René Vandereycken viert vandaag zijn zestigste verjaardag. Ik heb de man ooit nog geïnterviewd tijdens het kortstondige bestaan van het Gentse stadsmagazine Tempo. En uiteraard was de aanleiding dus dat hij trainer geworden was van A.A.Gent. En ik dacht dat een trainer ook een band met zijn ploeg moest hebben en bij uitbreiding met de stad die ze vertegenwoordigt. Maar dat bleek natuurlijk weer ontzettend naief van mij te zijn geweest! Het was gewoon: take the money and run.

Wat ik zo vreselijk vind aan “Blokken”, of beter gezegd aan presentator Ben Crabbé, is dat hij ervan uitgaat dat iedereen een voetbalsupporter is. Zelfs vrouwen voelen zich genoodzaakt te pretenderen dat ze elke zondag langs de lijn staan om de arbiter uit te jouwen of te roepen dat zijn moeder een hoer is en dat men zijn kloten maar beter kan afstampen. En als je dan – o wee! – durft toegeven dat je niet van voetbal houdt, dan word je afgedaan als “een liefhebber van Arte 4“.
Welnu, ik hou niet van voetbal en niet omdat ik de voorkeur zou geven aan Arte 4, maar omdat ik een wielerfan ben. En omdat ik vind dat er in de krant – met uitzondering van de alles overheersende Tour de France natuurlijk – een grote discrepantie is tussen de plaats die aan beide sporten wordt voorbehouden. En ook omdat ik vind dat wielersupporters – zonder ze nu per se als volmaakt te willen afschilderen – doorgaans toch veel aangenamer mensen zijn dan voetbalhooligans. En ook omdat wielrennen, jawel, nog steeds een volkssport is, terwijl het de laatste tijd meer en meer bon ton is om het op een “business meeting” bij de champagne achteraf het even te hebben over de match die men vorige zondag vanuit de business seats heeft gevolgd.
Maar goed, dat belet uiteraard niet dat ik ook niet blind ben voor de populariteit van het spelletje en dus moest ik er als journalist ook af en toe op uittrekken om een of andere speler of trainer aan de tand te gaan voelen. En in dit geval was dat dus de huidige bondscoach. Drie seizoenen eerder werd hij door Erwin Vandendaele nog als speler uit de ploeg van A.A.Gent gezet, maar zijn wraak was zoet. Nadat hij A.A.Gent opnieuw uit tweede klasse had geloodst, draaiden de Buffalo’s zelfs een tijdje mee aan de nationale top. Niemand had dit ooit gedacht. Ook het bestuur van A.A.Gent niet. Kwatongen fluisterden dan ook dat Gent de kampioenstitel eigenlijk niet wou. Maar zó ver wil René Vandereycken nu ook weer niet gaan…
Ik heb dat alvast nooit gezegd. Op de vraag of we al dan niet kampioen gaan spelen, antwoord ik alleen maar dat ik het niet weet. Het kàn natuurlijk wel. Alle vijf de ploegen die op dit moment vooraan staan kunnen kampioen spelen, dus wij ook. En wij zullen die titel zeker niet weggooien, gewoon omdat ons iets overkomt wat niet voorzien was. Je zou al gek moeten zijn. Maar ik blijf erbij dat het onze ambitie niet was en ik vind het nog steeds niet nodig die houding te veranderen. Waarom zouden we dat doen? Dan gaat de pers daarop springen, supporters lezen dat, de spelers ook en uiteindelijk heb je veel meer kans dat je het niet gaat waarmaken. En dan heeft de pers weer een kluif aan de ontgoocheling die daarop volgt uiteraard. Nee, wij groeien liever langzaam. Laten we eerst ons doel bereiken, namelijk Europees voetbal, en dan kunnen we onze ambities wel aanpassen.”
Ondertussen heeft Vandereycken het echter zelf wel om zeep geholpen. En hoe? Merkwaardig genoeg door zijn intelligentie, aldus Jan Wauters in “De Morgen” van 3/1/1998: “Ik vergelijk Vandereycken graag met Ivic. Ivic en Vandereycken zijn op gelijkaardige manier geobsedeerd door tactiek. (…) Zij horen tot de soort die ontdekkingen kan doen, net omdat ze hun verstand zo eenzijdig kunnen richten. Dat is het kenmerk van alle wetenschappers die obsessioneel bezig zijn in hun labo. Dat maakt hen ook wereldvreemd.”
Die bewuste dag zit René Vandereycken in trainingspak dus wereldvreemd te wezen in de perszaal van A.A.Gent. Het is middag, een confrater interviewt de Zaïrees Balenga en de zon schijnt door de grote ramen. Buiten is het ijskoud, maar achter het glas is het warm. De training is pas afgelopen en Vandereycken zit er benijdenswaardig gezond bij. Hij is 37, nog geen twee jaar jonger dan ik, en toch mag de vergelijking geen naam hebben. Thuis zal alweer een spiegel sneuvelen, misschien ook wel uit onmacht omdat ik niet door het pantser van deze voetbalfilosoof heb weten te dringen. Een interview met zijn vrouw leert me meer dan een gesprek van man tot man.
Al van bij het begin gaat het fout. Het gaat er bij mij niet in dat je die druk zo maar van je af kan zetten. Je kan dat natuurlijk altijd wel zéggen, maar psychologisch zullen de spelers stilaan toch onder een grotere druk komen te staan, ondanks de pogingen om de ambitie laag te houden.
“Daar heb je het weer: ‘pogingen om de ambitie laag te houden’. Dat is niet zo. Wij zijn gewoon bezig met het doel dat we vooropgesteld hebben en zo lang we dat niet bereikt hebben, moet je gewoon realist blijven. En dan kan ik alleen maar verheugd zijn dat, ondanks het feit dat iedereen die druk wil doen toenemen, uit interviews met spelers blijkt dat zij daar toch rustig bij blijven. En dat is geen komedie, dat verzeker ik je. We zullen dus ook niet ontgoocheld zijn als we de titel niet behalen.”
Maar een kampioenstitel is voor een speler toch de ideale kans om zijn transferwaarde op te vijzelen, probeer ik nog.
“Je moet in een ploegsport inderdaad een zekere individuele ambitie blijven behouden. Dat tikkeltje eigenliefde is nodig, juist in dienst van de ploeg. Dat hoeft niet noodzakelijk daaraan tegengesteld te zijn.”
De belangstelling van “rijke” ploegen is trouwens al gewekt: middenvelder Frank Dauwen en verdediger Dirk Medved worden door Thijs als mogelijke Rode Duivels genoemd en meteen staan respectievelijk Anderlecht en Brugge klaar. René Vandereycken trekt een poker-face: “Dat is best mogelijk. Het zou me verwonderen als dat niet zo was. Als je na 22 wedstrijden aan de leiding staat van de competitie en niemand zou belangstelling hebben voor spelers uit je ploeg, dan zou dat betekenen dat je wekelijks geluk hebt gehad en dat je eigenlijk geen goede spelers hebt. Het is toch de normaalste zaak van de wereld dat andere ploegen geïnteresseerd zijn? Zeker omdat het nog zo’n jonge spelers zijn. Maar het zijn spelers die nu nog onder contract staan en graag hier zouden blijven, ik zie dus echt niet in waar de problemen zitten.”
“Je doet nu alsof je neus bloedt,” zeg ik, “en dat is ook wel begrijpelijk, maar je zal toch ook wel weten dat als men de kosten-baten-analyse nagaat, er een serieuze som op tafel ligt (respectievelijk met 60 en 30 miljoen Belgische frank terwijl er aan Lierse voor Dauwen 46 en aan Genk voor Medved 8 werden betaald). Gaat dan de winst uiteindelijk niet doorwegen boven het feit dat jij als trainer ze b.v. liever zou houden?”
René Vandereycken zucht bij zoveel onbegrip: “Dat is iets wat binnen de club dient te worden besproken, dat ga ik toch zeker langs deze weg niet bekend maken?”
Ik gooi het over een andere boeg. Los van die individuele gevallen, probeer ik, in hoeverre weegt het woord van de trainer dan door?
“Dat moet voor ieder apart bekeken worden, want telkens moet je zowel het sportieve als het financiële incalculeren. Daarin kan je geen lijn trekken.”
Met een verbetenheid waarmee ik mezelf verbaas ga ik toch nog door. Hoe dan ook speelt Gent volgend jaar zeker Europees, zeg ik. Dat brengt toch consequenties met zich mee, vooral op financieel vlak?
“Tuurlijk! Maar het is veel te vroeg om ons daarover nu reeds het hoofd te breken. Jij zegt dat we volgend jaar zéker Europees spelen. Ik zeg dat niet. We moeten nog altijd een aantal punten halen en de tegenstander moet er nog een aantal verliezen. Ten vroegste zullen we dat dus een paar weken voor het einde van de competitie zien. En dan moeten we de koppen samensteken. Iedereen zal daarover wel een aantal ideeën hebben, maar dan moeten we zien wat haalbaar is. Eerst en vooral moeten we kijken om iemand bij te kopen, maar soms kan het ook interessant zijn om een speler weg te doen. Luister, als een speler kan worden verkocht voor honderd miljoen, dan zal dat uiteraard een hele goede zijn die ik node zal willen missen, maar dan ben ik niet zo dom om te zeggen dat die niet weg mag, want voor vijftig miljoen kun je ook al een heel goede speler kopen.”

Ik probeer nog hem te doen zeggen dat Erwin Vandenbergh en Michel De Groote alvast zullen blijven, maar zelfs dat weigert Vandereycken te bevestigen, ook al staat dit nu wel zo goed als vast. Dan gooi ik het uiteindelijk maar over een andere boeg. Kenners zeggen dat de jonge Davy Cooreman een hele grote gaat worden.
“Dat denk ik niet,” zegt Vandereycken droogweg. Vooraleer ik van mijn consternatie bekomen ben, gaat hij verder: “Hij zal zeker nooit groter worden dan 1 m 75.” Eindelijk kan er een lach af. Niet zozeer omwille van het grapje, heb ik de indruk, maar omdat hij me liggen had. “Als voetballer heeft hij inderdaad veel kwaliteiten,” zegt hij tenslotte. “En het is best mogelijk dat hij een grote toekomst tegemoet gaat. Maar talent is niet het enige wat telt om het waar te maken. Trouwens, wat betekent dat: het waarmaken? Is dat eens goed spelen? Eens laten zien dat je iets kan? Voor mij zegt dat allemaal niets. Zoiets kan je pas beoordelen over tien jaar. Als je een carrière kan uitbouwen van tien jaar profvoetballer, dàn ben je een grote. Maar Cooreman heeft zeker mogelijkheden en als hij goed begeleid wordt en zichzelf goed verzorgt, dan geef ik hem wel een kans om een carrière uit te bouwen.”
De begeleiding van Cooreman liet echter wel te wensen over, maar wat wil je als vader Maurits enkele jaren later (begin 1998 namelijk) de spil blijkt te zijn van een groot corruptienet? Maar goed, dat wist ik in die tijd niet en dus vraag ik beleefd of in die optiek zo’n jonge speler er niet beter aan doet nog een tijdje bij zijn “moederclub” te blijven? Kan zo’n talent niet gefnuikt worden als het rap wordt weggekocht en dan in een zeer stresserende omgeving terechtkomt? Ik dacht dat ik nu toch wel op instemming kon rekenen, maar ik ben weer mis.
“Oh, maar dat kan even goed in zijn eigen omgeving mislukken. Waarom wil iedereen toch alles zoveel mogelijk in regels proberen te vatten? Ik vind dat je integendeel altijd geval per geval moet beoordelen. Als een jonge speler in zijn eigen club geconfronteerd wordt met een trainer die van hem niet moet weten dan gaat die nog drie jaar blijven sukkelen. Dan is het toch beter dat die wordt weggekocht door een ploeg waar de trainer het wél voor hem heeft?”

Maar buiten het voetbal blijft hij in het eerste geval toch binnen zijn vertrouwde omgeving en zal hij volgens mij minder snel gaan flippen, verdedig ik mij. En tevens probeer ik hem daarmee over zichzelf aan de praat te krijgen. In tegenstelling tot in de tijd dat hij bij Club Brugge en bij Anderlecht speelde, pendelt hij nu dagelijks naar Limburg. “In hoeverre voel je je dan nog betrokken bij het clubleven?” vraag ik. “Heb je een band met A.A.Gent?”
“Ik heb een contract met A.A.Gent,”
antwoordt hij nuchter. “Als proftrainer zegt dat genoeg. Als je dat nakomt is dat voldoende. En verder moet iedereen voor zichzelf uitmaken of hij nog iets extra wil doen. Ik kom weer terug op hetzelfde: men probeert altijd zo’n cliché’s te gebruiken. Of ik nu in Zaïre zou wonen of hier in Gentbrugge, dat heeft geen enkele invloed op mijn werk. Want dààr wil je naartoe, niet?”
“Daar wil ik helemaal niet naartoe,”
zeg ik. “Integendeel, ik heb zelfs de indruk dat je een soort workaholic bent. Maar soms moet je de knop toch eens kunnen omdraaien. Voel je je dan niet genoodzaakt om eens iets mee te pikken in Gent? Of het nu iets cultureels is of gewoon eens uitgaan, maakt niet uit.”
“Nee. Ik kom praktisch nergens in Gent. Af en toe eens naar een muziekwinkel, maar dat is alles. Of als we laat gewerkt hebben, dan ga ik hier tegenover wel eens iets eten.”
Blijkbaar is dat pendelen dus toch niet zo eenvoudig als hij het wil laten uitschijnen. Daarom vraag ik hem tot besluit hoe lang we hem nog in Gent zullen zien.
“Als ik vorig jaar voor vier jaar teken, bewijst dat toch dat ik wil blijven? Als je er niet van overtuigd bent dat je goed kunt samenwerken, dan teken je toch maar voor een jaar? Zeker in het hedendaagse voetbal mag je van mij aannemen dat als een club een trainer een contract van vier jaar aanbiedt, daar dan meer achter zit dan dat stukje papier laat vermoeden.”
NABESCHOUWING
René Vandereycken heeft tot hiertoe geweigerd mee te werken aan het fancoaching project: “Ik vind dat die mensen harder moeten worden aangepakt. Die moeten niet in de watten worden gelegd. Dat ze eerst eens bewijzen dat ze fatsoenlijke supporters zijn die hun club waardig zijn,” zegt hij.
Dat moet niet prettig zijn voor de initiatiefnemers. Bij A.A.Gent is de coördinator van het project Michel Louwagie.
“Van in de watten leggen is zeker geen sprake. Dat ze b.v. een eigen clubhuis krijgen is juist wat de gewone supporters wensen, dacht ik. Die hebben immers ook een clubhuis en ik denk dat het in het belang van alle betrokkenen is dat we beide partijen van elkaar scheiden.”
“De hoofdreden voor het project is hoe dan ook de onkosten die aan de veiligheidsproblematiek zijn verbonden, naar beneden te drukken. Wij zijn niet blind voor het feit dat er een zeker delinquent gedrag ontstaat rond het voetbalterrein en we vinden dat we zoveel mogelijk moeten helpen om dat te bestrijden. Maar het motto moet toch zijn: beter voorkomen dan genezen? Vandaar dat fancoaching project. Voor ons zal het trouwens reeds een succes zijn als we erin slagen de harde kern beperkt te houden.”

Referentie

Ronny De Schepper, “Wij zullen zeker niet ontgoocheld zijn als we de titel niet behalen”, Tempo maart 1991

61 rene vandereycken

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s