Emile Gaboriau (1832-1873)

47 Émile_Gaboriau rond 1855Vandaag is het 140 jaar geleden dat Emile Gaboriau is gestorven. Maar wie is in godsnaam Emile Gaboriau vraagt u zich af. Dat deed ik ook. En toen ben ik wat gaan googelen en het resultaat was zeer interessant…

Ik herhaal nog eens dat mijn uitgangspunt bij de literatuurgeschiedenis gebaseerd is op de dialectiek tussen romantiek en realisme. Zo kwam uit het realisme de detectiveroman voort, met name via “Les mystères de Paris” van Eugène Sue (1804-1857), één van de eerste “feuilletons” dat verscheen in Le Journal des Débats entre le 19 juin 1842 et le 15 octobre 1843.
Toch worden in de Angelsaksische wereld Wilkie Collins (“The moonstone”) en Edgar Allan Poe (“The murders of the rue Morgue”) als de grondleggers van het genre beschouwd, alhoewel dit eigenlijk volbloed romantici waren.
Geloofwaardigheid is hoe dan ook broodnodig voor het identificatieproces en “the suspension of disbelief” in dit genre. Vaak is het zelfs zo dat een detectiveroman “reëler dan de realiteit” moet zijn, want als het toeval een te grote rol speelt dan lijdt de credibiliteit eronder, al weet iedereen dat het toeval in het werkelijke leven nochtans vaak erg machtig kan zijn.
REALISTISCHE OORSPRONG
Is bij Eugène Sue de detective-invalshoek eigenlijk nog een nevenaspect van een veel bredere zedenschets, dan kan Émile Gaboriau (Saujon-en-Saintonge, le 9 novembre 1832 – Paris, 28 septembre 1873) être considéré comme le père du roman policier. Son personnage, l’enquêteur Lecoq, a influencé Conan Doyle pour la création de Sherlock Holmes.
Gaboriau exerça divers métiers : clerc d’avoué, hussard en Afrique, chef d’écurie. Il s’engagea dans la cavalerie pour sept ans mais résilia son contrat rapidement pour gagner Paris où il écrivit des chroniques pour gagner sa vie. Il devint le secrétaire de Paul Féval (1816-1887), un écrivain français, dont l’œuvre composée de romans populaires édités en feuilletons eut un succès considérable de son vivant. Au XIXe siècle, sa notoriété égalait celle d’Honoré de Balzac et d’Alexandre Dumas.
Le premier roman de Gaboriau, L’affaire Lerouge (1866), connut un immense succès. On y voit l’apparition de Lecoq, agent de la sûreté qui deviendra un commissaire célèbre. Ce personnage inspira Conan Doyle, comme modèle du détective ingénieux qui résout des énigmes par ses capacités déductives hors normes. Mais, à la différence de Sherlock Holmes, les enquêtes de Lecoq reposent sur des investigations plus réalistes, plus proches des progrès de la police scientifique de l’époque. Les romans policiers de Gaboriau font pénétrer l’intrigue dans les milieux sociaux. Il décrit l’environnement d’une manière qui peut être qualifié de « naturaliste ». En cela, son influence sur le roman policier français reste très importante.
Après le succès de “L’Affaire Lerouge”, il travailla comme feuilletoniste au Petit Journal. En 1872, il montera avec Jules-Émile-Baptiste Holstein un drame théâtral tiré de “L’Affaire Lerouge”.
“Monsieur Lecoq” fut adapté au cinéma par Maurice Tourneur en 1914. Le roman de Gaboriau a aussi été porté au petit écran dans une adaptation titrée Monsieur Lecoq qui fut diffusée par la Société Radio-Canada en 1964 et 1965. In 2009 draaide Claude Chabrol de TV-film “Le petit vieux des Batignolles”, gebaseerd op de postuum gepubliceerde roman van Emile Gaboriau uit 1876.
ROMANTISCHE INVLOEDEN
Ondanks al dat realisme is het “canon” van de detectiveroman dus vastgelegd door een romanticus par excellence, de Amerikaan Edgar Allan Poe, ook al stipt die zelf in een recensie van 1841 aan dat eigenlijk “Barnaby Rudge” van Charles Dickens de eerste literaire poging tot een “mystery novel” is, zij het dan listig verborgen als historische roman (een beetje zoals “De naam van de roos” later). Het zal trouwens nog tot 1844 duren – want het was een “feuilleton” (1) vooraleer de eerste privé-detective zijn intrede doet in het boek, met name Mr.Nadgett (p.528 in het gepubliceerde boek).
Maar hoe dan ook, in zijn kortverhaal “The murders in het Rue Morgue” legt Poe een aantal beginselen vast, waarvan nadien zelden werd afgeweken. Vandaar dat het heel terecht is dat de “Oscars” van de detectiveromans “Edgars” worden genoemd. De eerste ging trouwens naar Raymond Chandler.
Maar wat zijn nu die grondbeginselen?
Eerst en vooral staat niet de misdaad maar de opheldering ervan centraal. Deze opheldering gebeurt dan door de detective en wel door middel van logische redenering. Omdat de detective zich moeilijk via de schrijver rechtstreeks tot de lezer kan wenden, wordt een tussenfiguur ingeschakeld. Een figuur die met op het eerste zicht vaak dwaze vragen meer realiteitszin aan de dag legt dan de galopperende speurder (niet toevallig is het uitnemende voorbeeld, Sherlock Holmes een drugverslaafde net zoals zijn schepper, Arthur Conan Doyle en onze vriend Poe). Dit is vooral bedoeld omdat op die manier op een “natuurlijke” manier een paar denkpistes kunnen worden uitgelegd aan de lezer, die dan in de plaats treedt van de dommekracht. (Voorgewende domheid kan ook een hulpmiddel zijn voor de detective op zich. Columbo is daar een voorbeeld van.)
Bij Poe vertelt detective Dupin alles aan de ik-persoon, die verder vaag blijft, maar Dr. Watson is bijna even beroemd als de genoemde Holmes, terwijl men niet aan Father Brown van Chesterton kan denken zonder Flambeau erbij te zien of Hercule Poirot zonder Hastings.
In zijn Sherlock Holmes-parodie “De avonturen van Bill Clifford” (Amsterdam/Brussel, Elsevier, 1963) drijft Godfried Bomans het dan ook zo ver dat de super-detective Clifford een heel boek zijn “Tegenstander” achternaholt, terwijl het in feite zijn assistent Topwash is die op een heel eenvoudige manier de oplossing brengt. De met de hand geschreven staatsgeheimen waren immers als drukwerk gepost en als dusdanig niet verstuurd! “Elementary, my dear Watson!” (overigens een zinnetje dat in geen enkel Holmes-verhaal voorkomt.)
Een andere Holmes-parodie was “The Last Sherlock Holmes Story”, het debuut van Michael Dibdin (1947-2007) uit 1978. Zijn “eigen” detective, de zwaarmoedige Aurelio Zen, situeerde Dibdin in Italië, waar hij (Dibdin dan uiteraard) lesgever was aan de universiteit van Peurgia (2). Zijn derde vrouw, K.K.Beck, was eveneens een thrillerauteur, wat logisch was, want hij had ze ontmoet op een schrijverscongres in Spanje.
Zelfs Umberto Eco brengt in “De naam van de roos” hulde aan het Conan Doyle-duo door zijn hoofdfiguur William van Baskerville te noemen en zijn jonge assistent die alles optekent voor de lezer, Adson de Melk.
DE MACHINE HEEFT HET GEDAAN
Kort voor het einde van de 19de eeuw verschenen ook een aantal verhalen, waarin allerlei eigenaardige machines de doder zijn (een duidelijke verwijzing naar de Industriële Revolutie) en daarbij zit ook “A terribly strange bed” van Wilkie Collins, naast “The Iron Shroud” (William Mudford) en “The mystery of the circular chambre” (L.T.Meade en Robert Eustace), aldus Marysa Demoor. Al deze verhalen zijn trouwens nog verre uitlopers van the gothic novel (zie aldaar).
De échte detectiveroman richt zich echter vooral tot het rationele deel van de mens en de thriller tot het emotionele. Beide kunnen echter samengaan in verhalen zoals Hitchcock die zo graag verfilmde: men kent de dader, de vraag is echter wie wordt z’n volgende slachtoffer en op welk manier zal hij haar (gek dat deze opdeling naar het geslacht onderbewust zo aangevoeld wordt) van kant maken (emotioneel) en wanneer zal men hem betrappen of ontmaskeren (rationeel)? Voorbeelden van dit genre vindt men in “Huivering wekken” (Amsterdam, Loeb, 1982, 383 blz.). Deze anthologie bevat 26 moderne thrillers, die – hoe uiteenlopend van aard ook – één element gemeen hebben: de combinatie van horror en misdaad, die niet alleen het geheim vormde van Alfred Hitchcocks succesformule, maar ook het uitgangspunt is van Roald Dahl en diens navolgers. “Huivering wekken” bevat het beste uit dit grensgebied van nachtmerrie en werkelijkheid: bijvoorbeeld Ruth Rendells curieuze kinderlokker in “Toen viel het doek”; C.S. Foresters wurgende klopjacht in “Tussen acht en acht” en Evelyn Waughs griezeligste uitstapje aller tijden in “Het uitje van de heer Loveday”. Daarnaast zijn ook vernieuwers van het thrillergenre vertegenwoordigd: Raymond Chandler met een voor zijn doen zéér wonderlijke vertelling; Ian Fleming met een onthutsend Berlijns avontuurtje van James Bond en Frederick Forsyth met een ironisch suspense-verhaal. Ook Edgar Wallace, een Brit die op late leeftijd emigreerde naar Hollywood en daar zowaar het scenario voor King Kong schreef, hoort duidelijk in de kategorie griezeldetectives thuis.
Een moderne vertegenwoordiger van de vermenging tussen thriller en horror-verhaal is Ira Levin (1929-2007) met The Stepford Wives (1972), The Boys from Brazil (1976) en Rosemary’s baby (1967), waarop veel later (duidelijk gewoon om het geld) ook nog een vervolg kwam: Rosemary’s son (1997), ook al was zijn debuut in 1953 (A kiss before dying) een bijna klassiek voorbeeld van een “zuivere” thriller. Ook Stephen King (een groot bewonderaar van Levin) was zowel thuis in het ene (“Salem’s lot”) als in het andere genre (“Misery”).
Via detectiveromans waarschuwen tegen een heropleving van het nazisme gebeurde overigens niet enkel in “The boys from Brazil”, maar ook in “The Odessa File” van Frederick Forsythe en “De Daedalus dreiging” van Charles Ludlum, dat echter van mindere kwaliteit is dan de twee voorgaande.
MEISJES, ZE MAKEN ONS KAPOT, MENEER
Maar terug naar de “klassieke” detectiveschrijvers. Arthur Conan Doyle schreef zijn verhalen rond de eeuwwisseling (zijn eerste, “A study in scarlet”, dateert van 1888) omdat hij als oogarts zonder patiënten zat, maar hij werd vooral in de jaren twintig erg populair. Toen was er wel reeds concurrentie van een vrouw, barones Orczy. Die barones Orczy, Emmuska genaamd, was niet alleen de schepper van de fameuze Scarlet Pimpernel, maar ook van Lady Molly, de eerste vrouwelijke detective, in dienst van Scotland Yard dan nog wel. Zij speelt daarbij soms wel andere troeven uit dan Sherlock Holmes. Zo redt ze b.v. een man die ten onrechte van moord wordt beschuldigd door met hem te trouwen. Toch kan men in haar boeken, naast dergelijke Victoriaanse sentimentaliteit, ook feministische trekjes terugvinden die hun tijd ver vooruit zijn.
De Verenigde Staten mochten in zo’n geval uiteraard niet achterblijven. In 1903 schreef Mary Roberts Rinehart haar eerste thriller, die net zoals de ontknoping in de “Rue Morgue” op de romantische traditie is terug te voeren.
Het is opvallend hoeveel auteurs in het misdaadgenre vrouwen zijn. Zou dat te maken hebben met de vrouwelijke psychologie? Het is overduidelijk dat er meer mannelijke criminelen zijn dan vrouwelijke. Wordt de misdaad door vrouwen meer geïnterioriseerd? Zelfs als er dan al “eens” een vrouwelijke misdadiger is, zoals Juliet Hulme (°1938), die in de jaren vijftig de moeder van haar vriendin Pauline Parker hielp vermoorden (zoals we in de film “Heavenly creatures” konden zien), dan eindigt ze zowaar als schrijfster van detectiveromans (onder het pseudoniem Ann Perry)! Haar verhalen spelen zich af in de Victoriaanse periode, een tijd van hypocrisie, die een vruchtbare bodem vormde voor criminaliteit achter een façade van degelijkheid. De held van het verhaal is dikwijls de Londense inspecteur Monk.
DE SPIONAGEROMAN
Aangezien de eerste spionageromans zich in de jaren dertig situeren (Eric Ambler met “The Mask of Dimitrios”, 1939) hebben ze oorspronkelijk vooral de nazi’s als tegenstander. Eric Ambler (1909-1998) was tegelijk een vernieuwer van het genre in die zin dat zijn hoofdpersonages eerder anti-helden waren i.p.v. stoere patriottische supermannen, waarvan James Bond het karikaturale voorbeeld zou kunnen zijn, ware het niet dat deze romanfiguur van Ian Fleming (1918-1964) toch ook gevoel voor humor heeft, iets wat eveneens door Ambler in de spionageroman werd geïntroduceerd. In 1953 debuteerde Fleming met wat later de donkerste van al zijn romans zou blijken, “Casino Royale” (helaas wordt het beeld dat de meerderheid hiervan heeft misvormd door de karikaturale verfilming uit 1967, in 2005 kwam er echter een nieuwe filmversie die de oorspronkelijke roman minder onrecht aandeed). Na Flemings overlijden werd de reeks verder gezet door John Gardner (niet te verwarren met Erle Stanley Gardner die “Perry Mason” creëerde). Fleming was ook een voorbeeld voor mensen als John Le Carré (“The spy who came in from the cold” uit 1963, “The Russia House” uit 1989) of Len Deighton. Veel minder is dit het geval bij Charles McCarry, die ooit nog zelf voor de CIA heeft gewerkt, of bij Tom Clancy (1947-2013), wiens Jack Ryan-boeken vanaf zijn debuut (“The hunt for Red October”, 1984) pure anticommunistische propaganda zijn. Clancy stopt zijn boeken vol met technologische snufjes (ernstig, geen gadgets zoals bij James Bond), bij McCarry moet je je soms door hele rapporten worstelen. “De geheime minnaars” is trouwens gewoon een roman over de CIA en géén thriller. Maar voor “De novembermoorden”, waarbij hij vertrekt van de moord op J.F.K., verdient hij toch een vermelding. Lang vóór 9/11 schreef hij ook reeds boeken over terroristen die zichzelf opbliezen of die vliegtuigen lieten crashen op gebouwen. Zijn uitgevers verklaarden hem gek…
Eenzelfde pluim komt ook de Zuid-Afrikaan James McClure toe, die met “De biddende adelaar” een aanslag op premier Vorster uitwerkt, op dezelfde manier als Frederick Forsyth dit met generaal De Gaulle doet in “The day of the jackal”. Het is overigens na het lezen van dit boek dat Tom Clancy als zoon van een postbode vond dat er misschien ook nog wat anders in het leven was dan brieven bestellen.
Volgens Ernest Mandel in het interview dat Paul Depondt en Piet De Moor met hem hadden (zie bibliografie) was de spionageroman “één van de twee grote keerpunten in de geschiedenis van de crime story” (helaas komt het tweede keerpunt niet aan bod in het interview): “Door de spionageroman verdwijnt het manicheïsme dat de goeden voor honderd procent goed en de slechten voor honderd procent slecht zouden zijn. Precies dat manicheïsme was echter de voorwaarde voor de integrerende functie van de misdaadroman. Het verdwijnt structureel en onvermijdelijk, want de agent is per definitie geen speelbal van zijn hartstochten — die spelen een marginale rol — maar een agent van de overheid. De wit-zwart verhoudingen maken plaats voor een grijze zone, voor de schemering. Na de Tweede Wereldoorlog krijg je de grote auteurs van de spionageromans: Le Carré bijvoorbeeld, die duidelijk laat voelen dat onze partij eigenlijk niet zó goed is en dat de tegenpartij eigenlijk niet zó slecht is. Het manicheïsme wordt vervangen door algemene twijfel en scepticisme. In deze wereld kan een spion door zijn eigen opdrachtgevers een mes in de rug gestoken krijgen. Dat is echt desintegrerend. Mensen die een beetje nadenken, beginnen te twijfelen aan de legitimiteit van de bestaande orde, de staat, het recht van de maatschappij waarin ze leven. Het is trouwens kenmerkend dat sommige van die romans qua gedetailleerde informatie buitengewoon ver gaan. Ik zou in mijn marxistische colleges niet durven inbrengen wat je in sommige van die romans kunt lezen: de een of andere trust die de regering van de Verenigde Staten controleert, die de president afzet, die een wereldsamenzwering op touw zet om een Vierde Rijk op te richten. Andere boeken schrijven ongeveer hetzelfde over de Russen, want het is niet eenzijdig. Dat men er zich niet aan stoort is precies kenmerkend veer dat algemeen scepticisme, dat bij de geletterden nu eenmaal overheersend is. Er zijn geen goeie politici meer, neen, ze zijn allemaal slecht.
PUZZELROMANS
Maar eigenlijk is de detectiveroman een strikt “Victoriaans” genre dat het beste wordt gekarakteriseerd door Agatha Christie, die in 1920 de eerste van haar zogenaamde “puzzelromans” publiceerde, “The Mysterious Affair at Styles”, waarin meteen de Belgische detective Hercule Poirot werd gïntroduceerd (3). Zij werd op die manier de bekendste en meest gelezen schrijfster aller tijden.
Desondanks ben ikzelf nochtans geen uitgesproken “fan”. Christie schrijft zich immers vooral in in de “Whodunit”-romans (wie heeft het gedaan?) en dat gaat nogal rap vervelen. Als beste voorbeeld hiervan kan haar toneelstuk “The Mousetrap” worden aangehaald, dat nochtans één van de langstlopende stukken ter wereld is. Een andere reden waarom ik mij tegen dat soort verhalen afzet, is dat – als men de consequentie doortrekt – er eigenlijk een negatief wereldbeeld achter schuilt. Men noemt dit in de vakterminologie red herrings, d.w.z. dat bijna alle personages wel een motief hebben of een of ander verborgen geheim. Typisch voor dit soort romans is ook dat het slachtoffer antipathiek wordt voorgesteld. Op die manier is er dus reeds van bij de aanvang een soort van sociale rechtvaardigheid geweest. Anderzijds hebben deze romans weinig vandoen met sociale zaken. Ze spelen zich immers meestal af in de hogere klasse, maar dan gewoon als decor, de maatschappelijke achtergrond ontbreekt totaal. Het motief situeert zich dan ook volledig in de privé-sfeer en is niet van politiek-maatschappelijke aard. Het is een gesloten wereld, vaak soms letterlijk en daarom ook claustrofobisch (4). Dat betekent ook dat met de ontrafeling van de moord meteen ook alle problemen van de baan zijn (soms gesymboliseerd door het feit dat de moordenaar zelfmoord pleegt of zelf het leven verliest door onvoorzichtigheid of wanneer hij in een refleks van zelfverdediging – let wel op: niet uit wraak! – zélf wordt vermoord). Courtroom dramas horen hier dus niet in thuis. Ook fysieke krachtpatserijen (vechtpartijen) zijn hier niet besteed. Het is een typisch Engels genre in tegenstelling tot de Amerikaanse hard-boiled novel.
Een andere Britse schrijfster, Dorothy Sayers (1893-1957), eigenlijk een pseudoniem van Atherton Fleming (één van de eerste vrouwelijke afgestudeerden van Oxford), creëerde een even legendarische detective in de figuur van Lord Peter Wimsey. Zoals de naam reeds aangeeft, spelen haar romans zich “in de betere kringen” af. En net als bij Agatha Christie hebben de schurken nogal eens linkse sympathieën of zijn het geen Ariërs…
Nog een Engelse, Margery Allingham, creëerde de gebrilde en flegmatieke Albert Campion, een mysterieus personage wiens ware naam nooit werd onthuld (hij is wellicht van koninklijken bloede). “The fashion in shrouds” (1938) wordt ook als een literair meesterwerk beschouwd.
De beste nog levende vrouwelijke vertegenwoordiger van het puzzelromangenre is echter P.D. (Phyllis Dorothy) James (°3/8/1920, Oxford).
Verder waren er nog de Nieuw-Zeelandse Ngaio Marsh (spreek uit “nyo”, 1895-1982) met hoofdinspecteur Roderick Alleyn van Scotland Yard (een eigenaardige familienaam, inderdaad, misschien niet toevallig ook de voornaam van het jongste kind van Conan Doyle?) en Nicholas Blake, een pseudoniem voor Cecil Day Lewis, de bekende “poet laureate” (en vader van acteur Daniel). Zelfs de (komische) stripper Gypsy Rose Lee (1914-1970) heeft zichzelf gerecycleerd tot schrijfster van detectiveromans, zoals blijkt uit “The G-string Murders” en “Lady of Burlesque”. Enfin, zo wil het de geschiedenis, want in feite leende ze enkel haar naam aan haar persagente Georgiane-Anna Rudolph, die ook al als Craig Rice detectiveromans had geschreven.
Een opmerkelijke “navolgster” (wat ze uiteraard niet graag hoort) is Elizabeth George. Alhoewel Amerikaanse (Californië) zijn haar boeken door en door Brits. Dat komt omdat ze oorspronkelijk een cursus Engelse literatuur gaf, gewijd aan het misdaadverhaal. Aan de hand van “The history of the mystery story” van Dorothy L.Sayers analyseerde ze de gekozen romans, die – op uitzondering van Poe – allemaal Engels waren en na vijf, zes jaar vond ze dat ze het eigenlijk net zo goed zelf zou kunnen proberen. Haar hoofdfiguur is de adellijke inspecteur Thomas Lynley, die echter wordt bijgestaan door sergeant Barbara Havers, een typisch “working class” product met een afkeer van de adel (dit is dus wel een uitzondering op de “regel”). Een paar titels: “Deception on his mind” (“In de ban van bedrog”),”Tot de dood ons scheidt”, “Mij is de wrake” en “Klassemoord”.
Ook die andere Amerikaanse, Mary Higgins Clark, hoort thuis in het “puzzelgenre”. Zelf verklaart ze dat haar romans eigenlijk gebaseerd zijn op “Klein Duimpje”: “Ik laat hier en daar kruimeltjes vallen die de lezer moet oprapen.” Toch is zij een kind van haar tijd (de jaren negentig) want haar bekendste roman handelt over clonen. Hij vertrekt weliswaar voldoende van de realiteit om tot het detectivegenre te worden gerekend en niet tot de SF, maar toch… Typisch Amerikaans is anderzijds dat het gevaar “van buiten” komt: een braaf, knus, gezellig, burgerlijk gezinnetje wordt bedreigd door de Kwade Wereld (cfr. films als “Cape Fear” of “Desperate Hours”). Het bevestigende rollenpatroon uit zich ook in het vrouwelijke hoofdpersonage dat altijd een slachtoffer is i.p.v. iemand die de oplossing brengt bijvoorbeeld (passief i.p.v. actief). In het boek over de clonen, dat in het Frans “Un jour, tu verras” heet, is dit niet helemaal het geval, aangezien weliswaar de cloon van het hoofdpersonage vermoord wordt, maar zijzelf slaagt als journaliste er toch in de zaak op te lossen.
In het rijtje van vrouwelijke detectives hoort ook de Amerikaanse juriste en bedrijfseconome Gini Hartzmark thuis. Haar alterego Kate Millholland lost bedrijfsspionage en andere economische misdrijven op in “Een kwestie van principe” en “De laatste kans”. Interessanter is echter Mary Wings, die haar alterego Emma Victor moorden laat oplossen in “Zij kwam te laat” en “Zij kwam in een flits” (niet bepaald briljant vertaalde titels). De laatste roman speelt zich af in een sekte en Wings sloot zichzelf daarvoor gedurende een tijdje bij de Baghwan aan. Haar hoofdpersonage is net als zijzelf lesbisch en men kan dus wel denken dat Wings haar uitleg klaarheeft waarom zoveel vrouwen detectiveromans schrijven: “Vrouwen waren vroeger machteloos, zelfs als ze rijk en welopgevoed waren. Het enige wat ze echt kunnen controleren, is wat ze zien, relaties tussen mensen onderling. Neem nu een begrafenis. Je ziet daar mensen die echt lijden, maar ook komedianten die krokodilletranen storten. Vrouwen noteren dat allemaal. Mannen kijken op hun horloge en zeggen: kom, we gaan weer aan het werk.”
Maar mannen-met-vrouwelijke-trekjes kunnen dat natuurlijk ook. Dat hoeven daarom geen homo’s te zijn. Van klassieke muziek houden b.v. kan daar ook al een uiting van zijn. Zoals de Inspector Morse van Colin Dexter (1930-2016), die wellicht de trouwste volgeling is van Agatha Christie. Meer zelfs, bij zijn speurwerk komt weinig wetenschappelijk werk te pas, net zoals een andere hobby die het hoofdpersonage deelt met de auteur (een leraar klassieke talen die wegens gehoorproblemen was uitgerangeerd naar een baan bij de examencommissie van de universiteit van Oxford) wordt een moordzaak opgelost zoals een kruiswoordraadsel of cryptogram: Dan Brown, eat your heart out! Natuurlijk heeft ook Morse een “klankbord”, de nuchtere familieman Lewis, die niets vandoen heeft met de culturele leefwereld van zijn baas.
Een grote bewonderaar van Dexter is de Zweed Henning Mankell, al is het niet dààrom dat zijn Wallander ook van opera houdt. Mankell houdt daar namelijk zelf ook van.
THE DETECTION CLUB
In 1932 werd de Detection Club opgericht met als eerste voorzitter Gilbert Keith Chesterton (1874-1936). Secretaris was John Dickson Carr (1905-1977). Hij was een naar Engeland geëmigreerde Amerikaan, die ook soms schreef onder het pseudoniem Carter Dickson, en daardoor het enige niet-Britse lid van deze selecte (26 leden) club. Hij staat bekend als de meester van de “onmogelijke moorden” of “gesloten kamer moorden”.
Aan Ronald Knox kwam binnen de club de twijfelachtige eer toe de tien geboden voor de klassieke detectivestory te bedenken. De drie voornaamste geboden waren:
1.De moord mag niet worden gepleegd met een onbestaand gif, noch met een middel dat een ellenlange wetenschappelijke uitleg behoeft.
2.De detective zelf mag geen misdaad begaan, al mag de misdadiger zich wel voor detective uitgeven om andere personages te misleiden met valse “clues” (aanwijzingen).
3.Er dient écht speurwerk verricht. De dader mag dus niet worden gevonden door goddelijke openbaring, vrouwelijke intuïtie of gewoon dom toeval.
THE HARD-BOILED NOVEL
Vanaf 1930 treedt er verandering op. In Amerika spreekt men vanaf die periode (niet toevallig samenvallend met die van de drooglegging) ook wel eens van de “hard-boiled novel” (hard gekookte roman), waarin alles in een gewelddadige, brutale, cynische sfeer verloopt en die dan ook in een dito stijl is geschreven. Het wordt ook wel eens “de Californische school” genoemd, omdat de meeste verhalen zich afspelen in Los Angeles. De “uitvinding” van dit genre wordt in 1929 (“The red harvest”) toegeschreven aan Dashiell Hammett (geboren in 1894), die de privé-detective Sam Spade creëerde in “The Maltese Falcon” (1930) en “The Glass Key” (1931), maar hij creëerde ook een veel “luchtiger” detective, zo luchtig zelfs dat hij “the thin man” werd genoemd. William Powell incarneerde zes films lang de drankzuchtige detective Nick Charles, geflankeerd door Myrna Loy als zijn frivole vrouw Norah (het was zo’n succes dat de twee nog in zeven andere films een echtpaar vormden, die helemaal niets met “the thin man”-reeks te maken hadden). Hammett, die in het reële leven, zélf privé-detective was, was net als zijn vriendin Lilian Hellman lid geweest van de communistische partij en werd dan ook gedagvaard door McCarthy. Ondanks de steun van o.a. Myrna Loy zag hij op die manier een carrière als Hollywood-scenarist aan zich voorbijgaan. Hij stierf in 1961 aan longkanker.
Maar de meesten beschouwen zijn bewonderaar Raymond Chandler, de schepper van Philip Marlowe (“The big sleep”, “Farewell, my lovely”, “The long goodbye”) en de man van de wisecrack (“I left her with her virtue intact, but it was quite a struggle. She nearly won.”) als de grootste.
Horace McCoy was dan weer zó hard-boiled dat hij zijn “No pockets in a shroud” pas in 1948 in de VS mocht uitgeven, nadat hij het reeds in 1937 in Engeland had gepubliceerd gekregen.
In het begin van de jaren vijftig was er in de VS ook Mickey Spillane (1918-2006) met “zijn” detective Mike Hammer. Als hij zich nadien laat bekeren tot getuige van Jehova betekent dit de dood van Hammer, die echter in 1962 opnieuw opduikt. Zonder succes deze keer, zodat Hammer nogmaals verdwijnt, deze keer tot in 1989!
Andere vertegenwoordigers van dit genre zijn o.m. Rex Stout (1886-1975) met de zwaarlijvige “kamerdetective” Nero Wolfe, die het straatwerk laat opknappen door zijn sidekick Archie Goodwin, en de Duitser Herbert Reinecker (1914-2007), de scenarist van alle 281 afleveringen van “Derrick”, zoals blijkt uit de licentiaatsthesis die Tom Zwaenepoel daaraan voor de Gentse Universiteit heeft gewijd.
Daarnaast is er ook nog James M.Cain (1892-1977) met “The postman always rings twice” (1934), “Mildred Pierce” en “Double Indemnity”, al beweert die een hekel te hebben, zowel aan Hammett als aan Chandler. Hij werd vertaald door niemand minder dan Boris Vian, die zelf onder het pseudoniem Vernon Sullivan romans in die stijl begon te schrijven, zoals “J’irai cracher sur vos tombes” uit 1946(6).
LE ROMAN NOIR
Vanaf het midden van de jaren veertig werd in Frankrijk de hard-boiled politieroman immers bijzonder populair. De Fransen gaven het genre zelfs een eigen naam: le roman noir. Ze verschenen dan ook in de beroemde série noire van Marcel Duhamel, die door de aftrek bij existentialisten als Jean-Paul Sartre meer bon ton was dan de meer proletarische reeks Fleuve noir, die zich vooral kenmerkte door meer bloot op de omslag.
Typisch is inderdaad dat seks hier een belangrijke rol kan spelen, daar waar dit in andere detectiveverhalen een taboe is. Seks is een uitlaatklep tegen het gevaar (eros en thanatos!), net zoals (vooral) alcohol- en later ook wel druggebruik. De held is per definitie gewild eenzaam en ongebonden. Toch is hij ook geen “poor lonesome cowboy, a long way from home”, want het zijn typische stadsromans (al kan het platteland soms wel als contrast worden aangewend, zoals in “Witness”).
Daarna concentreerde dit soort romans zich vooral op serial killers. Zo b.v. in “Betonblond” van Michael Connelly, de favoriet van Bill Clinton, of “Een mooie dag om te sterven” van Stephen Solomita. Deze laatste verheft zich boven de doorsnee omdat hij net zoals in “Silence of the lambs” van Thomas Harris verder wil kijken dan pure horror. Motieven kunnen zelfs bij een “willekeurige” seriemoordenaar toch van belang zijn. En meestal liggen die dan op het psychologische vlak.
Stilistisch leunt daarbij de stroming in de Amerikaanse literatuur aan die men “dirty realism” noemt. Ze bestaat uit auteurs die de realiteit van kleine of op drift geslagen mensen zeer sec opdienen, zodanig dat er van die verhalen een beklemmende, vaak poëtische kracht uitgaat. De beroemdste schrijver van die school is Raymond Carver, op wiens kortverhalen b.v. “Short cuts” van Robert Altmann is gebaseerd, maar voor zover ik weet schrijft Carver geen detectiveromans als dusdanig.
WREDE VROUWEN
Aangezien het kringetje van privé-detectives vooral een mannenwereld is, waren zowel de auteurs als de in het leven geroepen detectives bijna uitsluitend mannen. In de jaren tachtig was een minder prettig gevolg van de emancipatie dat ook de vrouwen gewelddadiger werden. Dat weerspiegelde zich bijgevolg ook bij de auteurs.
In 1982 kwamen dan ook de twee eerste vrouwelijke privédetectives tot leven: V.I.Warshawski, het hoofdpersonage van de romans van Sarah Paretsky (in de film gestalte gegeven door Kathleen Turner), en Kinsey Millhone, de creatie van Sue Grafton. Men is er nog steeds niet uit wie van de twee nu de allereerste was. Welnu, het antwoord is simpel: geen van beide. Vóór hen waren er reeds Mavis Seidlitz, Marla Trent en Honey West. Maar het dient gezegd dat die allemaal uit de pen van een man waren gekropen (resp. Carter Brown, Henry Kane en G.G.Fickling) en het waren dan ook eerder mannelijke erotische fantasieën dan realistische creaties. Sommigen schuiven Nicole Sweet uit “The rich get it all” (1973) van Fran Huston naar voren als eerste écht vrouwelijke creatie, maar die gaan dan voorbij aan het feit dat achter Fran Huston eveneens een man schuilgaat (Ron S.Miller). De allereerste blijkt dan Delilah West van Maxine O’Callaghan te zijn uit 1974, maar dit was enkel een kortverhaal. Ze treedt pas voor het eerst op in een boek in 1980. En dàn was Marcia Muller (°1944) reeds op de proppen gekomen met Sharon McCone in “Edwin of the Iron Shoes” (1977). Het tweede verhaal van Muller (“Ask the cards a question”) verscheen overigens eveneens in 1982, het jaar van Grafton en Paretsky dus.
Typisch is dat V.I.Warshawski veroudert, iets wat de meeste detectives niet doen. Paretsky schreef reeds in de jaren tachtig hard-boiled detectives, maar wél helemaal in de lijn van de “the white American male’s prolonged, agonised, but really rather boring struggle with his own masculinity,” zoals Julie Burchill schrijft. Warshawski leeft immers, net als haar mannelijke collega’s, in de marge. Ze ruimt nooit haar appartement op, zit met onbetaalde rekeningen en mannen zijn gewoon seksobjecten. Door zich in te schrijven in de traditie van de “hard-boiled novel” gaat men meestal wel voorbij aan het feit dat de boeken van Paretsky ook sterk politiek getint zijn. Zoals ze zelf zegt: “All of her cases explore some aspect of white-collar crime where senior executives preserve position or bolster their companies without regard for the ordinary people who work for them.”
Zo handelt haar boek “Tunnel Vision” uit 1994 over daklozen en over vrouwenmishandeling. Haar sympathie voor de slachtoffers (haar = Warshawski, maar in dit geval nog meer Paretsky) laat haar dan ook enigszins afdwalen van het pad van de échte hard-boiled novel, ze luistert zelfs naar Mozart! (5). Na “Zwarte lijst” (uiteraard over de McCarthy-periode) werd haar website overspoeld met hate-mail, want de communistenjagers zijn uiteraard nog steeds onder ons.
De Californische Sue Grafton, wiens vader zelf detectives schreef, is opgegroeid met Mickey Spillane. Zij heeft met Kinsey Millhone een vrouwelijke detective gecreëerd voor een reeks die het alfabet volgt. Het is begonnen met “A van Alibi” en “B van Bedrog” en in 2004 zat ze al aan “R is for Ricochet”. Tegen dat tempo zit ze in 2009 aan de “Z van Zebrapad” of zoiets. Het is een vrijblijvend procédé, wat reeds blijkt uit de vertalingen van de titels (“C” is for corpse/“C van crimineel” b.v.), maar ’t strafste is dat ze b.v. zelf in “A van Alibi” tegenspreekt dat het dààrover gaat: “Dit leek mij duidelijk een moord waarbij een alibi van weinig of geen belang was. Als je de moeite neemt om het medicament in iemands antihistamine-capsules door gif te vervangen, dan hoef je verder alleen maar af te wachten.” (p.26)
Een andere vertegenwoordigster van dit genre is Katherine V. Forrest. Van deze schrijfster van lesbische detectives kennen we “Murder at the Nightwood Bar” en “Murder by the book”. Verder schreef ze ook romans, waaronder “Curious Wine”. En computerdeskundige Patricia D.Cornwell (°1956) is “het” tegenwoordig ook, gaat het gerucht… Haar bekendste werken zijn o.m. “Fataal weekend”, “Corpus delicti”, “Rigor mortis” en “Modus operandi”. Zij heeft als weerkerende hoofdpersonages de pathologe Dr.Kay Scarpetta en rechercheur Marino. Haar verhalen zijn eigenlijk klassieke whodunits overgoten met een sadistisch sausje. Zelfs de seriemoordenaar Gault blijft onvatbaar, zodat hij zowel in “Rigor mortis” als in “Modus operandi” kan opduiken. Maar eigenlijk zou het eerlijker zijn deze twee boeken als één te presenteren. Het tweede valt immers niet te lezen als je het eerst niet kent. Cornwell is zo succesrijk dat ze twaalf mensen in dienst heeft die research verrichten voor haar. Haar privé-leven is ook nogal tumultueus – FBI-agent Gene Bennett beschuldigt haar ervan zijn vrouw Margot (°1955), eveneens werkzaam bij de FBI, te hebben verleid – en ze aarzelt niet om dit in haar boeken te gebruiken. Zo zijn het nichtje van Scarpetta, Lucy, en haar tante eveneens lesbisch. Bennett heeft daarna, zoals het een echte Amerikaanse flik past, zijn vrouw ontvoerd, geslagen en met de dood bedreigd. In 1996 werd hij opgepakt.
Buiten de V.S. wordt het “lesbische” genre nog vertegenwoordigd door de Noorse Anne Holt, die ooit nog adjunct-politiecommissaris van Oslo is geweest, een rol die in haar boeken wordt ingevuld door Hanne Wilhelmsen.
De moeder van alle lesbische detectiveschrijfsters is echter de veel fijnzinniger Patricia Highsmith , maar als we het toch hebben over “wrede vrouwen”, waarbij het er niet toe doet of ze nu al dan niet lesbisch zijn, moet ik ook nog J.A.Jance vermelden die met “Het uur van de jager” haar ervaringen als lesgeefster op een indianenreservaat in Arizona handig aanwendt. Deze achtergrond is wel interessant, maar een psychopatische killer die puur uit sadisme moordt en verminkt, die hebben we nu wel al genoeg gezien.
Joyce Maynard met “Zapp!” is een van de weinigen in dit genre die ook literaire pretenties heeft. Zowel haar structuur als haar stijl herinneren zowaar aan William Faulkner. Meer dan twintig personages geven hun visie op de moord op de welgestelde echtgenoot van een TV-carrièrevrouw en met die verkapte stijl maakt de roman ook qua stijl zijn Nederlandse titel waar. Nochtans heet het boek oorspronkelijk “To die for”.
Ook Engeland heeft z’n harde meisjes. Sarah Dunant won met “Zwijnerij” de Silver Dagger Award en volgde dit boek op met “Kwaad bloed”, dat door Herwig Leus zowaar “een postmoderne parodie op The big sleep” wordt genoemd! Haar Hannah Wolfe is het Engelse equivalent van V.I.Warshawski. Dit kan men moeilijk beweren van Eva Wylie, bijgenaamd de Knollekop, want met haar 100 kilo meer spieren dan vet is ze een catcher die in haar vrije tijd prostituées (7) zelfverdediging leert en zo een misdaad moet oplossen. Het hoofdpersonage van Liza Cody in “Koppensneller” zal echter wellicht niet uitblinken in rationeel denken.
DE PSYCHOLOGISCHE MISDAADROMAN
Minder geweld vinden we bij Ross MacDonald, eigenlijk de Canadees Ken Millar die zich in Californië vestigde en daar de echtgenoot werd van Margaret Sturm, die als Margareth Millar, zelf ook detectivelectuur aflevert. In 1944 debuteerde hij helemaal in de stijl van Raymond Chandler, maar na zo’n tiental boeken (in “The Galton Case”, 1959, vertaald als “Losgeld voor een list”) kreeg zijn hoofdfiguur Lew Archer toch meer een eigen gezicht. Minder geweld en meer Freud, zo zou men het kunnen samenvatten.
Ross’ navolger Joseph Hansen (“Fadeout”, 1972) heeft als hoofdpersoon David Brandstetter, een detective die in opdracht van een verzekeringsmaatschappij werkt. Hij is homoseksueel en ook de meeste opdrachten die hij te verwerken krijgt, hebben daar iets mee te maken. Dat zegt natuurlijk veel over de schrijver zelf.
De softies vangen het weglaten of althans toch inperken van geweld meestal op door een betere psychologisering van hun personages. Margareth Millar is daarvan nog het beste voorbeeld. Daarbij gaan ze vaak in de leer bij niemand minder dan onze landgenoot Georges Simenon, die in 1931 zijn eerste roman met in de hoofdrol commissaris Maigret schrijft.
Hubert Lampo heeft het werk van Simenon ooit vergeleken met dat van… Dostojevski! En eigenlijk is dat nog niet zo’n gek idee als men er rekening mee houdt dat “Schuld en boete” en “De gebroeders Karamazov” in de grond ook psychologische misdaadromans zijn.
Maarten ’t Hart zegt dan weer over Patricia Highsmith “dat in haar romans de demonen van Dostojevski dansen in de alledaagse flatwijken van de twintigste eeuw”.
Hugo Claus van zijn kant reserveert de vergelijking met Dostojevski voor James Ellroy, die hij samen met Elmore Leonard, het meest bewonderd. “Leest u graag thrillers of politieromans?” vraagt hij aan Eric Bracke in “De Morgen” van 13/11/1997 en aangezien het antwoord hem net zo weinig interesseert als ons, gaat hij onmiddellijk verder met “Ik wel, maar na drie pagina’s heb ik wel vaak de neiging om ze weg te gooien. Dan weet ik het al: ik zie zo een beetje hoe het geschreven is en wie de personages zijn. Elmore Leonard vind ik wel knap, omdat hij tegelijk een prachtig stilist is. De eerste van James Ellroy, zowat de moderne Dostojewski, was ook goed. Door zijn laatste boek kwam ik niet meer heen, maar de verfilming van L.A. moet je zeker zien.”
Voor Herman Brusselmans is “The black dahlia” zelfs de beste thriller aller tijden: “Keihard, goeie plot, prima dialogen en uitermate spannend, maar niet zó dat de laatste bladzijde de belangrijkste is.” (Humo 11/9/2007)
James Ellroy zelf is een ambetant heerschap dat zichzelf de beste crimewriter aller tijden vindt. Nu ja, de vuilste misschien wel. In “L.A.Quartet” werden zijn vier beste boeken gebundeld: “The black dahlia”, “The big nowhere”, “L.A.Confidential” (“Strikt vertrouwelijk”) en “White jazz”.
Als verzachtende omstandigheid kan worden aangevoerd dat Ellroy reeds op tienjarige leeftijd zelf met de misdaad werd geconfronteerd. Zijn moeder leerde toen op café een man kennen en enkele uren later werd haar lijk in een struik gevonden…
Een andere verontschuldiging is dat men Ellroy’s boeken ook als een kritiek op de corrupte VS kan lezen. Anderzijds is hij dan weer een typisch product van zijn tijd: voor een boek over corruptie onder Kennedy huurde hij een researcher in. Zelf houdt hij zich met dergelijke pietluttigheden niet bezig.
Ellroy zelf was een fan van Edward Bunker (1934-2005) of althans toch van diens debuut “No beast so fierce” uit 1973. Hij noemde het “misschien wel de beste misdaadroman die ooit over de onderwereld van Los Angeles werd geschreven. Nu ja, Bunker wist wel waarover hij schreef, aangezien hij is gedebuteerd gedurende de achttien jaar cel die hij moest uitzitten voor overvallen, vervalsingen en andere misdrijven. Voor hij in de boekentop tien stond, had hij die plaats reeds eerder bezet… op een lijst van de FBI, namelijk die van de meest gezochte misdadigers. Ook als acteur heeft hij zijn “ervaringsdeskundigheid” te gelde gemaakt. Zo was hij o.a. Mr.Blue in “Reservoir Dogs” van Quentin Tarantino.
Een twintigtal jaren geleden zorgde uitgeverij Manteau voor enige verbazing door in haar misdaadreeks een roman uit te brengen van een Gentse schrijfster die zowaar bij een Franstalig-Zwitserse firma (Luce Wilquin) haar werk uitgeeft. Zo werd “Le jardinier de la solitude” van Michèle Morhange “De hof der eenzaamheid”. Morhange viel vooral op door haar beate bewondering voor Georges Simenon. Morhange: “Dat ik de nieuwe Simenon zou zijn? Dat zijn zo van die reclameslogans… Ik vrees dat de arme man zich wel in zijn graf zal omdraaien, ik sta nog zo ver van hem af.”
Commercieel werd het echter blijkbaar geen succes want “Le piège” (“De valstrik”) en “Fausse note” (“Valse noot”) liggen nog op een vertaling te wachten.
Michèle Morhange mag dan een Vlaamse zijn die in het Frans schrijft, langs “zuiver” Franstalige kant is er Amélie Nothomb (het achternichtje van) die bij haar debuut op 25-jarige leeftijd in 1992 met “Hygiëne van de moordenaar” eerder literaire bedoelingen had dan het schrijven van een misdaadverhaal. Toch is deze dubbelroman (een 30-jarige journaliste ontmaskert de roman van een schrijver – met dezelfde titel – als zijnde een waar gebeurd verhaal met hemzelf als moordenaar) ook als thriller geslaagd.
Nog opvallende “psychologische” schrijvers zijn de Fransman Sébastien Japrisot (1932-2003), vooral bekend van “L’été meurtrier” en “Un long dimanche de fiançailles” (Japrisot debuteerde onder het perfecte anagram “Jean-Baptiste Rossi”), en de Engelse televisieschrijver Jack Pulman, die o.a. “I Claudius” heeft bewerkt (zijn “Fixation” werd door Jef Geeraerts vertaald als “Obsessie”).
Het meest opvallend is misschien nog de Londense Ruth Rendell(°1930), die soms zozeer de psychologische toer opgaat, dat ze het zelf niet meer als een detective beschouwt en dan ook met een ander pseudoniem, Barbara Vine (8), ondertekent (sinds “A dark-adapted eye” uit 1986). In haar verhalen met Chief Inspector Reg Wexford en zijn hulpje Mike Burdon (sinds “From Doon With Death” uit 1964, tevens haar allereerste roman) leunt ze wel aan bij de traditionele puzzelroman, ook b.v. in haar huiver voor geweld en voor extreme technische beschrijvingen en de moraal dat “crime does not pay”. Anderzijds heeft ze wel meer belangstelling voor het seksuele dan de “doorsnee” detective-auteur uit haar branche (misschien omdat ze langs moeders zijde van Deens-Zweedse afkomst is). Opmerkelijk is nog dat Rendell oorspronkelijk journaliste wilde worden, maar dat ze net als Johan Anthierens een “Ivo Van Damme” had gedaan. In haar geval betrof het een speech die iemand had gehouden en die ze netjes van de perstekst had gekopieerd, maar op die manier kon ze natuurlijk niet weten dat de arme man tijdens zijn speech was doodgevallen. Maar daaraan hebben we dus eigenlijk te danken dat Rendell detectives is gaan schrijven…
Ook de Amerikaanse Joyce Carol Oates (°1938) schrijft onder twee namen, maar dat is dan eerder omdat ze als veelschrijfster (ten onrechte) niet voor vol werd aanzien, zodat ze “Lives of the twins” (in Engeland uitgegeven als “Kindred passions”, 1987) uitgaf onder het pseudoniem Rosamund Smith. En meteen dacht men een nieuw “wonderknaapje” te hebben ontdekt natuurlijk. Sindsdien gebruikt ze nog wel de naam, maar steekt ze niet langer weg dat zijzelf er achter schuilgaat.
De bekendste erfgename van Ruth Rendell is evenwel Minette Walters (°1949, eigenlijk Minette Jebb, Walters is de naam van haar man), die zelf niet onder stoelen of banken steekt dat het wellicht dankzij het succes van Rendell is dat men haar boeken is gaan uitgeven. Walters legt de nadruk op familiebanden, maar wil wel bewust “cosiness” vermijden. Integendeel zelfs!
DE MOORDENAAR ALS SLACHTOFFER
Alhoewel de psychologische misdaadroman zich uiteraard concentreert op het individu, toch is er een link naar de politiek getinte misdaadroman. Het individu kan namelijk symbool gaan staan voor een bepaald maatschappelijk segment van de bevolking en gezien de aard van het beestje kan het misdrijf dus een aanleiding zijn om de maatschappij aan te klagen. Of nog anders gesteld: als de psychologische misdaadroman komaf heeft gemaakt met het oorspronkelijke negatieve imago van het slachtoffer (“eigen schuld dikke bult”, “loontje komt om zijn boontje”), dan gaat de politieke misdaadroman nog een stap verder en wordt zelfs de misdadiger als een slachtoffer voorgesteld, een slachtoffer van de maatschappij uiteraard. Op dàt vlak zijn de toonaangevende auteurs het Zweedse journalistenpaar Maj Sjöwall en Per Wahlöö.
Daarom is het bijna normaal te noemen dat in de jaren zeventig het koppel niet alleen in het westen, maar ook in Oost-Europa tot de meest gelezen auteurs behoorden. Ook in de Sovjet-Unie, Tsjechoslovakije en de DDR, om maar die te noemen, waren detective-stories immers in trek. Natuurlijk ging het dan om “detectives met een eigen gelaat”. Privé-detectives bv. waren uiteraard uitgesloten. De speurder in een Oost-Europese “krimi” was ook geen superman, maar gewoon een plichtsbewust ambtenaar. En in tegenstelling met progressieve schrijvers in het westen als Sjöwall en Wahlöö mocht de boosdoener niet op sympathie rekenen. Het maatschappelijke patroon was immers onaantastbaar en wie over de schreef wilde gaan, haalde zich zelfs de volkswoede op de hals. Het moraliserende aspect, dat in traditionele detectiveromans ook steeds aanwezig is (minder in moderne), lag er in die landen dan ook dik op. Wel was er ergens begrip voor delinquen­ten, voor zover het geen parasieten waren, vooral als ze de slechte invloed van het kapitalisme hadden ondergaan.
De bekendste “sovjet-detective” is nochtans door een Amerikaan gecreëerd. Het betreft de eigenzinnige Arkadi Renko, die rond 1980 zijn intrede deed in “Gorki Park” van de Amerikaanse journalist Martin Cruz Smith.
Buiten Scandinavië (Henning Mankell, Stieg Larsson) zitten de échte navolgers van Sjöwall & Wahlöö bij onze noorderburen. Zo is er Tomas Ross (1945, pseudoniem van Willem Hoogendoorn) waarvan het er heel even heeft naar uitgezien dat hij de nieuwe co-auteur van Maj Sjöwall zou worden, na de dood van Per Wahlöö (“De vrouw die op Greta Garbo leek”, 1990). Dat was niet te verwonderen want Ross schreef reeds sedert 1980 zelf ook al in de trant van het “socialistisch realisme” dat Sjöwall en Wahlöö wel eens werd verweten. In die zin dan dat hij vaak vertrekt van authentieke feiten die door de officiële geschiedschrijving nog niet werden doorgelicht. Die werkwijze paste hij onder meer toe in “De ogen van de mol” over de invoering van kernraketten binnen de Navo, in “Van koninklijke bloede” over de rol van prins Bernhard in de Lockheed-affaire en in “De zesde mei” over de aanslag op Pim Fortuyn, waarmee hij in 2003 de Gouden Strop in de wacht sleepte.
Deze prijs wordt uitgereikt sedert 1986 (“De zaak Alzheimer” van Jef Geeraerts) en het is opvallend dat nog geen enkele vrouw werd bekroond. Meer zelfs op bijna twintig jaar werden amper zeven vrouwen genomineerd!
Daarnaast is er Janwillem Van de Wetering (1930-2008) die zijn kennis van het Zen-boeddhisme en zijn ervaringen zowel bij een Zuid-Afrikaanse motorbende als bij de Amsterdamse politie heeft gekanaliseerd tot de avonturen van sergeant De Gier en adjudant Grijpstra (eerste: “Outsider in Amsterdam” in 1975).
De meest populaire schrijver is allicht Appie Baantjer, al was het maar door de gelijknamige televisieserie. Het is ook een typisch voorbeeld van hoe het beeld van “de moordenaar als slachtoffer” in de 21ste eeuw niet meer wordt aanvaard. Wat b.v. te denken van een scène waarin een junk een politieagent dreigt de keel over te snijden, waarna hij niet eens wordt aangehouden. “De jongen is ziek en in de war,” aldus inspecteur De Cock. Of nog straffer: een andere junk die vrouwen overvalt en verkracht (het eerste om aan geld voor zijn lading coke te geraken, het tweede omdat – naar zijn eigen zeggen – de coke hem zo bloedgeil maakt), wordt herhaaldelijk opgepakt en telkens weer vrijgelaten. Daarbij provoceert hij de agent die hem oppakt zodanig dat deze hem een volgende keer een beetje te hardhandig aanpakt, zodat hij het leven laat. Dan is er blijkbaar ineens wél plaats in de gevangenis… voor de flik welteverstaan!
En natuurlijk moest ook aids in de jaren negentig het onderwerp worden van een thriller. Het Nederlandse duo Rood & Rood laat in “Buddy” Patrick Pastoor, de eigenaar van een hippe homobar in Amsterdam, op zoek gaan naar de snoodaard die hem met het virus heeft opgezadeld.
Een verhaal apart is dat van Tim Krabbé (°1943), die in 1994 de Gouden Strop kreeg voor “Vertraging” (een prijs die hij enkel wilde aanvaarden omdat hij letterlijk ging naar “het spannendste boek”), maar tien jaar eerder was zijn “Gouden Ei” zeker reeds deze onderscheiding waard. De charme die van dit boek uitgaat, heeft voor mij zeker te maken met de autobiografische achtergrond van Krabbé wat het wielrennen betreft. Dateert het verhaal van “De renner” immers niet reeds van 1978? Zijn debuut (in 1967), “De werkelijke moord op Kitty Duisenberg”, was zoals de titel reeds aangeeft ook reeds een psychologische thriller.
EN IN VLAANDEREN?
Samen met Freddy De Vree (de latere partner van Sylvia Kristel) schreef Hugo Claus de thriller “Sneeuwwitje en de leeuwerik van Vlaanderen” onder de schuilnaam Conny Couperus. Op de flaptekst kreeg deze denkbeeldige Conny zelfs een biografie: ze werd geboren in Melle als dochter van een psychiater! Hugo Claus in Humo van 13/1/1998: “Intussen weet ik dat ik gewoon geen thriller kan schrijven. Ik dacht immers dat ik zomaar eventjes een thriller uit mijn mouw zou schudden, ik vermoedde dat een beetje professional daar zijn hand niet voor zou omdraaien. Maar na een pagina of veertig ben ik ermee opgehouden. Je moet namelijk ook de mentaliteit hebben om een thriller te schrijven. Mijn hoogmoed, die me deed denken dat ik me ook die mentaliteit eigen zou kunnen maken, kwam ten val.”
Ook Herman Brusselmans moet toegeven dat hij het niet kan. Over “Het Spook van Toetegaai” (2005) zegt hij in O9-magazine: “Ik ben vijf keer herbegonnen. Ik wou eigenlijk een thriller schrijven, maar ik heb ontdekt dat ik dat niet kan: spanning opbouwen, een plot ontwikkelen, dat is een talent apart.”
Toch is er van Vlaamse kant blijkbaar geen gebrek aan talent. Volgens specialist Danny de Laet kan een feuilleton over “Jack the Ripper” in Het Laatste Nieuws van 1892 als oervoorbeeld gelden. De auteur was Raf Verhulst, een flamingantisch dichter en journalist, die tevens de geestelijke vader is van “Robert en Bertrand”. Daarna was er in de jaren dertig “Het komplot der flaminganten” van een andere journalist, Theo Huet (een medewerker van Karel Van Wynendaele). Het merkwaardige voor die tijd is dat de flaminganten worden belaagd door de fascisten! De voornaamste Vlaamse detectiveschrijver in die tijd is echter natuurlijk John Flanders alias Raymond de Kremer alias Jean Ray (1887-1964). Flanders was vooral actief bij de zogenaamde Vlaamse Filmkes, die navolging kregen in de Ivanov-reeks. Zich inspirerend op Maigret, creëerde Sacha Ivanov (Rachel Van Overbeke, 1888-1943) inspecteur Robert van de “Geheime Politie van Gent”. Een voorloper van “Flikken” als het ware…
In de jaren veertig volgde dan in Antwerpen Anton van Casteren, die later naam zal maken als schrijver van ontelbare afleveringen van “Schipper naast Mathilde” en als hoofdredacteur van TV-Express. Daarnaast was er Aster Berkhof met “De heer in de grijze mantel” (1943), meer recent nagevolgd door John Vermeulen met “Solorace” (1988), Libera Carlier met “Langs de kade” (1988), Staf Schoeters met “De draak achterna” (1984) en Bart Holsters (°1953) met “Blokje om, hoekje om” (1986) en “Koude kunstjes” (1988), telkens met de ironische en herkenbare Jean-Pierre Willems als spilfiguur. Het betreft hier allemaal Antwerpenaars, die hun verhaal in ’t Stad situeren, wat ook het geval is bij Patrick Conrad, al draagt diens boek de misleidende titel “Louisiana” (1996).
Maar het meest van al speelt gepensioneerd journalist Piet Teigeler (°1936) in op de Antwerpse context met zijn reeks rond John Carpentier & Leo Dewit, die begon met “Een dode op Sint-Anneke” (1995).
Bob Mendes van zijn kant debuteerde reeds in 1986 met “Bestemming terreur” (over de kaping van een jumbojet), maar literaire erkenning kwam er pas in 1988 met “Een dag van schaamte”. Een beetje eigenaardig, want stilistisch is dit alleszins een onbeholpen werk.
Met zijn op de realiteit geënte plots is Mendes natuurlijk een navolger van Jef Geeraerts met de boeken rond zijn progressieve commissaris Eric Vincke die terzijde wordt gestaan door de eerder rechtse Freddy Verstuyft.
Voor “Sanpaku”, een misdaadroman rond een zeldzame cello, had Geeraerts informatie nodig over het intieme seksuele leven van homoseksuelen. Daarvoor deed hij naar eigen zeggen een beroep op Gerard Mortier. “Sanpaku” is het Japanse woord voor “doodsogen”, een duistere kracht die aan samoerai werd toegeschreven. Het werk is dan ook geen detectiveroman in de lijn van de andere boeken van Geeraerts, maar hoort bijna in het magisch-realisme thuis.
Op hetzelfde moment als “Sanpaku” (namelijk, hoe kan het ook anders, de boekenbeurs van 1989) verscheen nog een andere Vlaamse detectiveroman die zich in muzikale middens afspeelde. “Het Teplitzkwartet” was het romandebuut van Jan L.Broeckx (Antwerpen, 1920-2006), bij leven en welzijn professor musicologie aan de Gentse universiteit en nu aan een nuttige vrijetijdsbesteding tijdens zijn pensionering toe. Het werd een whodunit die volledig baadt in de eliminatietechniek van de oeroude Angelsaksische traditie. Dat Teplitzkwartet is een tot dusver onbekend werk van Ludwig van Beethoven dat in handen komt van een strijkkwartet (Broeckx’ lievelingsgenre) dat met de uitvoering daarvan een onafwendbare neergang wil afremmen. Wees gerust, het Zwitserse Nägelikwartet waarover Broeckx het hier heeft, bestaat helemaal niet. En dat zogenaamde Teplitzkwartet ook niet, al heeft de gelegenheid waarvoor het zou geschreven zijn (de ontmoeting met Goethe in Teplitz) zich wél voorgedaan. De ontrafeling van de misdaad gebeurt aan de hand van de partituur op een Eco-logische manier en het zal dus wel geen toeval zijn dat de “onuitstaanbaar intelligente” (p.223) gelegenheidsdetective (en musicoloog, what else?) Lorenzo Galli heet. Als “Watson” heeft hij dan al geen “Adson”, maar toch een dokter, zijnde zijn huisknecht (!) Georges. Maar in plaats van een surplus bij het magere “whodunit”-stramien te zijn, rijdt Broeckx zich hier vast in ongeloofwaardige personages en situaties met een typische Agatha Christie-ontknoping (alle verdachten worden samengebracht in het landhuis van Galli) als toetje. Dat het taalgebruik nogal gezwollen is (“Ze trilde nu van haar kapsel tot de vetheuveltjes van haar knieën. Onder haar rok leken haar ronde dijen te sidderen” p.21), tot daaraan toe, maar dat dit zodanig doorwerkt in de dialogen dat deze totaal onuitspreekbaar worden, is natuurlijk een doodzonde.
En alsof het niet opkon verscheen nog altijd op datzelfde moment ook “De bochtenrijder van de opera” van Johny Van Tegenbos (pseudoniem van Lucas Vanclooster, 1958). Men krijgt hierin een beeld van de Munt onder het beheer van Gerard Mortier, via de chauffeur van de directeur, wat de latere VRT-journalist inderdaad ooit is geweest. Toch zet de confrontatie tussen de jongeman van vooraan in de twintig, die in een popgroepje speelt, het nog jongere Lolita-nichtje van de directeur en het hele operawereldje misschien nog het meeste aan om er toch eens kennis mee te maken. De flauwe pseudo-detective intrige van een zoektocht naar een verloren gewaande opera van Heinrich Schütz (“Daphne”) moet men er maar voor lief bijnemen.
Johny Van Tegenbos had op het einde van de jaren zeventig reeds twee boeken over tehuisjongeren geschreven (ook autobiografisch, maar dan in de zin dat hij opvoeder is geweest): “Ik ben eeuwig jong” en “Een opvoeder”, maar dan duurde het tien jaar voor hij met “De bochtenrijder” en “Funyu” (over de liefde van Thomas voor een Japans violistje) opnieuw te voorschijn kwam. Tussenin heeft hij o.a. bij Maatwerk gewerkt en op die manier was hij b.v. aanwezig op de benefietdag voor De Rode Vaan in Antwerpen.
Uit Gent kwam lange tijd alleen weduwe Oppermans. Volgens Herman Brusselmans was dit ook normaal: “Het is onmogelijk om een goede misdaadroman te schrijven die zich in Gent afspeelt: er gebeurt te weinig.” Maar sinds 2003 hebben we niet alleen de City Parade maar ook Bavo Dhooge (°1974) erbij. Met een roman die de titel “Smak” meekreeg dan nog wel. Dus kon ook de Gentse stadsdichter Roel Richelieu Van Londersele (°1952) niet achterblijven. Een jaar later lag “Onzichtbaar” in de rekken. Samen met Dhooge was er ook nog Stefaan Van Laere (°1963), die zijn beroep als journalist niet wegsteekt in zijn debuut “Botero” en zeker niet een jaar later in “Tango Mortale”, waarin persfotograaf Johan Martens een hoofdrol speelt.
In 2004 debuteerde ook Marthe Maeren (pseudoniem voor Bernadette Demeulenaere, °1959) met “Dode Letter” (Manteau). Zij geeft onbeschroomd toe dat zij zichzelf heeft geportretteerd in haar hoofdfiguur Frieda Degraeve, “een gedreven advocate”. Zij heeft ook een merkwaardige verklaring voor de populariteit van vrouwelijke schrijfsters van detectiveverhalen, namelijk de dialogen: “Ik ken geen enkele man die een realistische dialoog tussen twee vrouwen kan schrijven – ze hebben geen idéé hoe bitsig vrouwen onderling kunnen zijn.” (Zone 09, 7/7/2004)
In navolging van Nicci French (eigenlijk het echtpaar Nicci Gerard en Sean French) is weduwe Oppermans het pseudoniem voor het schrijversduo Wim Trommelmans en Françoise Opsomer, die in “Feestelijk vermoord” (1991) niemand minder dan Erik Hoet (lees: Eric Goeman) opvoeren bij het oplossen van een moord tijdens de Gentse Feesten, die het immobiliënproject van het Zuid als thema heeft. In de herfst van 1998 laten ze opnieuw van zich horen, deze keer met een verhaal gesitueerd in Antwerpen (“Gevallen Stad”, met een knipoog naar Paul van Ostayen). Uiteraard is het Vlaams Blok (vermomd als de partij “Vlaanderen Voor Ons”) het onderwerp en de Marokkaanse Fatima het slachtoffer. Ondertussen is de “weduwe” als koppel uit elkaar gevallen, maar als schrijvers zouden ze toch nog verder werken.
Axel Bouts (°1938) is uit Kortrijk afkomstig, maar zijn “Wolven” zijn minder geslaagd. In West-Vlaanderen is de vroegere CVP blijkbaar de pineut als het om verweving tussen overheid en misdaad gaat, want dat geldt ook voor Pieter Aspe(slag), de ex-conciërge van de Heilig-Bloedkerk in Brugge, die in 1995 op 42-jarige leeftijd met “Het vierkant van de wraak” (Manteau) debuteerde.
Dat zo’n “verankering” gewenst is, mag blijken uit “Paarse dijen” van wetenschappelijk Knack-medewerker Dirk Draulans. Hij situeert zijn roman in het luchtledige en die blijft daar dan ook hangen. Al is de hoofdfiguur een kabinetsmedewerker, toch komt zelfs Brussel niet tot leven in deze roman, die ook voor de rest erg gekunsteld overkomt (wat voor een wetenschapper toch wel merkwaardig is). Het vermengen van droom en werkelijkheid is reeds eerder nefast gebleken om met een echt misdaadverhaal uit te pakken (cfr. “Twice upon a time” van Johan de Belie, samen met ondergetekende). En ook de erotische component is van dezelfde kunstmatigheid. De cliché-beschrijvingen van erg conventionele vrijpartijtjes “volgens het boekje” blijken dan achteraf inderdaad niet bevredigend te zijn, zodat het vrouwelijke hoofdpersonage (de vrijgevochten partner van de kabinetsmedewerker) het in verkrachtingsfantasieën gaat zoeken. Maar als die fantasieën dan zoals gezegd de realiteit beginnen te raken en die realiteit bovendien een vakbondsconflict blijkt te zijn, dan kan de roman zijn beloften toch niet waarmaken. En zelfs al zijn de “goei” uiteindelijk toch de “goei” en de “slechte” de “slechte” (alhoewel het er de hele roman door juist omgekeerd uitziet) en zelfs al zou het einde met de twee vrouwen die voor elkaar kiezen i.p.v. voor al die macho-mannen normaal gezien in mijn lijn moeten liggen, toch vind ik het geen goede roman. Allicht omdat het bij het schrijven als zodanig fout gaat.

Ronny De Schepper
(met dank aan Fred Braeckman)

(1) Het feuilleton-genre op zich speelt ook een belangrijke rol bij het tot stand komen van de “canon” van het detectiveverhaal. Arthur Conan Doyle stelde namelijk vast dat de bladen twee soorten verhalen opnamen: enerzijds ellenlange feuilletons en anderzijds kortverhalen. Beide hadden hun nadelen: als je een aflevering miste van het feuilleton, dan kon je niet meer volgen, maar de kortverhalen lieten je vaak op je honger. Daarom vond hij een “kruising” van de twee uit: telkens afgeronde verhalen, maar wel met enkele personages (Holmes, Watson, Moriarty…) die steeds weerkeerden.
(2) In “A long finish” (1998) maakt Dibdin op die manier wel een vervelende fout. Hij laat Zen namelijk panikeren omdat hij het woord “sun” heeft aanzien voor “son”. Dat is natuurlijk onmogelijk want in het Italiaans lijken die twee woorden (“sole” en “figlio”) niet eens op elkaar!
(3) Het strekt A.A.Milne tot eer dat zijn “Red House Mystery” (met een zekere Gillingham als detective) geschreven is, nog vóór dit boek was verschenen. Het was na zijn kinderboeken veruit zijn populairste boek. Daarom is het des te merkwaardiger dat hij nooit is ingegaan op een verzoek om het te bewerken voor toneel (Ruth Sergel kreeg de officiële toestemming voor een dramatisering, maar interessanter is dat ook Christopher Isherwood er een heeft van gemaakt voor eigen gebruik. Nóg merkwaardiger is dat Milne’s Amerikaanse uitgever een enorme som beloofde voor een “follow-up”, maar die is er nooit gekomen. Integendeel, toen in 1934 “Four Days’ Wonder” verscheen, legde Milne er de nadruk op dat het géén detectiveroman was, ook al begint het vederlichte werkje reeds op de eerste pagina met een lijk. Het blijkt echter om een ongeluk te gaan, zodat “Four Days’ Wonder” totaal ten onrechte wordt vermeld in het werk van Oleksiw.
(4) “False scent” (1960) van Ngaio Marsh is daarvan een “goed” (dus eerder: slecht) voorbeeld.
(5) Over opera gesproken: een andere Amerikaanse, Barbara Paul (°1931) heeft zelfs twee operazangers als “detectives”: Enrico Caruso en Geraldine Farrar. Aangezien Paul nogal feministisch is, is het wel Farrar die de Holmes is en Caruso de Watson!
(6) Het is merkwaardig dat Ed Schilders in 1981 nog altijd niet weet dat het hier om Boris Vian gaat. Tenslotte dateert mijn exemplaar van “J’irai cracher…” met als auteur Boris Vian en niet langer Vernon Sullivan reeds uit 1973. Anderzijds heeft Schilders wel “de hardnekkige geruchten, dat Albert Camus de grote lijn van Cains Postman als basis voor L’étranger gebruikt heeft, van vlees en botten (te hebben) voorzien” (in Maatstaf van augustus 1975)
(7) “Prostituées hebben vanaf 1893 (Stephen Crane, Maggie) een belangrijke rol gespeeld in de Amerikaanse literatuur,” schrijft Ed Schilders. “Vrouwen lossen zulke kwesties (wraak, RDS) niet alleen stijlvoller op dan mannen,” gaat hij verder, “ze doen het ook op een manier waartegen lichamelijk geweld geenszins bestand is. Vernedering komt harder aan dan een pak slaag,” imiteert hij (ongewild neem ik aan) de uitspraak van professor Verhellen die ik als titel boven mijn reeks over jeugdcriminaliteit heb geplaatst: “Een blik kan meer kwetsen dan een vuistslag.”
(8) Haar echte naam is Ruth Barbara Grasemann en haar vader noemde haar Ruth, haar moeder Barbara. Vandaar.

Selectieve bibliografie
Th.Boileau & P.Narcejac, Le roman policier (1964).
Paul Depondt en Piet De Moor, De geschiedenis van de crime story, Vrij Nederland, 30 maart 1985.
Ronny De Schepper, Met een detective op schoot, De Rode Vaan nr.45 van 1982.
Elizabeth George, Crime from the mind of a woman (Hodder & Stoughton, 2002).
“Uitgelezen moorden” van Ernest Mandel (Uitgeverij Lesoil, 1987).
A.E.Murch, The Development of the Detective Novel (1958).
Susan Oleksiw, A Reader’s Guide to the Classic British Mystery (1988).
Ed Schilders, Inleiding tot “De hardste verhalen”, Uitgeverij Loeb, 1981.
Doctoraat van An Vierstraete aan de Gentse Universiteit.
Colin Watson, Snobbery with Violence.

Een gedachte over “Emile Gaboriau (1832-1873)

  1. Waarde heer De Schepper,
    Bedankt voor uw vermelding van ‘Het Dwaalspoor’ maar ik ben geen ‘in Antwerpen gevestigde Nederlander’. Ik ben in ’t Stad geboren en groeide op boven het ‘Café du Robinet’ van mijn grootouders. Het standbeeld van Elsschot staat nu op die plek.
    Beste groeten
    Piet Teigeler

    Ik heb die omschrijving niet teruggevonden in mijn tekst, tenzij over het romanpersonage “Dewit”. Toch bedankt voor de leuke reactie.

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s