Vandaag is het al 25 jaar geleden dat mediëvist Roger Linskens is overleden. Hij is vooral bekend van zijn populaire boeken over de middeleeuwen onder de titel “Wat ’n leven”, maar ikzelf heb hem leren kennen toen hij prefect was van het Atheneum in Sint-Niklaas, waar ik een korte interim heb gedaan. Enkele jaren later ben ik hem dan gaan opzoeken om hem voor het regionale weekblad De Voorpost te interviewen over zijn boeken.

Roger Linskens werd in 1922 geboren in Oostende. Hij studeerde geschiedenis aan de Rijksuniversiteit van Gent. Vanaf 1948 was hij leraar geschiedenis in het Koninklijk Atheneum van Boom. Bij het begin van het schooljaar 1975-1976 werd hij prefect van het K.A. van Sint-Niklaas (Parklaan) en sindsdien woonde hij ook in deze stad (Fabiolapark).
Het eerste deel van “Wat ’n leven” handelt over de mannen en vrouwen in de middeleeuwen. Huwelijk, liefde, erotiek, mode, bordelen, badhuizen en nog veel meer komen erin aan bod. Het succes van dit eerste deel gaf meteen het ontstaan aan en de stimulans voor de volgende.
Het tweede deel kreeg als ondertitel: “straten en huizen, eten en drinken in de middeleeuwen”. Een titel die voor zichzelf spreekt.
Deel drie gaat over opvoeding en onderwijs, ziekten en geneeskunde. Vaganten, pestlijders, kwakzalvers en ander gespuis kruisen nu ons pad.
Het vierde deel handelt over recht, gerecht en onrecht en goed- en bijgelovigheid. Door de kritiek werd het ontvangen als het beste van de vier, maar wij liggen – zoals geweten is – graag dwars en houden het nog steeds bij het eerste.
Het geschiedenisonderricht is in het vernieuwd secundair onderwijs wat in de kou komen te staan. Het lag dus voor de hand dat we, toen we nu al meer dan dertig jaar geleden op bezoek gingen bij iemand die gepassioneerd is door de geschiedenis en tegelijk ook prefect van een atheneum dat één van de eerste was om het VSO in te voeren, ons gesprek in dit licht zouden voeren.
Onze eerste vraag was dan ook hoe de heer Linskens de geschiedenislessen (en mutatis mutandis de opvatting van zijn boeken) ziet. Nog steeds als een opsomming van namen (bij voorkeur van koningen) en data (bij voorkeur van veldslagen)?
Roger Linskens: Sinds vijftien jaar ongeveer heeft het geschiedenisonderricht een hele evolutie ondergaan. Daar waar het vroeger dikwijls een afdreunen van veldslagen en vorstenhuizen was, staat men nu meer open voor meer algemene geschiedenis. Ik geloof dat we daar wel op de goede weg zijn en dat de “histoire des rois et des batailles” volledig afgedaan heeft. Men legt natuurlijk hoe langer hoe meer de nadruk op sociaal-economische factoren omdat men inziet dat dit de factoren zijn die voor het grootste deel de geschiedenis bepalen. Maar niet uitsluitend. Dat voeg ik er onmiddellijk aan toe, want ik ben geen determinist.
– En die lijn trekt u ook door in uw boeken?
R.L.:
Kijk, die boeken zijn niet bedoeld – dat staat ook zo in mijn “woord vooraf” bij het eerste deel – als het brengen van iets nieuws, maar het is de bedoeling dat niet-specialisten dat lezen zonder tegenzin. Wij hebben weliswaar de “serieuze” geschiedschrijvers broodnodig – die moeten het uitvissen – maar we moeten toch vaststellen dat zij meestal, door de aard van de zaak, een droge, vervelende taal gebruiken die alleen maar door specialisten gelezen wordt. Terwijl er dan anderen moeten zijn die, als je wil, het naar de grote massa moeten uitdragen.
– U wenst de grote massa dus te bereiken, maar toch gebruikt u veel citaten in vreemde talen en in middelnederlands?
R.L.:
Ja, misschien om twee redenen. Ten eerste omdat het naar mijn gevoel het geheel wat opkikkert. Maar anderzijds moet ik zeggen dat misschien niet alle mensen het daarmee eens zullen zijn. Ik heb veel lovende kritieken gekregen, maar uit Nederland was er één bezwaar, vooral tegen de Franse citaten, terwijl ze over de Engelse niet spreken. Dat is begrijpelijk: waarschijnlijk zullen zij die Engelse citaten zeer gemakkelijk kunnen vertalen, terwijl ze wat meer moeilijkheden hebben met de Franse. In latere deeltjes geef ik dan ofwel een volledige vertaling ofwel een omschrijving die de zaak klaar maakt. Maar ik geloof dat deze citaten wel nodig zijn als illustratie. En er is misschien nog een derde reden: namelijk als bewijs van echtheid. Omdat de gewone mensen dan misschien zeggen: kijk, hij heeft dat toch niet allemaal uit zijn duim gezogen.
– Iedereen gaat ermee akkoord denk ik dat de boekjes zeer humoristisch, luchtig, pikant zelfs zijn (en daarvoor verwijs ik naar de citaten die op dit interview volgen). Met daarbij dan de optie van voor niet-ingewijden te schrijven, loop je dan niet het risico dat vooral collega’s of andere mensen die in het vak zitten u zullen beschuldigen van anecdotiek?
R.L.:
Daar heb ik niets tegen. Maar ik geloof toch niet dat het zuiver anecdoten zijn. Het is wel zo dat ik zoveel mogelijk de eigentijdse bron tracht te doen spreken. Het is ook zo dat in die eigentijdse bronnen bijna altijd geestelijken aan het woord zijn, waaronder dan vooral moralisten, daar kan ik nu eenmaal niets aan doen. Maar ik geloof niet dat dit anecdotes zijn, tenminste als we elkaar goed begrijpen wat een anecdote is. Een anecdote is volgens mij een klein voorval dat al dan niet illustratief kan zijn. Ik geloof niet dat ik mij vooral om kleine anecdotes bekommer, maar ik tracht wel het geheel weer te geven in een leesbare taal. En ik geloof dat dit misschien het moeilijkste is: de juiste toon vinden, zodat het niet gaat vervelen. Tot nu toe heb ik daarover nog geen klachten gehoord, ik veronderstel dus dat dit nog altijd in goeie aarde valt.
– Waarom die voorkeur voor de Middeleeuwen?
R.L.:
Ik ben door vorming mediëvist. Ik was student in Gent bij Ganshof, Van Werveke, Strubbe, dit wil zeggen de mediëvistische school, de volgelingen van Pirenne, zoals men hen dikwijls noemt. Verder is alles min of meer toevallig gegroeid. Men heeft mij eens een voordracht gevraagd voor een oud-leerlingenbond over geschiedenis. Ik dacht toen bij mezelf: kijk, die mensen die daar naartoe komen, komen ofwel uit beleefdheid omdat de school iets inricht, ofwel komen ze om eens te horen wat die spreker te zeggen heeft. Dus, dacht ik, het mag in elk geval niet te technisch worden. Het moet iets zijn dat een beetje lollig is, zodanig dat als die bond nog eens iets inricht de mensen geneigd zijn van nog eens te komen. Maar naast het geestige, heb ik ook altijd naar de waarheid gestreefd. Die voordracht had nogal succes, ik werd elders gevraagd om ze nog eens te geven en zo is dat stilaan mijn hobby geworden en heb ik me er steeds meer in bekwaamd. Oorspronkelijk is het echter nooit de bedoeling geweest te publiceren. Het zijn vooral de collega’s die gezegd hebben dat ik dat zou moeten uitgeven. En zo is het gekomen.
– Ik zie dat u “Pieter Daens” van Louis Paul Boon leest. Komt bij uzelf nooit eens de gedachte op om eens iets “moderners” aan te pakken? Zoiets zoals “Pieter Daens”, dat moet toch in uw lijn liggen?
R.L.:
De manier waarop Boon zijn onderwerp aanpakt, ligt mij natuurlijk zeer nauw aan het hart. Het is ook voor niet-specialisten, die eens ze met het werk bezig zijn, het niet gemakkelijk zullen wegleggen. Terwijl het geleerde boek van prof. Van Isacker echter – met alle respect – door de gewone man éérder opzij gelegd zal worden. Boon spreekt hen meer aan, omdat hij aandacht heeft voor de kleine kantjes. Op die manier raakt hij ook meer de mens aan. Prof. Van Isacker behandelt het onderwerp zeer degelijk, uitstekend, maar meer voor kenners. Hij streeft meer naar inzicht, terwijl Boon meer sfeer schept.
– De titel van de reeks, heeft die iets te maken met het lied van Louis Neefs (“Wat ’n leven”)?
R.L.:
Neen, helemaal niet. Dat was zelfs niet de oorspronkelijke titel. Die luidde – iets wat we nu dagelijks horen op de radio – “Van mensen en dingen in de Middeleeuwen”. Maar de uitgever vond dat nogal lang. Dan hebben we gezocht en zijn er alle mogelijke en onmogelijke titels geopperd en uiteindelijk is dan “Wat ’n leven” uit de bus gekomen. Ik vind die titel niet zo slecht, omdat het zowel positieve als negatieve kanten kan bevatten. Maar het is misschien wel een beetje misleidend. Men denkt misschien vlugger aan een roman dan aan een geschiedeniswerk.
– Het leest ook als een roman.
R.L.:
Inderdaad, een criticus heeft ooit zelfs gezegd: als een schelmenroman.
– Een heel opvallende ondertoon van de vier boeken, vind ik, is een virulent anti-feminisme. Om maar één voorbeeld te citeren: “Ridder de la Tour Landry haalt het voorbeeld aan van een man die zijn vrouw met de vuist bewerkt, haar schopt en haar neus breekt, omdat ze haar tong niet heeft kunnen stilhouden. De geachte schrijver concludeert dan ook dat de vrouw het woord aan haar man moet laten. Onze Dirc Potter (1428) geeft de mannen de welgemeende raad: ‘Sla het stomme dier, ze weet niet beter!’. Het is met een soort van melancholie en heimwee dat we die woorden aanhoren. Een treurigheid overvalt ons en we denken: ‘Waar is der ouderen fierheid nu gevaren?’ of ‘Het is niet meer gelijk weleer'”. (I, 29).
R.L.:
Ik geloof dat zelfs mijn eigen vrouw mij niet kan beschuldigen van anti-feminisme. Ik heb dat eerder als een grapje bedoeld. Het is natuurlijk wel zo dat het werkelijk goedkoop is om op de kap van de vrouw te lachen. Maar men mag niet vergeten dat het begonnen is als een spreekbeurt en dit was wel een gemakkelijk thema om de mensen aan het lachen te brengen. Maar ik denk niet dat men uit mijn eigen tekst kan halen dat ik een anti-feminist zou zijn. En indien men dat toch zou denken, dan wil ik dat ten stelligste tegenspreken. Het is gewoon een humoristisch tussenwerpsel. Ik had net zo goed de schoonmoeders kunnen nemen of zo.
– Een ander stokpaardje van u, is het anti-klerikalisme. Alweer een citaat als voorbeeld: “het eerste doel van het christelijk huwelijk was de voortplanting; daarin lag de essentie van het bestaan van de vrouw. Zelfs Thomas van Aquino moest dulden dat daarvoor de vrouw onontbeerlijk was. De strijd tegen de seksualiteit werd door de kerk zo heftig gevoerd dat men niet kan ontkomen aan de indruk dat zij erdoor geobsedeerd werd”. (I, 60).
R.L.:
Ja, dat geloof ik werkelijk zo. De strijd om de kuisheid werd zo doorgevoerd dat men geen rekening meer hield met de mens als mens. En dat heeft dat wel aanleiding gegeven tot anti-klerikalisme. We mogen niet vergeten dat de geestelijken in feite niet opgeleid waren voor hun taak. Men werd dikwijls priester als enig alternatief om te ontsnappen aan de brutale realiteit van een mensenbestaan. Vele pastoors, vooral buiten de steden, hadden dan ook veel te lijden op sociaal gebied en waren wellicht even arm als hun schapen. En dat dus zonder speciale opleiding, want seminaries dateren pas uit de zestiende eeuw, namelijk op het Concilie van Trente. En vermits zij ook maar gewone arme mensen waren, leefden zij ook zoals hun medemensen. Dat anti-klerikalisme, dat zeer sterk tot uiting komt in de Middeleeuwen, mag men evenwel niet verwarren met anti-godsdienstigheid. Ketterse beweging zijn trouwens in feite een bewijs van godsdienstigheid. Verder zijn er nog tal van voorbeelden, het bouwen van kathedralen bijvoorbeeld, die wijzen op een intens geloof.
– U zal in uw anti-klerikalisme toch niet zover gaan ook paus Johannes XXIII een paar vegen uit de pan te geven, denk ik zoals in (I, 164) “de latere Johannes XXIII had het reeds als kardinaal Balthasar Cossa bont gemaakt. Toen hij als pauselijk legaat naar Rome gestuurd was, vielen daar tweehonderd meiden, weduwen en vrouwen waaronder enkele nonnen, als slachtoffer van zijn vleselijke begeerten” en in (III, 26) “nog in de aanvang van de vijftiende eeuw heeft een paus, Johannes XXIII, veel moeite om doorheen een Latijnse tekst te komen”. Ik neem aan dat het hier een drukfout betreft?
R.L.:
Neenee, hier vergis je je. Deze paus Johannes XXIII is een tegenpaus. Trouwens in een zesde deel zal ik de relatie tussen geloof en ongeloof, anti-klerikalisme en anti-godsdienstigheid behandelen. En daar zal ik dan misschien eens een lijst geven van de tegenpausen, omdat het toch wel verwarring kan scheppen.
– Als u in het tweede deel voorbeelden van orgieën geeft, spreekt u ook over de Borgia’s en dergelijke. Maar dan zitten we wel reeds in de Renaissance…
R.L.:
Welja, dat is juist, maar wanneer begint de Renaissance en waar? Men zou kunnen zeggen: in 1300, in Italië, maar op dat moment zijn andere staten nog helemaal middeleeuws.
– U schrijft (II, 23): “het eerste waardoor ons oog getroffen wordt bij het naderen van een stad en wat ons tevens wijst op de onmiddellijke nabijheid van een centrum van hoge beschaving en van cultuur, zijn enkele galgen en een rad, de permanente werktuigen van de gerechtigheid”. Ontwaar ik een zweem van cultuurpessimisme? Bent u cynisch?
R.L.:
Neen, ik vind dat eerder ironisch, al is de grens misschien moeilijk te trekken. Cynisch misschien in deze zin dat ik geloof dat, als men straft, men er geen schouwspel mag van maken. Maar dat er moet gestraft worden, is evident.
– Ik dacht ook een pedagogisch pessimisme te ontdekken. In deze zin (III, 10): “inderdaad, timmeren aan de opvoeding op timmeren aan een huis, het blijft timmeren. Bovendien leidt het laatste vaak tot betere resultaten dan het eerste”.
R.L.:
Misschien zal dat in de Middeleeuwen erger geweest zijn dan nu, omdat we toch geen hoge dunk mogen hebben van de schoolmeestertjes van die tijd, die naast het schoolbedrijf meestal ook nog een ander stieltje moesten opknappen, om de twee eindjes van het jaar aan elkaar te knopen. Nu staan we een eind verder in de pedagogie. Hoewel, ik vraag me toch soms af: leveren wij wel betere mensen af? Wij leveren waarschijnlijk geleerdere mensen af, wij leveren mensen af die meer weten, maar of ze beter zijn, da’s een heel andere vraag, geloof ik. Tuurlijk, men zou daarop dan kunnen voortbomen en zich de vraag stellen: kàn hij verbeteren? Of blijft hij altijd “de mens”? De oude Grieken bijvoorbeeld, waren zij betere mensen of slechtere mensen? Of was het zoals bij ons, dat er goeie en slechte tussen liepen? En dan is natuurlijk de vraag pertinent: helpen tweeduizend jaar beschaving om betere mensen voort te brengen?
– Dus toch een zeker cultuurpessimisme?
R.L.:
Ja, in dat opzicht wel.
– Tot slot nog een paar vragen over het pas verschenen deel. U hebt nogal wat kritiek op de advocaten of taalmannen, op het formalisme van de rechtspleging, het hermetisme voor de gewone man.
R.L.:
Ja, dat vinden we in de teksten van dit tijd nogal terug. Het is misschien wel normaal. Iemand die de dupe is van iets, steekt de schuld normaal op wie hij het dichtst grijpen kan. Om dezelfde reden zijn trouwens ook bakkers en molenaars nooit geliefd geweest. Dat is het enige wat de doorsnee-mens ziet. Hetzelfde geldt voor de advocaten. Als men daarvoor moet betalen, voelt men zich steeds ergens gepluimd. Misschien leef ik teveel in de Middeleeuwen, zodat ik het niet weet, maar staan de advocaten nu in een geur van heiligheid? Hebben anderzijds niet alle geletterden een zeker jargon gebruikt waar – gewild of niet – de volkse mens onbegrijpend tegenover staat? En omdat hij onbegrijpend is, achterdochtig. Als een dokter aan zijn patiënt een ziekte uiteenzet, kunnen we ons afvragen: hoeveel verstaat die mens daarvan? En zo kan ik verder gaan. Neem nu de notarissen. Als wij een notarisakte horen voorlezen, kunnen we twee dingen doen: lachen of zeggen “ik begrijp er niets van”. En waarschijnlijk is dat even goed het geval wanneer historici of zelfs journalisten onder elkaar zijn.
– U begint het hoofdstuk over folteringen en marteltuigen met de woorden: “dit wordt een hoofdstukje voor sadisten en aangezien ook onze tijd er nog velen telt, kunnen zij hier misschien nog wat inspiratie opdoen” (IV, 53). Alweer dus een zekere bitterheid.
R.L.:
Dat ligt wel zo’n beetje in mijn aard. Cynisme ligt me wel ergens, moet ik zeggen, cynisme, sarcasme, ironie, spot, de grenzen zijn niet altijd zeer precies te trekken. Dat zal wel een afweermiddel zijn, denk ik, ik ben geen grote sterke vent die zich met de vuisten kan weren, dus heb ik alleen mijn tong om mij te weren. En die is misschien wel scherp, soms misschien zelfs té scherp. Ik geef dat allemaal grif toe.
– 1979 was het jaar van Tijl Uilenspiegel. Voelt u zich een Uilenspiegel?
R.L.:
Neen, ik voel me geen Uilenspiegel, omdat ik niet genoeg lef bezit. Ik geloof dat Uilenspiegel iemand was die lef had. Iemand die hetzij op een guitige, hetzij op een harde manier durfde te reageren. Ik zie mezelf echter niet goed in een heldenrol om een gewelddadige reactie te ontketenen. Ik ben dus veel laffer dan Uilenspiegel, zou je kunnen zeggen.
– Is Uilenspiegel middeleeuws?
R.L.:
Daarover zou ik eens moeten nadenken. Hij is zeker niet typisch middeleeuws. Men heeft hem al in de Spaanse tijd geplaatst, men zou hem even goed in de 19de of de 20ste eeuw kunnen plaatsen. Ik geloof dat Uilenspiegel een type is van alle tijden, die zich verzet tegen de bestaande ordening, niet noodzakelijk die van de middeleeuwen.
– Maar we zijn aan het uitweiden, mijn vraag bij het citaat van IV, 53 was eigenlijk: bent u niet bang voor navolging? Bent u niet bang dat er inderdaad mensen “inspiratie zullen opdoen” voor het plegen van misdaden?
R.L.:
Ik geloof het niet, omdat de sadisten van nu genoeg onderlegd zijn in alle methodes van alle tijden. Ik geloof niet dat ik die mensen iets nieuws leer. Ik denk dat men onder bepaalde regimes genoeg de finesses kende van het folteren. Hebt u de indruk dat daar iets nieuws instaat?
– Ik ben blijkbaar niet erg ervaren op het gebied van martelingen en dergelijke. Ik heb dus inderdaad enkele problemen gehad om dat hoofdstuk te kunnen verwerken.
R.L.:
Maar op dàt gebied schittert onze tijd niet altijd ver boven de Middeleeuwen uit. Ik denk dat men dat wel weet. Nu gebeurt het misschien enkel geraffineerder. Vroeger was het eerder fysisch, bruut geweld. Nu misschien eerder mentaal. Maar dan stel ik daarbij onmiddellijk de vraag: is dat menselijker?
– Bedoelt u bijvoorbeeld de geïsoleerde opsluiting van Baader-Meinhofleden in cellen waar altijd licht brandt en dergelijke zodat zij alle benul van tijd verliezen wat te vergelijken is met het ingemetseld worden in de Middeleeuwen?
R.L.:
Iets in die aard. Maar dan moeten we wel als correctief aanbrengen dat we toch nooit de juiste bedoeling weten. Als we bijvoorbeeld zien dat sommigen, vrouwen vooral, zich uit geloofsijver laten inmetselen. De teksten zijn daarover heel onduidelijk, in hoeverre dit nu werkelijk totale afzondering was. Hetzelfde geldt voor de afzondering van melaatsen. Is het meestal wel mogelijk dat men 20, 30 jaar afgezonderd van alles zou kunnen leven? Of leidt dat noodzakelijkerwijze tot neurosen of psychische abnormaliteiten?
– Op pagina 62 maakt u volgens mij een eigenaardig slippertje. U schrijft: “over de meedogenloosheid en de wreedheid van de Assyrische vorsten wordt in alle geschiedenisboekjes verteld, vaak met tekeningen van hedendaagse (ha)artiesten geïllustreerd”.
R.L.:
Dat is misschien een stokpaardje van mij dat ik niet kan verdragen dat men geschiedenisboekjes opluistert met tekeningen.
– U bedoelt hedendaagse tekeningen? Want ook in uw boeken staan illustraties…
R.L.:
Jaja, maar dat zijn eigentijdse. En niet iets dat ontsproten is uit het brein van een of andere, wat ik dan noem, “haartiest”: Karel de Grote met die bandjes rond zijn benen, de lange gekrulde baarden, de koehoorns van de vikingen… dat zijn allemaal van die stereotiepe dingen die bijna a priori verkeerd zijn. Ik ben ten andere een beetje tegen alles wat namaak is. Zeer concreet: als men balatum legt, leg dan balatum en geen balatum met een tekening van parket. Ik heb ook altijd gezegd: als ik ooit minister van Cultuur zou worden – maar dat zal niet want ik ben te verstandig, voegde ik daar altijd bij – dan zou ik de dood met de kogel geven aan makers van kunstbloemen. Of het nu in zijde, papier of plastic is, ik vind dat iets onechts.
– Op pagina 88 kondigt u uw vijfde deel aan, waar u schrijft dat het zal handelen over de gevaren langs de middeleeuwse wegen…
R.L.:
Niet het vijfde, wel een “later” deel… Deel vijf is al binnen en zal binnenkort verschijnen. Het heeft als titel “Heren en Boeren in de Middeleeuwen”. Met eerst een exposé over de landbouw, maar dan ook zo realistisch mogelijk: een hoeve wat was dat, hoeveel grond bevatte ze, welke dieren liepen erop, waren die even goed doorvoed als die van onze boeren, welke gewassen kweekte men vooral, enzovoort. Ook een hoofdstuk over de oorlog, waarin ik wel een beetje afreken met de middeleeuwse ridders “sans peur et sans reproche”. Zij hadden ook schrik van de dood, waarom niet? Deel zes is ook klaar. Het handelt eerst over de kerk, de misbruiken, de kloosters en dan de heksen. Misschien zou ik dan nog twee delen durven maken: een deel over de marginalen waaronder Joden, bedelaars, echte of vermeende kreupelen, vaganten en dan hier ook de pelgrims en het geboefte langs de wegen; een tweede deel dan nog over de alledaagse werkman in de steden, de ambachten, de handelaars.

Ronny De Schepper

THE MAN AND HIS SENSE OF HUMOUR, OF IK LACH ME TE BARSTEN

– “Ga heen, Bode, God behoede u, en probeer in contact te komen met mijn Vrouwe, want ik kan hier niet lang leven en genezen, als ik haar niet naakt kan omhelzen en aan het hart drukken in een kamer behangen met wandtapijten.” Waarschijnlijk zal een kamer zonder tapijten ook wel hebben volstaan! (I, 84).

– Veel van onze middeleeuwse badstoven behoorden toe aan geestelijken en kloosters. Zo kocht de bisschop van Winchester, steeds bekommerd over het welzijn van zijn diocesanen, een bordeel als investering voor de kerkelijke fondsen. Hij was allerminst van plan die vrouwtjes tot werkloosheid te doemen, integendeel, en dat niet alleen wegens een lage economische conjunctuur. Daarom noemde men in die dagen (en nog in de tijd van Shakespeare) een prostituée een “Winchester geese”, een gans van Winchester. Inderdaad, dergelijke ganzen legden heel wat eieren in de bisschoppelijke brandkast. (I, 163).

– En als een rustige wandelaar probeerde met uiterste nauwgezetheid de modderpoelen en de mestvaalten te ontwijken door dicht langsheen de muren te schutten, dan kon het nog altijd gebeuren dat een of andere naarstige huisvrouw, die boven de slaapkamers in orde bracht, met een sierlijke zwaai de inhoud van een zeer rondachtig voorwerp, dat bij voorkeur ’s nachts gebruikt wordt, over zijn hoofd zou ledigen. Dat kon zelfs de besten overkomen, zoals de Heilige Lodewijk, toen hij in de prille ochtenduren door de straten van zijn hoofdstad naar de mis kuierde en de inhoud van een “orinal” over zich heen kreeg. Verre van zich boos te maken, schonk de koning – maar hij was dan ook een heilige – aan de auteur van deze wandaad, een student, een studiebeurs, omdat hij zo vroeg uit de veren was om aan de studie te gaan! (II, 37).

– Onder het bed, hoewel een gravure van Dürer ze ons toont naast het bed, is ook de plaats voor de nachtvaas, meestal van tin of brons. Op reis was het zelfs raadzaam het precieuze voorwerp mee te nemen, want in de kamer van de afspanningen zijn ze niet te vinden en een reiziger klaagt dat hij op zijn kamer alles heeft wat niet noodzakelijk is, zoals een wijwatervatje, maar niets van wat onmisbaar geacht wordt, zoals een kamerpot. We weten niet of hij het ene voor het andere gebruikte. (II, 90).

– In de twaalfde eeuw geloofde men dat een man van sommige kwalen kon genezen door gemeenschap met een maagd te hebben; wij geloven het zeker, alles hangt immers af van de kwaal! (III, 173).

– Het was eigenlijk overbodig zijn toevlucht tot die ingewikkelde en kostbare minnedrankjes te nemen, want er bestonden even onweerstaanbare toverspreuken. Het kwam er slechts op aan ze te kennen. Aangezien ik mijn lezers die onfeilbare middelen niet wil ontzeggen, schrijf ik ze over voor wie er zijn voordeel mee wil doen. Een laatste middeltje uit de hele hoop: “Beghert ghy dat v (u) een maget (maagd) volgen sal waer dat ghy wilt: So schijvet dese characteren (hoofdletters) in v (uw) hant R/K/V/O/Qz/E/H/P/O/F/C/G/ ende roert de Maget daer mede op haer bloote buyck ende sy sal v volgen waer dat gy wilt”. Persoonlijk stellen wij het meeste vertrouwen in dit laatste recept, meer zelfs, wij menen dat het wrijven “op haer bloote buyck” al voldoende is en dat je, eens het zover is, de “characteren” achterwege mag laten. Probeer eens! (IV, 102).

– Vijf vrouwen en twee mannen zijn in Moscou tot zware gevangenisstraffen van acht tot vijftien jaar wegens het serveren van met water aangelengd bier. Op die manier hadden zij “duizenden roebel” in hun zakken laten verdwijnen. Aldus de “Moskovskaja Pravda”. Andere tijden, andere zeden, want in de Middeleeuwen en meer bepaald in Schotland werden vrouwen die slecht bier verkochten in een speciale schande-stoel (cucking-stool) voor hun woning te pronk gesteld, lezen we in het vierde deel van “Wat ’n leven” van Roger Linskens. Overigens zou deze prefect van het Sint-Niklase atheneum blijkbaar ten zeerste akkoord gaan met de uitgesproken straffen, want hij laat er ongevraagd op volgen: als je het mij vraagt, zeer terecht.

Referentie
Jan Segers, “Helpen tweeduizend jaar beschaving om betere mensen voort te brengen?”, De Voorpost, 1/12/1978.

9 gedachtes over “Roger Linskens (1922-1988)

  1. Ik bezit de delen 1, 2 ,3,6,en 7 van ‘Wat een Leven’ destijds op de kop getikt bij De Sleghte en had graag ook de andere delen.

    Zijn die nog te krijgen?

    Alhoewel ik er niet met zekerheid kan op antwoorden, zou ik zo zeggen uit mijn ervaring (die vraag is me namelijk nog al gesteld): blijkbaar niet. Ik zie ze ook af en toe nog eens op rommelmarkten of zo, maar in een boekenwinkel: nada!

    Like

  2. Geachte ,
    Ter info vorige week waren nog een paar delen te krijgen bij De Sleghte Gent , alsook De Slegte te Antwerpen .
    Ik geloof dat men telefonisch kan bestellen , en alles kan laten toekomen bij één bepaalde De Slegte winkel.
    Ik ben nog op zoek naar deel 1 Mannen en vrouwen in de Middeleeuwen .
    Alsook ben ik op zoek naar Deel 4 van Les pays de par deça van Juliaan van Belle , over Maximiliaan van Oostenrijk.

    Hoogachtend
    Erik Everaert – Drongen 01 maart 2008

    RDS: Ik bezit nog altijd deel 1, dus als je het écht niet kan vinden…

    Like

  3. RDS,
    Bedankt voor de reactie , .. doch heb intussen sedert vorige week deel 1 kunnen kopen bij De Slegte te Gent ; Dus mijn reeks is volledig !!
    Ter info bij De Slegte Gent , hadden ze nog deel 3 – 6 en 7 , .. allen in zeer goede staat .
    Ben echter nog steeds op zoek naar Deel 4 van Les pays de par deça van Juliaan van Belle , over Maximiliaan van Oostenrijk.
    MvG
    Erik Everaert – Drongen 02 mei 2008

    Like

  4. Ik ben nog steeds op zoek naar 2 deeltjes uit de serie Wat ’n leven van Roger Linskens.

    Deel 1 : mannen en vrouwen
    Deel 4 : recht etc.

    Like

  5. Mijnheer Koopmans, ik ben in het bezit van beide boeken en ben er niet speciaal aan gehecht. Omgekeerd wil ik ze ook niet per se kwijt. Ik blaas dus zowel warm als koud. Samengevat komt het hierop neer: over de prijs zullen we het rap eens zijn, maar de boeken ophalen (want ik ga ze niet opsturen) zal een heel ander paar mouwen zijn. (Onze boekenzolder bevindt zich in Dendermonde, terwijl we zelf in Gent wonen.)
    U vogelt dus zelf maar uit of u dat ervoor over heeft…
    Bovendien bestaat natuurlijk altijd de kans dat iemand anders minder moeilijk doet over zoiets. En bij mijn weten liggen er ook nog altijd exemplaren in De Slegte.
    Veel succes!

    Like

  6. Leuk om eens een interview te lezen met mijn eigen grootvader die ik niet echt bewust heb gekend. Ik denk dat ik me toch nog eens aan de reeks ga wagen, al was het maar om de bron van m’n eigen cynisme te erkennen…

    Like

  7. Inderdaad Thomas, ik dacht net hetzelfde. Die foto ken ik wel… en de verhalen over hoe hij een geschiedenisles bracht in de klas… Ik e-mail deze pagina dan ook meteen door naar mijn pa…

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s