeg Erik van Nevel (niet te verwarren met zijn neef Paul!) daarvoor meteen de Caecilia- en de Snepvangersprijs. Deze erkenning door de critici heeft er zeker toe bijgedragen dat Eufoda nog datzelfde jaar het plan opvatte om een heuse reeks van tien CD’s uit te brengen, gewijd aan de Vlaamse polyfonie. “I Fiamminghi” zoals ze toen genoemd werden, vormen immers weliswaar het hoogtepunt van onze Vlaamse muziekgeschiedenis, maar in tegenstelling tot de plastische kunsten b.v. (denk aan de Vlaamse primitieven), heeft hun roem de eeuwen niet getrotseerd. “Wie nu over I Fiamminghi spreekt, denkt eerder aan het orkest van Rudolf Werthen dan aan diegenen naar wie dat orkest werd genoemd,” merkt Erik van Nevel enigszins bitter op. Met dit project, waar zo’n slordige vijftien miljoen werd tegenaan gesmeten, hoopt men daarin verandering te brengen. Niet alleen zijn immers tien CD’s voorzien, bovendien zal er immers ook een begeleidend boek van de musicoloog professor Ignace Bossuyt (geboren in Waregem in 1947, gedoctoreerd aan de KUL met een studie over de Zuid-Nederlandse polyfonist Jean de Castro) in niet minder dan vier talen verschijnen. Vier talen, jawel, net zoals de CD-boekjes in even zoveel talen werden gesteld (Nederlands, Engels, Frans en Duits). Internationale uitstraling wordt hiermee immers beoogd, vandaar ook dat het project mede wordt ondersteund door het ministerie van de Vlaamse gemeenschap (en ook door C&A).

Prof.Bossuyt is ook diegene geweest die het project wetenschappelijk heeft begeleid en die de grote lijnen heeft aangegeven hoe men te werk zou gaan. Zo zijn de eerste vier CD’s gewijd aan Orlandus Lassus (waarmee tevens het Lassus-jaar waardig wordt ingezet), Adriaan Willaert, Philippe Rogier en daarnaast is er nog een CD met diverse liederen en dansen, die iets “volkser” is dan de drie andere. Niet voor niks treft men hierop b.v. de leden van het Ensemble van Paul Rans aan, Erik van Nevel speelt immers ook pommer op diens opnames uit het Antwerps liedboek. “Tsou een meisken gaen om wijn” en “Ghequetst ben ic van binnen” staan overigens ook op diens “Blame not my lute”. Vooral een vergelijking van dit laatste nummer geeft het onderscheid aan tussen een “kunstlied” en een “volkslied”, ook al hanteert Paul Rans zelf die term ook niet graag meer en mag men de polyfonisten zeker niet uitsluitend als “ernstige” kunstenaars afschilderen. Bossuyt en van Nevel laten b.v. graag contrasten aan bod komen: een heel ingetogen religieus lied, gevolgd door een ondeugend dansje b.v. (vergeten we immers niet dat deze componisten bijna allemaal nog vertrokken van de tekst, de affectenleer, waarbij de muziek belangrijker wordt dan de tekst, komt er pas met de “Nuove musiche” van Caccini). Willaert en Rogier worden elk gezien in relatie tot het land waarin ze werkzaam waren (resp. Italië en Spanje), een procédé dat ook gehanteerd wordt bij Dufay en Boergondië, Gombert en het hof van Keizer Karel, Ockeghem en Frankrijk en de Monte en de Habsburgers om de internationale doorstroming te beklemtonen. Daarnaast wordt uiteraard ook aan Josquin Desprez een volledige CD gewijd, terwijl op nummer tien drie componisten worden samengebracht, die – al dan niet ten onrechte – een beetje in zijn schaduw zijn blijven staan, met name Isaac, Obrecht en De la Rue. Dat wil echter niet zeggen dat enkel déze componisten aan bod komen. Prof.Bossuyt heeft terecht geoordeeld dat een componist vooral in zijn context tot zijn recht komt, zodat men op de CD gewijd aan Willaert b.v. ook zes composities aantreft van Giaches de Wert, de man in wiens orkest ene Claudio Monteverdi nog heeft “gedebuteerd”… Het is onwaarschijnlijk dat in het orkest dat hier werd samengebracht ook een Monteverdi schuilt, maar namen als Sophie Wattillon, Simen van Mechelen of Herman Stinders zijn voor insiders toch ook geen onbekenden. En alhoewel van Nevel zei “marginale instrumenten” zoveel mogelijk te vermijden, neemt hijzelf toch diverse pommers, dulcianen en schalmeien voor zijn rekening. Maar Erik van Nevel, neef van Paul van het Huelgas Ensemble, is toch op de eerste plaats een koordirigent. Niet enkel doceert hij koordirectie en oude muziekpraktijk aan het Lemmensinstituut, hij was van 1980 tot 1985 ook assistent-dirigent van het BRTN-koor. Mede doordat men geen volledige missen of andere werken van twintig tot dertig minuten heeft willen opnemen (men heeft dit opgevangen door fragmenten hieruit te nemen) zullen op die manier in totaal meer dan vijftig componisten de revue passeren, waarvan van Nevel niet minder dan drie duizend werken heeft doorgenomen. Vaak heeft hij ze zelfs laten uitvoeren om de mogelijkheden ervan ten volle tot hun recht te laten komen. Was Prof.Bossuyt immers vooral in de documentaire waarde van de CD’s geïnteresseerd, dan waakte van Nevel erover dat ze toch alle een mooi afgerond muzikaal geheel zouden vormen. Vandaar ook dat men slechts op één uitvoerder een beroep heeft gedaan, want mochten meerdere dirigenten bij het project betrokken zijn, dan was het helemààl niet meer te doen. Voor dit genre werd immers een beroep gedaan op de Capella Sancti Michaelis, de kapel van Sint-Michiels inderdaad, want sommigen zullen zich misschien nog wel herinneren dat dit koor de begrafenismis van koning Boudewijn (7/8/1993) mocht verzorgen. Wat niet zo verwonderlijk was, want van Nevel is de kapelmeester van de Sint-Michielskatedraal waar de plechtigheid plaats had. Voor de profane muziek staat op deze CD’s het Currende Consort in (Katelijne van Laethem, Cristel de Meulder, Jan Caals, Jan van Elsacker, Job Boswinkel en Ludwig van Gijsegem of Erik van Nevel zelf). Gevraagd naar een verklaring voor die naam zei Erik van Nevel dat “Currende” eigenlijk zoveel betekent als straatmuzikanten. Niet dat ze op die manier zouden zijn ontstaan, maar in een beginperiode, toen de groep zich nog met het openbaar vervoer verplaatste, kon men toch vaak niet weerstaan aan de akoestiek van stationshallen e.d. om een lied aan te heffen. Je ziet het: Xavier De Baere heeft niks uitgevonden! Formidabel, dames en heren.
Maar ernstig, op het einde van de 9de eeuw had men reeds “de tweede stem” ontdekt, maar dan enkel in die zin dat een octaaf hoger of lager dezelfde melodie werd meegezongen. In de 12de eeuw ontwikkelde die zich echter tot de eerste vormen van polyfonie of contrapunt. Contrapunt is immers die compositietechniek waarbij meerder zelfstandige melodische lijnen met elkaar worden gecombineerd. De term is afkomstig van het Latijnse “punctus contra punctum”, letterlijk punt tegen punt, waarmee men bedoelt dat voor elke noot (afgebeeld als een punt) in de ene partij, één noot in de andere partij stond. Deze primitieve techniek ontwikkelde zich snel naar een toestand waarbij tegenover één noot méérdere noten konden staan. Aangezien het vooral vocale muziek betrof, betekende dit dus wel dat al die noten op één en dezelfde lettergreep werden gezongen. Dat noemt men een melisme, vandaar dat men dus spreekt van melismatisch contrapunt. Om mooi gelijk te blijven werd het dus nodig de maat te slaan, zodat het tevens de aanleiding was om de koorleider “uit te vinden”.
In de loop van de dertiende eeuw werd er een derde en vierde partij aan toegevoegd en begon men de techniek (zie de Machaut) dus ook op profane muziek toe te passen. Het genre zal echter vooral tot bloei komen vanaf de 15de eeuw in de Nederlanden, o.m. omdat het economische en “dus” ook het culturele centrum zich verlegt van Parijs, eerst naar Brugge, later naar Antwerpen, “waar Bourgondiërs thuis zijn”, om het met die bekende slogan samen te vatten. Philips de Goede had in de eerste helft van de vijftiende eeuw immers een eenheidsrijk gecreëerd dat later de basis zou vormen voor de Zeventien Provinciën. Wanneer zijn kleindochter Maria van Bourgondië met Maximiliaan van Oostenrijk huwt, gaat dit erfgoed over in Habsburgse handen. Men spreekt dus van de Nederlands-Bourgondische school, al hanteert Eufoda, het platenlabel van het Davidsfonds, de benaming “De Vlaamse Polyfonisten”. Men verdedigt deze keuze door te verwijzen dat deze componisten, of ze nu van Antwerpen, Luik of Atrecht (het huidige Arras) afkomstig waren, in Italië steevast met “I Fiamminghi” werden aangeduid, terwijl er aan het Spaanse hof zoiets bestond als de “Capilla Flamenca”. Over de taal van de teksten zegt dit hoegenaamd niets. De meesten waren van huize uit Franstalig (vandaar dat men in Frankrijk spreekt van “l’école franco-flamand”), maar de religieuze muziek werd uiteraard getoonzet op Latijnse teksten, terwijl de profane liederen evenzeer Frans, Italiaans of Spaans als Nederlands of (later) Duits kunnen zijn. Dat alles heeft uiteraard te maken met het feit dat de beste componisten en de beste uitvoerders weliswaar uit onze streken kwamen, maar dat zij over heel West-Europa actief waren, omdat zij werden “weggekocht” door andere hoven, op een manier die nog het best met het huidige professionele voetbal kan worden vergeleken: ieder hof wilde de beste in huis hebben.
Prof.Bossuyt onderscheidt een aantal generaties. Hij vertrekt van het “Lam Gods” van Jan van Eyck omdat dit tot stand kwam rond 1430, toen ook Guillaume Dufay de grondslagen legde van de Vlaamse polyfonie. Daarna volgen Ockeghem en Josquin Des Prez. Sinds kort is duidelijk dat Johannes Ockeghem afkomstig is van Saint-Ghislain in Henegouwen en daarom noemt Guy Janssens, die met zijn Laudantes Consort een gelijkaardige reeks uitbrengt, hem trots Jean, want deze reeks is niet van enig chauvinisme ontbloot.
Een gelijkaardige reeks werd in het Franstalige landsgedeelte verzorgd door Guy Janssens. Geboren in Brussel, studeerde Guy Janssens piano en cello aan het conservatorium van Leuven en zang in de abdij Keizersberg. Uiteindelijk is het aan het conservatorium van Brussel dat hij zijn diploma’s piano en kamermuziek haalt. In 1981 sticht hij het instrumentaal ensemble L’Offrande Musicale en in 1984 het koor met dezelfde naam, beide gespecialiseerd in de historische uitvoeringspraktijk van barokmuziek. In 1991 sticht hij het Laudantes Consort, gespecialiseerd in Renaissancemuziek, in 1993 eveneens gevolgd door een koor met die naam. Hiermee start hij een reeks over de Europese polyfonie van de 12de tot de eerste helft van de 17de eeuw i.s.m. Jean Salkin, de stichter van de Belgische Mediatheek. Reken daarbij dus de reeks over de Vlaamse polyfonie van Eufoda en de platen van onze gewezen Culturele Ambassadeur Paul Van Nevel met zijn Huelgas Ensemble en we kunnen dan toch wel zonder schroom stellen dat de liefhebbers van polyfonie in onze contreien worden verwend.
De eerste CD van Janssens kunnen ze het beste vergelijken met de CD gewijd aan Orlandus Lassus (1532-1594) en dan stellen we vast dat bij Janssens net als bij Erik Van Nevel (Eufoda) de profane liederen zonder opmerkelijk stijlverschil ten overstaan van de religieuze muziek worden vertolkt. Op dat vlak moeten we toegeven dat Paul Van Nevel het haalde met vlag en wimpel. Er was wel reeds beterschap op de CD, gewijd aan William Byrd (1543-1623). Zelfs al bestond die uit uitsluitend religieuze muziek, dan kon men zelfs in “Sing joyfully” een nauwere betrokkenheid bij de tekst opmerken.
Beter één Byrd in de hand, dan tien Victoria’s in de lucht? Deze Spaanse exponent van de contra-reformatie Tomas Luis de Victoria (1548-1611) brengt alvast minder variatie in stemmingen, zelfs al omspant de CD zowat z’n hele leven, gaande van Maria-motetten uit 1572 tot zijn Requiem uit 1605. Anderzijds dient toegegeven dat het Laudantes Consort de gewijde sfeer wel goed kan aanhouden. Eén ding moet ons echter van het hart: daar waar de Eufoda-reeks “gepakt” werd op dat “Vlaamse” in de titel, gaf men daarbij toch een tekstboekje in vier talen, terwijl deze Brusselse uitgave slechts drie talen bevat. En raad eens welke taal er te min wordt bevonden? Dat wil dan wel zeggen: tot precies die CD van “Jean” Ockeghem!
De voornaamste figuur van de vierde generatie is Adriaan Willaert, terwijl de ultieme bekroning de vijfde generatie vormt met natuurlijk Orlando di Lasso, alias Roland Lassus. Bij hem is er nog geen sprake van barok, maar b.v. het motet “In hora ultima” klinkt toch al “menselijker” dan Palestrina. De tekst is immers belangrijk, terwijl bij Palestrina alleen God het dient te verstaan, althans in de visie van de nazi-componist Pfitzner (zie aldaar). Anderzijds was Lassus soms ook wel iets minder godsvruchtig, om niet te zeggen pornografisch. Dat vinden we natuurlijk niet op de CD van het Davidsfonds maar wel op de CD van Janssens.
Tenslotte komt er nog een “uitbloei” rond de persoon van Jan Pieterszoon Sweelinck.
Het uitgeven van gedrukte muziek gaat terug tot 1501 toen Ottaviano Petrucci “Harmonice musices Odhecaton” uitgaf. Odhecaton betekent honderd en slaat op het feit dat de bundel honderd drie- en vierstemmige composities bevat (o.a. van Desprez en Isaac), maar de verschillende notenbalken stonden nog niet onder elkaar, zoals dat nu het geval is. Uit de drie volgende CD’s blijkt eens te meer dat men de polyfonisten zeker niet uitsluitend als “ernstige” kunstenaars mag afschilderen. Van Nevel laat b.v. graag contrasten aan bod komen: een heel ingetogen religieus lied, gevolgd door een ondeugend dansje b.v.
Nicolaas Gombert en Philippus de Monte worden elk gezien in relatie tot de hoven waar ze werkzaam waren (resp. Keizer Karel en de Habsburgers in Wenen en Praag), terwijl op de volgende CD drie componisten worden samengebracht, die ten onrechte een beetje in de schaduw zijn blijven staan, met name Isaac, Obrecht en De la Rue. Van Heinrich Isaac springt o.m. het instrumentale “Alla battaglia” in het oog (of het oor) en “Virgo prudentissima” dat een hulde wil zijn aan Maximiliaan van Oostenrijk (?!), terwijl Pierre de la Rue scoort met het romantische “Autant en emporte le vent” of het instrumentale “Fors seulement”, waarbij het merkwaardige instrumentarium is gebaseerd op de iconografie (zeg maar de schilderkunst) uit die tijd. Van de Gentenaar Jacob Obrecht (1457-1505) tenslotte werden een paar liederen overgenomen, die echter instrumentaal worden gebracht omdat de teksten onvolledig werden overgeleverd. Het is immers niet toevallig dat Obrecht onder zijn Vlaamse naam bekend is gebleven. Men zocht in Italië immers in de eerste plaats uitvoerende kunstenaars en aangezien Obrecht maar een middelmatige zanger was, diende hij onverrichterzake terug te keren. Hij maakte dan maar carrière in Utrecht en Kamerijk (Cambrai). Op latere leeftijd waagde hij nog eens zijn kans in Italië, maar het bekwam hem slecht. Bijna onmiddellijk na zijn aankomst bezweek hij er aan de pest.
Zonder afbreuk te willen doen aan de bekende namen, wilde de Eufoda-reeks trouwens vooral de “vergeten generatie” in het licht stellen. Men spreekt soms wel eens schamper van “een terecht vergeten meesterwerk”, maar een componist in zijn heel is nooit “terecht vergeten”. Al was het maar voor één compositie, dan nog verdient hij te boek te worden gesteld voor de volgende generaties. En anders kan hij zelfs nog “historisch” nuttig zijn. Het is immers pas op de humuslaag van de “doorsnee-componisten” dat een genie kan bloeien.
Volgens Erik Van Nevel is de Monte zo’n genie, ook al is hij bij het grote publiek minder gekend dan Desprez of Lassus. Hij is ook gedoodverfd als een religieus componist, terwijl hij nochtans schitterende madrigalen heeft geschreven, waarin de affectenleer van de barok reeds dermate wordt aangekondigd dat men van mini-theaterstukjes kan spreken. Ook de andere componisten op deze CD springen een beetje uit de rij, niet toevallig omdat aartshertog Ferdinand van Oostenrijk er bij zijn hofcomponisten juist op aandrong om telkens “iets speciaals” te schrijven. Zo is er b.v. het dramatisch motet “Adesto, dolori meo” van Alexander Utendal.
Bij Nicolaas Gombert heeft Erik Van Nevel er vooral zorg voor gedragen niet in het vaarwater van zijn oom Paul terecht te komen, die met zijn Huelgas Ensemble reeds een CD met werk van deze componist had opgenomen. Eigenlijk is ook deze CD een drieluik, want naast Gombert komen enkel nog Thomas Crequillon en Clemens non Papa in gelijke mate aan bod. En terecht want dat Clemens non Papa met ondeugende chansons uit de voeten kon (in dit geval b.v. “Blaison du laid tetin”), dat weten zelfs liefhebbers van zogenaamde volksmuziek, maar dat ook Thomas Crequillon met “Ung gay bergier” aardig uit de hoek kan komen, dat is een revelatie. Crequillon is ook zo’n typisch voorbeeld van iemand die een ondeugend lied schrijft (“Pis ne me peut venir”, het lijkt wel over prostaatkanker te gaan) en daarna op datzelfde thema een zogenaamde parodie-mis schrijft, die ondanks het feit dat ze in de titel naar dat lied te verwijst toch geen parodie is in onze betekenis van het woord.
De opnames hebben zoals steeds plaatsgevonden in Studio Steurbaut onder de professionele leiding van Johan Huys. Van Nevel is daarover heel tevreden, alleen mist hij voor de religieuze muziek soms wel eens de typische galm van een kathedraal. Het bewijst hoe veeleisend hij is, want zelf zijn we daarover wel tevreden. Dat wordt b.v. bewezen door het “Salve Regina” van Jacobus Vaet of “Veni, Creator Spiritus” van Thomas Crequillon dat eigenlijk net zo goed in de hitparade zou kunnen terechtkomen als de Gregoriaanse gezangen van die Spaanse paters.
Hier zijn het echter geen Spaanse paters, maar zoals steeds wanneer het liturgische gezangen betreft, deed Van Nevel een beroep gedaan op de Capella Sancti Michaelis uit Brussel. Voor de profane muziek zorgt het Currende Consort. Vooral in het laatste geval werd een solistische aanpak nagestreefd, maar ook bij de koorwerken werd de bezetting uitgedund tot twee, drie stemmen voor één partij. De instrumentale begeleiding werd voor de kerkmuziek heel sober gehouden: af en toe een orgel (uiteraard) en heel uitzonderlijk een trits bazuinen, maar er wordt vooral a capella gezongen. Het is bij de profane muziek dat men de meer “frivole” instrumenten aantreft, zoals schalmei, pommer, vedel of dulciaan. Telkens aangepast aan de omstandigheden, uiteraard. Zo zijn op de Spaanse CD meer rietinstrumenten te horen dan elders, omdat die daar erg populair waren. Daarnaast valt ook de aanwezigheid op van het vermaarde Concerto Palatino, wat de koperblazers aangaat.
Ook de zangstijl verschilt, tenslotte gaat het hier van nog bijna primitieve middeleeuwse gezangen tot bij de barok aanleunende meesterwerkjes.
De Vlaamse polyfonisten hebben het genre dus ten top gedreven, maar ze hebben het niet uitgevonden. Men looft hun eufonie (welluidendheid) en dat ondanks een gelijkwaardigheid van stemmen (bij mindere goden blijft de Gregoriaanse melodie het fundament, de tenor of de drager), wat dus een verschrikkelijk technische virtuositeit (met o.a. het imitatie-canon) impliceert. Geen wonder dat ze in de meest letterlijke zin van het woord school maakten. Zo was in Venetië (in de San Marco-kapel) Adriaan Willaert actief, die zowaar een nieuw genre “uitvond”: het Italiaanse madrigaal, omdat hij Italiaanse poëzie (vooral van Petrarca) op muziek zette. Via Giaches de Wert, de man in wiens orkest ene Claudio Monteverdi nog heeft “gedebuteerd”, werd deze techniek doorgegeven aan iemand die dus eigenlijk wel ten onrechte als de ontdekker van de harmonie en “dus” van de huidige westerse muziek wordt genoemd: Don Carlo Gesualdo, prins van Venosa nabij Napels (1560-1613). Naast zijn werkelijk revolutionaire harmonieën en het feit dat hij zelf luit speelde om zijn eigen gecomponeerde madrigalen te begeleiden, liet hij zich echter vooral opmerken omdat hij op 26 oktober 1590 zijn ontrouwe echtgenote Maria d’Avalos en haar minnaar, Don Fabrizio da Carafa, de hertog van Andria, vermoordde. For good measure vermoordde hij ook nog zijn dochtertje omdat hij aan zijn vaderschap twijfelde. Dat deed hij door het huilende kind op een binnenkoer te plaatsen en zijn muzikanten daar rond te laten musiceren tot het zou zwijgen. Dat gebeurde pas na drie dagen. Maar het kind stopte dan ook definitief met huilen…
Overigens moeten we dat verhaal van die “ontrouwe” echtgenote niet enkel met een korreltje maar met hele emmers zout nemen. Als tweede kind zou Gesualdo immers oorspronkelijk de titel van zijn vader niét erven en was hij, zoals dat in die tijd gebruikelijk was, naar het klooster gestuurd. Daar vatte hij een extreme “sympathie” op voor de koorknapen. Zelfs in sadomasochistische zin. Het merkwaardige is evenwel dat hij masochistisch was, zodat zijn voorkeursbehandeling erin bestond zich door hen te laten afranselen. (Volgens Geert Stadeus in Snoecks Almanak 2005 had dit echter met een onwillig spijsverteringstelsel te maken: die zweepslagen waren de enige methode om zijn stoelgang op euh… gang te brengen.)
Toen zijn oudere broer evenwel onverwacht stierf, moest Gesualdo alsnog de honeurs waarnemen en daarvoor kreeg hij zelfs één van de mooiste vrouwen uit de omgeving toegeschoven. Maar uiteraard was hij maar weinig gesteld op het vervullen van zijn huwelijksplichten en vandaar dat de arme dame haar toevlucht moest zoeken bij een minnaar…
Zijn tweede huwelijk sloot hij met Eleonora d’Este. Aan het aardse gerecht mocht Gesualdo dan nog ontkomen zijn, het leek er even toch op dat er een soort hemelse wraak bestond, die zich (even blind als die van hemzelf) op zijn twee zoontjes stortte, één uit beide huwelijken. Die slag kwam Gesualdo niet te boven en hij overleed zelf kort daarna.
Ondertussen had hij via de familie van zijn tweede vrouw in Ferrara kennisgemaakt met Jacques De Wert, die ook reeds affecten toepast, maar nogal kinderachtig. In het motet “Ascendente Jesu” (over het stillen van de wateren, niet te verwarren met het wateren van de stille) respecteert hij b.v. de interpunctie, maar het blijft nog altijd te anekdotisch, zoals b.v. de vader van Galilei (zelf ook een componist) aanstipte. In “Vox in Rama” (“Een klacht werd in Rama gehoord: Rachel, wenend om haar kinderen”) heeft men ook nog die traditionele woorduitbeelding, maar toch worden hier reeds “affecten” in beweging gebracht b.v. op “ploratus et ulutatus multus” (geween en luid gejammer). Dat zou komen omdat De Wert werkzaam was in Mantua en Ferrara waar de eerste vrouwelijke “singer-songwriters” actief waren en die hadden daar meer gevoel voor. Toch was er in Firenze ook Elena Mavezzi, claveciniste en later wellicht abdis van het Sant’Azgneseklooster te Bologna.
De pendant van de polyfonie is te vinden in de literaire richting die in Frankrijk ontstond en die men “les rhétoriciens” noemde, waarvan de volksetymologie “de rederijkers” maakten. Zo eindigt een polyfoon werk vaak met een “katabasis”, wat te vergelijken is met een “prince” (een aanroeping van god of een echte prins of desnoods een karnavalprins) in een rederijkersgedicht. Zij voerden ook het aantal stemmen op. Zo’n negenstemmig kerstmotet als “Hodie Christus natus est” van Lambert de Sayve dat kan er nog mee door, maar wat gezegd van 90-stemmige composities of composities die ook van achteren naar voren konden worden gespeeld? Want zoals de rederijkers extreme toeren uithaalden binnen hun gedichten (akrostika, schaakberden, gedichten die ook omgekeerd kunnen worden gelezen), zo schreven de polyfonisten ook met notenbalken die ondersteboven gehouden nog een doenbaar muziekstuk opleverden. Of de “kreeft”, die is de uitvoering van de melodie van achteren naar voren, zoals we dat – niet toevallig – terugvinden op de tekst van “vade retro Sathanas” in de “Missa Alleluia” van Pierre de la Rue.
Naast haar prestigieuze reeks heeft Eufoda ook een CD met als titel “Muziek aan het Bourgondische hof” uitgebracht. Hierbij ligt de nadruk op de “Missa Alleluia” van Pierre de la Rue, de lievelingscomponist van Margaretha van Oostenrijk, maar merkwaardig genoeg werd de mis niet “in één ruk” opgenomen, maar wordt ze onderbroken door twee motetten van Josquin Desprez. Bovendien wordt ze voorafgegaan door een “Salve Regina” van Jacob Obrecht en gevolgd door nog een zevenstemmig motet van Matheus Pipelare. Merkwaardige structuur voor een CD, maar men kan niet echt van een stijlbreuk gewagen, het ene glijdt moeiteloos over in het andere. Dat komt natuurlijk door de eenheid in de benadering door de Capilla Flamenca, een koor dat – alweer merkwaardig genoeg – zichzelf schijnt te dirigeren. Soms krijgen ze steun van het koor Cantate Domino van Michaël Ghijs, maar deze heeft enkel zijn eigen koor voorbereid en is dus niet verantwoordelijk voor de hele CD. Volgens ons is het de bas Dirk Snellings die tegelijk ook het dirigeren voor zich heeft genomen, maar dat wordt niet duidelijk uit het begeleidende boekje dat zich meer op de muziek concentreert dan op de uitvoering. Maar goed, het resultaat telt en liefhebbers van a capella zullen het zeker op prijs kunnen stellen.

Referentie
Ronny De Schepper, Prestige van polyfonisten, Het Laatste Nieuws 4 december 1993
Ronny De Schepper, Referentiewerk over de Vlaamse polyfonisten, Het Laatste Nieuws 23 april 1994
Ronny De Schepper, Ondeugende polyfonisten, Het Laatste Nieuws 30 april 1994

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s