Vandaag wordt één van de meest mythische acteurs van Hollywood zeventig jaar: Robert de Niro…

Acteurs leven van mythes. Eén van die mythes is dat Robert de Niro (°17 augustus 1943) geen interviews geeft. “Slechts vijf op vijftien jaar tijd!” schrijft een confrater in Story, waaronder verstaan: het mijne erbij geteld natuurlijk! Terwijl ik als voorbereiding voor dit stuk zowat vijftien interviews gespreid over een periode van vijf jaar heb doorgenomen.
Toegegeven, de meeste van die interviews hadden te maken met het feit dat in 1993 de Niro met “A Bronx Tale” als regisseur is gedebuteerd. De film handelt over een kind (als 9-jarige gespeeld door Francis Capra en als 17-jarige door Lillo Brancato) dat opgroeit in de wijk in New York die werd genoemd naar de Deen Jonas Bronk die de lap grond in 1641 van de indianen “afkocht”.
De jonge Calogero wordt de beschermeling van een gangster als hij zittend op de stoep getuige is van een moord, maar besluit zijn mond te houden tegenover de politie. Deze gangster, Sonny, wordt gespeeld door Chazz Palminteri, die tevens de auteur is van het toneelstuk waarop de film is gebaseerd. Het uitgangspunt (de moord op de stoep) is trouwens autobiografisch, al is het vervolg (de bescherming door de mafia) wel gefingeerd. In de film wil de jongen immers ook gangster worden, terwijl zijn vader (gespeeld door De Niro zelf) wil dat hij gaat studeren. “Het ergste wat er is in het leven, is verspild talent. Verspil het jouwe niet,” zegt de Niro in de film en dat motto plaatst hij graag ook boven zijn eigen leven.
Er is tevens een merkwaardige overeenkomst met “Mean streets” van Martin Scorsese waarmee De Niro zelf twintig jaar geleden in the picture liep, maar als je deze vergelijking maakt, wordt hij kregelig. Dat geldt ook als je verwijst naar “Taxi Driver” eveneens van Scorsese.
De film, die werd voorgesteld op het festival van Venetië, waar De Niro een Gouden Leeuw kreeg voor heel zijn carrière, speelt zich af in de sixties en als dusdanig is de soundtrack vol met doo-wop muziek erg leuk. De Niro is trouwens met het samenstellen van die soundtrack begonnen. Het verhaal speelt zich af in Little Italy, waar ook Scorsese b.v. opgroeide, maar niet De Niro: die groeide op in het kunstenaarsmilieu van Greenwich Village (zijn ouders waren beide kunstschilders), waar hij reeds op 10-jarige leeftijd met een acteursopleiding begon (sommigen willen hem zelfs reeds op 6 jaar laten beginnen – ach, misschien heeft hij in de kleuterschool ook wel de “washandjesdans” op z’n actief).
Toch vertelt de Niro graag dat hij tot een “streetgang” behoorde, net zoals de nog niet één jaar oudere Scorsese trouwens. Deze herinnert zich wél dat de Niro, toen hij 16 was, af en toe eens afzakte naar Little Italy, maar dan als een eerder verlegen jongeman. Wat terloops gezegd betekende dat die dramalessen niet veel hielpen, want zijn moeder had hem juist om van die schuchterheid af te geraken daarheen gestuurd. Toch maakte hij blijkbaar genoeg indruk, opdat Scorsese hem enkele jaren later terugzag op een feestje. En dat leidde dan weer naar zijn doorbraakrol in “Mean streets”.
Maar terug naar de Niro als 16-jarige knaap. Op dat moment ging hij naar de High School for the Performing Arts. Wie “Fame” gezien heeft, kan zich moeilijk voorstellen dat dit de ideale omgeving was voor de Niro en inderdaad, even later vinden we hem terug bij The Dramatic Workshop en The Luther James Studio. Daarna stapte hij over naar Stella Adler van wie hij de stelregel “echt talent is goede keuzes kunnen maken” heeft overgehouden. Adler stond bekend als een hevige tegenstandster van “The Method”, zoals Lee Strasberg de theorie van Stanislavski aanpaste aan Hollywood-normen. Nochtans is de Niro nadien overgestapt naar the Actor’s Studio en nu heeft hij ook zijn eigen school the Institute of Method Acting gedoopt. Zijn bekendste leerling is Nicolas Cage. De Niro werkte in 1987 trouwens mee aan een documentaire over Strasbergs Actor’s Studio van Annie Tresgot). Ook de acteurs waar de Niro naar opkijkt, zoals Marlon Brando, Montgomery Clift of James Dean komen uit de Studio. Zijn grootste idool echter niet. Maar dat kan ook moeilijk. Het is immers… Greta Garbo!
Een typisch staaltje van method acting laat de Niro zien als bokser Jake La Motta in “Raging Bull”, alweer van Martin Scorsese. Beroemd is het feit dat hij hiervoor nog liever 30 kg aan gewicht won in plaats van met opgevulde kleren te werken. Om nog van de bokslessen te zwijgen. Voor de musical “New York, New York” (jawel, opnieuw van Scorsese) leerde hij dan weer saxofoon spelen op zo’n fanatieke manier (al moest hij in de film enkel doen alsof) dat zijn leermeester Georgie Auld hem “zo leuk als syfilis” vond. (Nu speelt hij geen sax meer, tenzij op speciale gelegenheden, zoals die keer met Bill Clinton, wiens verkiezingscampagne hij ondersteunde.)
“Ik neem mijn werk zeer ernstig,” zegt de Niro, die bekend staat als een vervelend iemand wat interviews aangaat. Toch is dit niet uit verwaandheid (“het is even belangrijk jezelf niet te ernstig te nemen”) maar omdat hij zijn privé-leven nauwgezet wil afschermen. Vast staat enkel dat zijn ouders reeds uit elkaar gingen toen hij amper twee was. Hij werd opgevoed door zijn moeder Virginia Admiral, wier kunstenaarsloopbaan er meteen aan was. Dat in tegenstelling tot zijn vader (eveneens Robert de Niro genaamd) waarvan zelfs werk te bezichtigen is in the Metropolitan Museum of Art. In 2012 kon Robert De Niro zijn tranen niet bedwingen tijdens een interview over zijn vader, een homoseksuele kunstenaar over wie hij een documentaire maakte. “Ik word er emotioneel van, ik weet niet waarom”, zei De Niro nadat het blad Out hem vroeg naar het feit dat hij naar zijn vader is vernoemd.
“Het was mijn verantwoordelijkheid”, zei de 70-jarige Hollywoodster over ‘Remembering The Artist: Robert De Niro, Sr.’, waarin hij onder meer fragmenten uit zijn vaders dagboeken deelt en zo veel over zijn worsteling met zijn geaardheid publiekelijk maakt. “Het was waarschijnlijk moeilijk voor hem, in die generatie en afkomstig uit een klein plaatsje”, vertelde De Niro. “Ik was me er nooit zo van bewust. Ik wou dat we er meer over hadden gepraat.”
De Niro’s ouders scheidden kort na zijn geboorte, maar zijn goede vrienden gebleven. In 1992 overleed zijn vader aan kanker. De acteur heeft het appartement en het atelier in New York waar hij laatst woonde altijd in de originele staat in stand gehouden. “Dat heb ik gedaan voor de kleinkinderen en mijn jonge kinderen, die hun opa nooit hebben gekend”, zei De Niro. “Ik hou van dingen die niet veranderen.”
Dat de Niro hier een aantal trauma’s van meedraagt, is zeker, want het verschil tussen de mens en de acteur is immens. De Niro is nog steeds mensenschuw en kan zich amper uitdrukken. Aangezien hij ook fysiek redelijk klein is (wat in bijna geen enkele film opvalt), ziet hij er wat stuntelig en onbeholpen uit. Je zou bijna zeggen: Woody Allen. Maar wat een verschil als je beide mannen vergelijkt naar de manier waarop ze respectievelijk in films te zien zijn! Terwijl Woody Allen op het doek verdergaat met zijn psychoanalyse, wordt de Niro juist een heel ander iemand. Liefst compleet tegengesteld aan zichzelf. Als het te dicht in zijn buurt komt (zoals in “Stanley and Iris” b.v.), dan flopt de film totaal.
Naast alle reeds genoemde films draaide de Niro ook nog “The king of comedy”, “Goodfellas” en “Cape Fear” met Scorsese. Maar hij weigerde (terecht) de rol van Christus in “The last temptation of Christ”.
In 1990 verleende hij zijn stem aan de documentaire “Martin Scorsese directs” van Joel Sucher en Steven Fischer. In Humo verklaarde hij: “Marty en ik denken vaak hetzelfde. We hoeven eigenlijk niet lang te praten over het werk zelf, of over praktische oplossingen. We hebben wel lange discussies over de moraal en de filosofie van een personage. ’s Morgens, vóór we draaien, praten Marty en ik meestal een halfuurtje en dan kunnen we ons de rest van de dag elk met ons eigen werk bezighouden. Met andere regisseurs heb ik dat ook geprobeerd, maar dat is nooit zo goed gelukt.”
Misschien heeft één en ander ook te maken met een ander adagium van hem, namelijk de opvatting dat “if it isn’t on the page, it isn’t on the stage”, als het niet op het papier (lees: in het scenario) staat, komt het ook niet tot leven op de scène (of het witte doek). Duidelijk een opvatting die ook Scorsese deelt: bij het onafscheidelijke duo hoorde immers oorspronkelijk ook nog scenarist Paul Schrader (Taxi driver, Raging bull) en nu Nicholas Pileggi (Goodfellas, Casino). Het verklaart misschien ook wel waarom de Niro niet langer meer met die andere Italiaanse immigrant, Brian de Palma, werkt, waarbij hij wel met drie films debuteerde (The wedding party, Greetings, Hi Mom!). Deze films kwamen immers op een improviserende manier tot stand. (Alhoewel dit zeker niet meer van de latere de Palma kan worden gezegd, vandaar misschien dat de Niro toch nog schitterde als Al Capone in de Palma’s “Untouchables”.)
Volgens een confrater is hij zo’n perfecte cameleon dat hij eigenlijk alleen maar herkenbaar is aan de pukkel op zijn rechter jukbeen. Of is het zijn linker? In “Men in tights” laat Mel Brooks de pukkel van de acteur die King John vertolkt steeds weer elders opduiken…
Opmerkelijk is ongetwijfeld dat de Niro tot nu toe nog geen Shakespeare heeft gespeeld. Aan Terry Wogan verklaarde hij destijds dat dit geen toeval was. Hij léést hem liever, zegt hij.
Hij kwam ook in het nieuws omdat hij op kunstmatige wijze een tweeling liet verwekken bij zijn ex-vriendin, de 40-jarige kleurlinge Tookie Smith, eigenares van een catering bedrijfje. De Niro had reeds een zoon Raphael (toen 17) bij de zwarte mannequin Diahanne Abbott (haar zes jaar oudere dochter Oriana beschouwt hij ook als zijn eigen dochter), toen hij in 1980 van haar scheidde na vier jaar huwelijk om met Tookie op te trekken. In 1988 had ze een miskraam en daarna staakte het paar de pogingen om op een normale wijze kinderen te krijgen. In 1992 gingen ze uit elkaar en begon de Niro een verhouding met Naomi Campbell. Na haar “lesbische” clip met Madonna, verbrak hij ook deze relatie om naar een zekere Asia over te stappen. Maar in 1995 heeft men een door de Niro bevrucht eitje van Tookie ingeplant in een draagmoeder met een tweeling als resultaat.
Maar dat is eigenlijk allemaal bullshit. Laten we het liever over zijn filmloopbaan hebben. In 1965 debuteerde hij in “The wedding party” van Brian De Palma. Daarna was hij een figurant in “Trois chambres à Manhattan” (Marcel Carné) tijdens zijn studie aan de Alliance Française in Parijs.
In 1968 vertolkt Robert de Niro de hoofdrol in “Greetings”, een Amerikaanse satire uit 1968 van Brian De Palma over drie vrienden die op allerlei manieren proberen te vermijden dat ze naar Vietnam (op dat moment erg actueel!) zouden worden gestuurd. Het was de eerste “grote” film, zowel van De Niro als van De Palma, en zou een vervolg krijgen met “Hi, mom!” in 1970. Maar tussendoor is Robert de Niro ook nog te zien in “The swap or Sam’s song” van Jordan Leondapoulos.
1970 Bloody mama (Roger Corman)
1971 Jennifer on my mind (Noel Black)
The gang that couldn’t shoot straight (James Goldstone)
Born to win (Ivan Passer)
1973 Bang the drum slowly (John Hancock)
Mean streets (Martin Scorsese)
1974 The Godfather II (Francis Ford Coppola): oscar voor de beste bijrol als Vito Corleone (Al Pacino kreeg een nominatie voor de beste hoofdrol, maar pakte ernaast).
1976 Taxi driver (Martin Scorsese): oscarnominatie voor zijn rol als Travis Bickle (“You talking to me?”).
Novecento (Bernardo Bertolucci)
The last tycoon (Elia Kazan)
1977 New York, New York (Martin Scorsese)
1978 The deer hunter (Michael Cimino): oscarnominatie
1980 Raging bull (Martin Scorsese): oscar voor de beste hoofdrol
1981 True confessions (Ulu Grosbard)
1983 The king of comedy (Martin Scorsese)
1984 Once upon a time in America (Sergio Leone)
Brazil (Terry Gilliam)
Falling in love (Ulu Grosbard)
1986 The mission (Roland Joffé)
1987 Dear America, letters from Vietnam (Bill Couturié)
In “Angel heart” van Alan Parker speelt hij de baarlijke duivel en in “The untouchables” van Brian De Palma van zijn vertegenwoordiger op aarde, Al Capone.
1988 Midnight run (Martin Brest)
Dat jaar richt hij samen met Jane Rosenthal Tribeca Films op (naar het Triangle Below Canal Street-district, waar het hoofdgebouw is gelegen). Bij de eerste film, “Mistress” van Barry Primus, is hij enkel als producent betrokken (naast een klein cameo-rolletje als… producent die enkel een film wil ondersteunen als zijn liefje er een rol in krijgt). Het gebouw zelf heeft op het gelijksvloers een restaurant dat hij uitbaat samen met Sean Penn en Mikhail Baryshnikov. Daarboven is er een filmzaal en de rest van de kantoren wordt verhuurd, o.a. aan Miramax, die instaat voor de distributie van de “betere” film.
1989 Jacknife (David Jones)
1990 Stanley & Iris (Martin Ritt)
We’re no angels (Neil Jordan)
Goodfellas (Martin Scorsese)
Awakenings (Penny Marshall): oscarnominatie voor zijn rol als Leonard Lowe, de patiënt van Dr.Malcolm Sayer (Robin Williams, mede door de Niro uitgekozen op basis van zijn vertolking in “Dead poets society”), gebaseerd op de schrijver van het boek, Dr.Oliver Sacks, tevens de auteur van het boek “The man who mistook his wife for a hat”.
1991 Guilty by suspicion (Irwin Winkler)
Backdraft (Ron Howard)
Cape Fear (Martin Scorsese voor Tribeca)
1992 Thunderheart (Michael Apted voor Tribeca)
“Mad Dog and Glory”, een film van John McNaughton, de maker van “Henry: portrait of a serial killer” in 1986, maar pas ter dezer gelegenheid in België uitgebracht. Alhoewel Robert de Niro niet bepaald schitterend was als komische acteur in “We’re no angels”, probeert hij het hier nogmaals, deze keer naast Bill Murray en Uma Thurman. In Cannes werd deze film over een gangster (Murray) die uit dankbaarheid voor het feit dat een politieman (de Niro) zijn leven heeft gered, hem voor een weekje een barmaid (Thurman) “uitleent”, tamelijk goed ontvangen. Het uitgangspunt was provocerend, maar het einde valt weer helemaal in de Hollywood-plooien (cfr. “Indecent proposal”). Het scenario is van Richard Price (“Color of money”, “Sea of love”).
Robert de NiroIn 1993 draait Robert de Niro met zijn productiemaatschappij “Night and the City” van Irvin Winkler. In “This Boy’s Life” van Michael Caton-Jones (“Scandal”) gaat hij met Ellen Barkin en Leonardo Di Caprio (het jongetje uit “Gilbert Grape”) meer de nostalgische toer op. Deze bewerking van het boek van Tobias Wolff handelt over sociale toestanden op het platteland in de jaren vijftig, via de reis van een jongen met zijn pas gescheiden moeder.
1995 A Bronx Tale (Tribeca)
In “Frankenstein” van Kenneth Branagh speelt Robert de Niro het “monster” (eigenlijk een beter mens dan de meeste anderen, maar aangezien hij op basis van zijn uiterlijk wordt afgewezen, pleegt hij inderdaad schrikwekkende daden, al wordt hij nooit een “nachtmerrie”). Robert De Niro is immers Branaghs lievelingsacteur. Branagh kijkt namelijk vooral op naar acteurs die technisch zeer onderlegd zijn, maar daarbij toch het charisma van de “street credibility” behouden hebben, zodat de techniek je niet eens opvalt. Zo noemt hij Robert De Niro dé Method Actor bij uitstek.
Robert de Niro schitterde in 1996 in twee films tegelijk “Heat” van Michael Mann (*) en “Casino” van zijn fetisj-regisseur Martin Scorsese. “Heat” maakte vooral ophef omdat de Niro hierin voor het eerst samen met Al Pacino was te zien. Beide acteurs waren reeds in dezelfde film te zien, met name “The Godfather, part 2”, maar daar hadden ze geen scènes samen, aangezien ze beiden in een verschillend tijdsgewricht zaten (Robert de Niro speelde namelijk de vader van de drie jaar oudere Al Pacino). Een inside joke is ook dat het leidmotief van Neil McCauley (de rol van de Niro) in “Heat”, “Je moet steeds klaar staan om binnen de dertig seconden alles achter te kunnen laten”, eigenlijk gebaseerd is op de rusteloosheid van de Niro zelf, die lange tijd heeft gewacht vooraleer zich echt te “vestigen”.
In 1997 is hij te zien in “Marvin’s room” van Jerry Zaks en in “Sleepers” van Barry Levinson. In deze laatste film, een film over kindermisbruik, speelt Robert de Niro een priester… Maar vergis je niet, het is een “goede” priester, die – dankzij een aperte leugen overigens – gerechtigheid laat geschieden.
Nadat in “The fan” Robert de Niro een obsessionele fan van sportheld Wesley Snipes is tot de liefde omslaat in haat en hij zich nogmaals in zijn “Cape Fear”-rol kan uitleven, was de Niro te zien in “Wag the Dog”, een vlijmscherpe satire op mediamanipulatie en het politiek gekonkel in Washington. De Amerikaanse president wordt beschuldigd van verregaande seksuele intimiteiten met een padvindster. En wat doet zijn gehaaide adviseur (De Niro) om het schandaal de kop in te drukken? Hij haalt er een verwaande Hollywoodproducer (Dustin Hoffman) bij om een niet bestaande oorlog met Albanië te ensceneren, een virtual reality‑crisis die tot aan de nakende verkiezingen de aandacht moet afleiden van pers en bevolking.
Klinkt vertrouwd in de oren, nee? Dankzij een wonderlijke toevalstreffer belandde “Wag the Dog” in het heetst van Clintons Zippergate in de Amerikaanse bioscoop. De timing van de bioscoop‑release van “Wag the Dog” was zo mogelijk nog perfecter dan van “Primary Colors”. Deze satirische prent van Barry Levinson belandde in de Amerikaanse zalen net op het moment dat de VS ermee dreigde Irak aan te vallen indien Sadam Hoessein zich niet onvoorwaardelijk neerlegde bij alle VN‑eisen. Was Clinton die oorlog niet aan het gebruiken als bliksemafleider voor zijn problemen op het thuisfront, nu de aantijgingen van Monica Lewinsky de voorpagina’s beheersten?
Het Amerikaanse publiek wordt de laatste tijd door zijn filmpresidenten niet verwend. Eerst kregen we in “Absolute Power” van Clint Eastwood de prez als een SM‑minnende schurk van jewelste, bovendien nog gespeeld door Gene Hackman, de incarnatie van de modale Amerikaan. In “The Second Civil War” sleept de bewoner van het Witte Huis zijn land mee in het ondenkbare: de tweede burgeroorlog uit de geschiedenis. Zowel in “Wag the Dog” als in “Primary Colors” zou de president “nieuwe stijl” zich hebben vergrepen aan kleine meisjes. Het vervelende is dat al deze presidentiële figuren geloofwaardiger overkomen dan de enige positief heldhaftige supreme chief van de laatste tijd: Harrison Ford die in “Air Force One” eigenhandig de First Family moet redden uit de klauwen van goddeloze terroristen. Waar is de tijd gebleven dat presidenten in Hollywoodfilms steevast als eerbiedwaardig, aseksueel en honderd procent betrouwbaar werden afgeschilderd? Ideaal dat nog het best werd belichaamd door Henry Fonda (van “Young Mr.Lincoln” van John Ford tot “Fail Safe” van Sidney Lumet).
Het echte doelwit van “Wag the Dog” is echter minder Washington dan Hollywood; uiteindelijk is het minder Robert De Niro’s probleemoplosser dan Dustin Hoffmans producer die de meeste aandacht voor zich opeist, de beste scènes en dialogen toegespeeld krijgt in het sardonisch script van David Mamet. Hoffman imiteert in zijn vertolking zowel de fysieke eigenaardigheden (onnatuurlijk gebronsd, buitenmaatse bril, opgeföhnd zwartgeverfd haar) als de megalomane trekjes van Robert Evans, op jonge leeftijd heerser van een studio ‑ Paramount ‑ maar ten val gebracht door overmoed, cocaïneverslaving en criminele connecties.
Daarna was Robert de Niro te zien in “Jackie Brown” (waarvan ik me niets meer kan herinneren) en een jaar later (1998) was hij de enige aanvaardbare figuur in een ellendige modernisering van Charles Dickens’ weergaloze “Great Expectations” door Alfonso Cuaron. Zelfs al lag de casting als de gevluchte ter dood veroordeelde nogal voor de hand, toch maakt hij van de openingsscène iets memorabels, zodanig zelfs dat ze bijna de concurrentie met de scène bij David Lean aankan. Ook zijn sterfscène (eigenlijk de twee enige scènes die hij heeft) is acceptabel, maar dan in een ander register. Enfin, ’t is toch eens wat anders dan de vertolkingen van Anne Bancroft als mrs.Havisham (hier onder een andere naam natuurlijk) of Gwyneth Paltrow als Estella (tiens, dus hier niét onder een andere naam), al was dit laatste vooral een kwestie van casting (een blonde heks, ik blijf het er moeilijk mee hebben).
Daarna leek het wel of de Niro zich vooral op komedies ging toeleggen. Het begon met “Analyze this” (Harold Ramis, 1999) waarin hij een gefrustreerde gangster speelt die op de sofa van een psychiater terecht komt (Billy Crystal). (Drie jaar later kwam er een onafwendbaar vervolg onder de geïnspireerde titel “Analyze that”, film die ik nog niet heb gezien, wellicht omdat het mij niet eens was opgevallen dat het hier om een andere film ging!)
De rol van gepensioneerd CIA-agent Jack Byrnes in “Meet the parents” was ook op zijn lijf geschreven, al kwam-ie nog meer uit de verf in de sequel “Meet the Fockers” (Jay Roach, 2004), waarin Dustin Hoffman en Barbra Streisand als geschifte hippies weerwerk bieden (by the way, over de oorsprong van de benaming “hippie”, zie A.F.Th. van der Heijden, Het schervengericht, p.384-386, al weet ik niet zeker of men dit allemaal letterlijk moet nemen).
Tussendoor was hij nog wel te zien in een echte thriller, “The score” van Frank Oz in 2001. Alhoewel het gegeven berust op een huizenhoog cliché (een bankrover die nog een allerlaatste slag wil slaan), bevat de film genoeg spanningsingrediënten om je gedurende een paar uur lekker te ontspannen. Met een interessante bijrol voor Marlon Brando er bovenop. De love intrest wordt helaas slecht ingevuld door een ongeïnspireerde Angela Bassett. Eigenlijk is het Edward Norton die de show mag stelen met een Dustin Hoffman in “Rain man”-imitatie…
Een jaar later speelt De Niro in “Showtime”, een politiekomedie van Tom Dey, rechercheur Mitch Preston die meer nillens dan willens moet samenwerken met Trey Sellars (Eddie Murphy) die zijn echte roeping als tv-comedian heeft gemist. Als op een bepaald moment een missie mislukt omdat Sellars zijn vriendjes van de televisie erbij had gehaald, is Mitch woedend, maar tv-producer Chase Renzi (Rene Russo) brengt het juist op een (in haar ogen) schitterend idee, namelijk “het leven zoals het is: politie”!
In 2005 droeg de Niro haast helemaal op z’n eentje (al was Dakota Fanning schitterend als de kleine Emily; hoe fantastisch die jeugdacteurs uit Hollywood wel zijn, kan je het beste zien als je ze naast die van ons b.v. plaatst, al geef ik natuurlijk grif toe dat men in Hollywood uit een veel grotere vergaarbak kan kiezen) de schizofrene thriller “Hide and seek” van John Polson, die ondanks de prestatie van de Niro en Fanning nochtans niet zo goed werd ontvangen, evenmin als “Stone” van John Curran uit 2010, waar de Niro wel weerwerk krijgt van Edward Norton. Zelf hield ik niet van deze laatste zijn nerveuze vertolking, maar ik kan me voorstellen dat vooral jongere recensenten aan hem de voorkeur geven boven de “oude” Robert de Niro…
Een jaar later, in 2011 dus, vertolkt Robert de Niro zeg maar een stevige bijrol in de film “Limitless” van Neil Burger. Hij speelt daarin een tycoon van de oude slag die geconfronteerd wordt met Bradley Cooper, die dankzij een geestesverruimende drug de yuppie van het moment is. De film heeft een nogal eigenaardige conclusie. Cooper krijgt zijn druggebruik immers onder controle en haalt de bovenhand op ouwe rakker de Niro. Heb ik de moraal van het verhaal soms gemist???
In 2012 laat de Niro de hoofdrol opnieuw aan een jonge knaap (Bradley Cooper) die zijn zoon speelt met een “bipolaire stoornis” in “Silver Linings Playbook” van David O.Russell. En ook hier weer maakt de Niro van zijn kleinere rol een juweeltje door duidelijk tot uiting te laten komen dat de zoon die bipolaire stoornis van geen vreemden heeft…
Een jaar later daarentegen trekt hij weer het laken naar zich toe in “The big wedding” van Justin Zackham, waarin hij moet kiezen tussen Diane Keaton en Susan Sarandon. Nadat hij zich eerst als een jerk heeft gedragen, kiest hij uiteindelijk toch voor de juiste…
Ook in “Malavita” van Luc Besson speelt hij dat jaar (2013 dus) de pannen van het dak naast een al even energieke Michelle Pfeiffer. A mafia boss and his family are relocated to a sleepy town in France under the witness protection program after snitching on the mob. Despite the best efforts of CIA Agent Stansfield (Tommy Lee Jones) to keep them in line, Fred Manzoni (Robert De Niro), his wife Maggie (Michelle Pfeiffer) and their children Belle (Dianna Agron) and Warren (John D’Leo) can’t help but revert to old habits and blow their cover by handling their problems the “family” way, enabling their former mafia cronies to track them down. Chaos ensues as old scores are settled in the unlikeliest of settings. De Fransen komen overigens ontzettend slecht uit deze film, wat des te merkwaardiger is aangezien de regisseur zelf van Franse nationaliteit is. De titel is trouwens ook ietwat merkwaardig, want die slaat op de naam van de hond van het huisgezin. De enige reden om de titel aan te houden is dat de naam natuurlijk ook “slecht leven” betekent…

Referentie
Ronny De Schepper, Zijn eigen psychiater, Steps magazine juni 1996
(met dank aan Patrick Duynslaeger voor “Wag the Dog”)

(*) In 2008 werd het nog eens “te goed” overgedaan in “Righteous kill” van Jon Avnet, maar de film werd een flop en de oorzaak lag zelfs vooral bij de twee heren zelf die elk op hun manier bitter ontgoochelden.

Een gedachte over “Robert de Niro wordt zeventig…

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s