Ernest Claes (1885-1968)

Vandaag is het 45 jaar geleden dat Ernest Claes, de populaire schrijver van boeken als “De Witte”, “Wannes Raps” en “De fanfare van de Sint-Jansvrienden”, is overleden. Zelfs wie niet leest, kent hem van het televisiefeuilleton “Wij, heren van Zichem”, dat is gebaseerd op fragmenten uit zijn bekendste werken. Mijn vader is een hele leven lang een fan geweest van Ernest Claes. “De Witte” heeft hij zoveel keren gelezen dat hij zich op de duur een nieuw exemplaar heeft aangeschaft (en het oude heeft hij dan als een relikwie bewaard, zodat ook ik het nog altijd niet over mijn hart heb kunnen krijgen om het weg te gooien). Het spreekt vanzelf dat ik als klein baasje die liefde heb overgenomen, maar uitgerekend in het symbolische jaar 1968, toen Claes in Elsene insliep, werd ik wakker en gooide me op heel andere auteurs, waarbij ik uiteraard (hiertoe aangespoord door de alomtegenwoordige Humo) op Claes begon neer te kijken. Maar misschien is die houding nu onder alweer een ander gesternte aan een herziening toe?

Claes was tijdens zijn studentenjaren lid van KVHV-Leuven en was hoofdredacteur van het clubblad “Ons Leven”. Later werkte hij als ambtenaar in de Kamer van volksvertegenwoordigers. Hij was op dat moment al gedebuteerd met “Uit mijn dorpken” (1906) en “Het proza van Potgieter” (1912).
Claes was Vlaamsgezind en leunde tijdens de Eerste Wereldoorlog aan bij de Frontpartij. Hierover schreef hij “Uit mijn soldatentijd” (1917), “Bei uns in Deutschland” (1919), “Namen 1914” (1919) en “Oorlogsnovellen” (1919). “Bei uns in Deutschland” heb ik op 1 mei 1968 besproken voor Anton van Wilderode. Dat ging dan als volgt:
“In grote trekken is de inhoud vrij eenvoudig, maar in het grote verhaal zelf zijn tientallen anekdotische verhaaltjes opgenomen. Het is echter nutteloos deze allemaal op te noemen. Zoals ik reeds zei, het stramien, waarop het boek gebouwd is, is zeer eenvoudig: het verhaalt de deportatie van Ernest Claes naar het krijgsgevangenenkamp van Erfurt tijdens het begin van de Eerste Wereldoorlog, met daarbij een oponthoud van ongeveer veertien dagen in Gotha, waar hij dient verpleegd te worden omwille van een wonde opgelopen in de strijd. De hele winter brengt hij door in het kamp en dan weet hij door een smoesje te bekomen dat hij naar Zwitserland wordt gestuurd.”
“Typisch is wel dat Claes zich tijdens het hele verhaal beschouwt als één van de velen. Soms treedt hij ook even op het voorplan ter gelegenheid van een anekdote waarin hij de hoofdrol speelt. Jammer genoeg, werpt dit soms een schaduw op het geheel, omdat hij zich dan bewust of onbewust als een held afschildert.”
“Is het verhaal maar povertjes (het wijkt zelfs af van de “normale” boeken over krijgsgevangenen: er heeft geen enkele ontvluchtingspoging plaats), de karaktertekeningen komen met des te meer brio op de voorgrond. Het zou onbegonnen werk zijn hier alle geslaagde typeringen neer te schrijven, want zelfs een persoon die eventjes in het verhaal voorkomt, wordt zo raak getypeerd, dat werkelijk alle namen der personages hier zouden moeten vermeld staan. Nochtans is het duidelijk dat Claes een boontje heeft voor Van Landeghem. Maar, alhoewel dit de uitvoerigste karaktertekening is, zou ik niet ronduit durven zeggen dat het de beste is. Zo is de beschrijving van vadertje Musset algemeen beschouwd als een meesterstukje en vind ik persoonlijk de Algerijn Amzal het best geschetst.” (Anton van Wilderode blijkbaar ook want in de marge heeft hij aangemerkt dat hij dit een goede opmerking vindt.)
“De tragiek van een gedwongen levenspatroon aan te nemen, van zich in zekere mate slaaf te voelen van anderen, loopt als een rode draad door het hele boek. Daarom helt de humor soms sterk over naar sarcasme. Maar zoals een mens zijn zorgen vergeet, wanneer hij goed geluimd is, zo wordt die humor ook gezond, wanneer de drukkende atmosfeer maar eventjes opgeheven wordt. Het palet van de humor hanteert Ernest Claes met een vaardige en gevoelige kunstenaarshand. Met een kleine penseeltrek weet hij een straaltje zonnelicht te brengen in een zwartgallig decor. Hij is een virtuoos in fijnzinnige humor, waarbij men eerst even hoeft na te denken, maar van de andere kant springt hij ook uitstekend om met de volkse, luimige humor (uiteraard zonder boertig te worden. In dit boek althans toch.” (Ook hierbij heeft van Wilderode een aanduiding gemaakt, maar het is onduidelijk of het ook nu weer positief is bedoeld, of dat hij er integendeel zijn bedenkingen bij heeft.)
“Ernest Claes is de verteller bij uitstek. En daar de vertelling van oudsher een volksgebruik is, verwondert het mij wel een beetje waarom hij zo’n overdadig gebruik maakt van Franse, Duitse en Engelse woorden en zegswijzen. Ik moet eerlijk bekennen dat ik, toen ik enkele jaren terug dit boek voor het eerst in handen nam, er niet veel van begreep. Een feit wat mij overigens zelfs nu nog niet verwondert.”
“De schrijver weet ook zeer goed stemming te scheppen, maar dit was echter voor mij eerder een pijnlijke ervaring, want de grootste vijand in dat kamp was… de verveling, dus moet het u niet verwonderen dat ik nu en dan het boek even terzijde moest leggen omdat de sfeer in mij overging.”
“Soms waagt Claes zich ook op glad ijs, maar ondanks sommige capriolen weet hij zich toch staande te houden. Hiermede bedoel ik dan: een diep-psychologische problematiek, wanneer hij een gesprek voert met de Paal (die hoofdletter alleen al laat al wat vermoeden…) en ook een soort lyriek, men zou het ijl-poëzie kunnen noemen, wanneer hij hevig ziek te bed ligt.”
“Tot slot is het feitelijk overbodig te zeggen dat ik het een zeer goed boek vind en het is nog meer overbodig de redenen nogmaals op te sommen, dus houd ik er maar mee op.”
Zwak slot, merkt Anton van Wilderode terecht op, maar hij geeft me toch nog 8,5/10.
In 1920 was er dan “De Witte”, een streekroman over een belhamel uit de Kempen. Een echt verhaal zit er eigenlijk niet in, maar wie herinnert zich niet de kostelijke episodes met de ajuin, de kaarsstompjes, “De Leeuw van Vlaanderen“, het zout in de “patatten” (want de dialogen zijn in het dialect) of het gaan zwemmen in z’n nakie… In 1934 werd het boek een eerste maal verfilmd door Jan Vanderheyden. Eigenlijk draaide Edith Kiel (1904-1993) “De Witte”, maar de film werd aan de man waarmee ze samenleefde, Jan Vanderheyden, toegeschreven, evenals de rest die erop volgde. Een jaar later draaiden Vanderheyden-Kiel “Uilenspiegel leeft nog”, eveneens naar Ernest Claes, die tevens geldschieter was, al was hij niet tevreden over de verfilming van zijn “Witte”, maar het was wel een goede investering natuurlijk! In 1980 kwam er dan een “remake” door Robbe de Hert en in 1986 schreef Gilbert Neilburt een musical naar de gelijknamige roman, die echter nooit is opgevoerd… Er verscheen wel een LP met de soundtrack. De nummers werden bij elkaar gezongen door een sterke cast, oordeel zelf maar: Tom Bauwens (De Witte), Willy De Swaef (de vader), Magali Uytterhaegen (de moeder), Paul Codde (onderwijzer), Ivan Heylen (Wannes Raps), Leo Brant (straatzanger), Jacques Raymond (directeur), Freddie Bierset (Franken), Eddy Govert (Schoenaerts), Jenny Tanghe (Zuster Hyacintha), Lia Linda (Zuster Monica) en Liliane Dorekens (Zuster Angelica).
Na zijn “Sichemsche novellen” (1921) volgde dan “De vulgaire geschiedenis van Charelke Dop” (1923), waarin Claes zijn cynische opvattingen over “vaderlandsliefde” kwijt kon en dat in 1985 werd verfilmd door Dré Poppe naar een scenario van Pierre Platteau met in de titelrol een schitterende Jef Burm en daarnaast zowat de hele Vlaamse theaterwereld.
Daarna volgden “De Fanfare De Sint-Jansvrienden” (1924), “Kiki” (1925), “Het leven van Herman Coene” (1925-1930), “Wannes Raps” (1926), “De heiligen van Sichem” (1931), “De geschiedenis van Black”, een dierenverhaal (1932), “Kobeke” (1933), het soms ietwat ontroerende verhaal van een jongen die broeder en “dus” heilig wil worden, maar faalt wegens zijn liefde voor Nelleke (*), “Pastoor Campens zaliger” met de onvergetelijke figuur van Jef Leirs (1935), “Van den os en den ezel” (1937), “De moeder en de drie soldaten” (1939), “Clementine” (1940) en “Jeugd” (1940).
Tijdens de Tweede Wereldoorlog ging hij samen met Felix Timmermans een “filmcursus” volgen in Nazi-Duitsland en schaarde hij zich achter het Vlaamsch Nationaal Verbond (VNV) van Staf de Clercq. Toen deze in 1942 overleed, woonde Claes de uitvaart bij en bracht er de Hitlergroet. Ook het verzet werd door Claes omschreven als “verblinding dergenen (sic) die ertoe werden aangespoord door de agenten en handlangers van Rusland“. Volgens hem viel ook “het eeuwig Heil te verwachten” van Cyriel Verschaeve, de Vlaamse priester die ter dood werd veroordeeld omdat hij duizenden jonge Vlamingen de dood had ingejaagd aan het Oostfront om te strijden tegen hogergenoemde “verblinding“. Maar toen Claes zelf drie maanden in de cel vloog als collaborateur viel hij uiteraard uit de hemel: “Wat men me verwijten kan, is me niet heel duidelijk: een interview, een hand opsteken, aanwezigheid hier en daar, onder andere op de begrafenis van Staf de Clercq. Och Here toch!”
Och Here toch, inderdaad, want mijnheer Claes kreeg al snel “eerherstel”. Zoveel heeft hij dan toch ook alweer niet te klagen, hé!
Claes zat uiteindelijk dus slechts drie maanden in de gevangenis van Sint-Gillis bij Brussel. Hierover schreef hij in 1952 de roman “Cel 269” die als autobiografisch werd voorgesteld. Toen echter in 2006 zijn dagboeken werden gevonden (zijn kleindochter Paula was totaal verkommerd in de Marollen overleden in 2002, maar aangezien het werd geklassificeerd als een “verdacht overlijden” werd het appartement pas maanden later vrijgegeven en toen was het zéker een totale puinhoop) bleek dat hij zijn slechte behandeling (het eten, de lijfstraffen…) volkomen uit zijn duim had gezogen. Integendeel, hij genoot een zekere voorkeursbehandeling! (“Had ik hier een behoorlijke zetel en mocht ik roken, ik zou ’t bijna heerlijk vinden”, 1.10.44)
In zekere zin was de leugen reeds vroeger ontmaskerd door collega-gevangene Emiel Hullebroeck, die in zijn naïviteit had gesteld: “Zoals Nest het heeft verteld heb ik het meegemaakt, behalve de slagen…”
Later werd Claes voor de tegen hem ten laste gelegde feiten vrijgesproken (de grote flamingant liet zich voor de rechtbank in het Frans verdedigen!) en kreeg zijn politieke en burgerrechten terug, ook al had hij b.v. ooit geschreven: “Waarom wensch ik dat Duitschland den oorlog zou winnen? (…) Ik kan er niets aan doen. Ik voel mij tot Duitschland aangetrokken met al de vezelen van mijn hart en ziel. (…) En ik denk ook dat Adolf Hitler door de Voorzienigheid aan het hoofd van Europa werd geplaatst.” (12.10.42)
Tussendoor had hij nog “De oude klok” (1947), “Jeroom en Benzamien” (1947), “Daar is een mens verdronken” (1950), “Studentenkosthuis bij Fien Janssens” (1950), “Floere, het Fluwijn”, zijn meesterwerk (1951) en “Het leven en de dood van Victalis van Gille”, met het visioenachtige einde, misschien het diepgaandste wat Claes ooit heeft geschreven (1951) geschreven.
Alhoewel vele van deze werken later door de BRT tot zeer populaire TV-feuilletons zouden worden bewerkt, hadden de nieuwe werken van Ernest Claes minder en minder succes. “Voor de open poort” (1952), “De nieuwe ambtenaar” (1953), “Het was lente” (1953), “De oude moeder” (1955), “Leuven O dagen, schone dagen” (1958) en “De mannen van toen” (1959) haalden nauwelijks nog lezers. Daarom eindigde Ernest Claes in 1960 met het reflecterende “Ik en de Witte”, al verscheen in 1962 nog het eerder essayistische en pamflettaire “Voordrachtgevers zijn avonturiers”, waarin hij eveneens terugblikt op bepaalde personages uit zijn boeken (Van Landeghem uit “Bei uns in Deutschland” b.v.), maar waarin hij vooral toch de verdediging van veroordeelde activisten (zoals Borms) op zich neemt.
Na zijn dood zou Pierre Platteau nog een aantal novellen voor televisie bewerken en Robbe De Hert maakte zijn eigenzinnige versie van “De Witte”.

Referentie
Hoe zwart was de witte? (Humo)

(*) Lees op de blog van Eddy De Saedeleer de hilarische anekdote van een jongen die als veertienjarige dit boek (door de katholieke censoren op 15+ gekwalificeerd) niet mag ontlenen uit de bibliotheek.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.