De “vernieuwing” van de formule om de Elisabethwedstrijd op het scherm te brengen is bij mij niet in goede aarde gevallen. Vroeger stelde Fred Brouwers altijd een schitterend team samen van commentatoren. Denk maar aan mensen als Jos Van Immerseel of Sigiswald Kuijken of “ervaringsdeskundigen” zoals Robert Groslot, Rian De Waal of Rudolf Werthen. Maar dat is nu blijkbaar allemaal intellectueel gelul. Men haalt er liever een aantal jongeren bij die viool spelen in een rockgroep of weet ik veel waar en dan is men verwonderd dat de commentaren beperkt blijven tot “ik vond het goed” of “ik vond het niet goed”. En daarmee moeten we het dan doen. En al het gezwam errond is natuurlijk in het dialect, want een verzorgde taal is ook niet meer nodig. Voor wie geschiedenis nog altijd beschouwt als een evolutie naar “steeds beter” raad ik aan even te kijken. Get real!

In 1937 werd de eerste Ysaye-wedstrijd voor viool georganiseerd. Het werd vooral een Russisch succes. De vier Belgische deelnemers daarentegen maakten geen indruk. Idem dito als een jaar later er ook een wedstrijd voor piano wordt georganiseerd. Ondanks de achtste plaats van André Dumortier besluit men dat het zo niet langer kan en wordt de muziekkapel Koningin Elisabeth opgericht met het doel de Belgische muzikale elite beter op te leiden. Door de oorlogsomstandigheden komt er echter geen wedstrijd meer tot in 1951, wanneer dan meteen ook beslist wordt de wedstrijd om te dopen tot Koningin Elisabethwedstrijd en waarbij de twaalf finalisten verplicht worden zich in de Kapel terug te trekken om zich voor te bereiden.
Aangezien de parallel met grote sportmanifestaties duidelijk aanwezig is, wordt hier ook een vierjaarlijkse cyclus opgezet met oorspronkelijk na de viool- en pianowedstrijd ook een compositiewedstrijd en het vierde jaar géén wedstrijd. Het NIR/INR-orkest begeleidde de kandidaten tot de splitsing. Dan nam het Nationaal Orkest over.
In 1964 behaalde Jean-Claude Vanden Eynde het tot dan toe beste resultaat voor de Belgen: hij werd derde. Het leek wel alsof Koningin Elisabeth was gerustgesteld, want in november van het jaar daarop stierf ze.
HET DAGHET INDEN OOSTEN
Van in de jaren zeventig is er de opkomst van de “oosterlingen”. Men kan zich vragen stellen over in hoeverre deze in staat zijn deze zo typisch westerse muziek goed te “interpreteren”, maar dat ze technisch “outstanding” zijn, dat staat vast. Barokviolist Ryo Terakado heeft daar een merkwaardige verklaring voor: Japanners en Chinezen zouden hun vingers zo behendig over de vioolsnaren kunnen bewegen omdat… ze gewoon zijn met de vingers te eten!
Het jureren gebeurt anoniem met uitschakeling van de hoogste en de laagste notering. Toch sluit dit subjectiviteit niet uit. Dat de kandidaten ongezien spelen, zoals in het orgelconcours van Magdeburg, is natuurlijk niet mogelijk, maar juryleden zouden toch verantwoording moeten afleggen voor hun punten.
De Elisabethwedstrijd wordt niet officieel gesubsidieerd, maar via de Nationale Loterij eigenlijk toch weer wel. Verder worden de prijzen ook door de diverse instanties toegekend, met het half miljoen van koningin Fabiola op kop en met daarin dus ook prijzen van de nationale (2de met 400.000fr) en de regionale regeringen (5de met 250.000fr). De derde prijs wordt door de Europese Gemeenschap toegekend (350.000fr) en de vierde door graaf de Launoit (300.000fr). De organisatie van de wedstrijd neemt ook de kost van de dirigent op zich (een half miljoen) en van supplementaire muzikanten. In 1993 gingen voor het eerst ook de inkomsten van alle nevenrechten (de uitzendrechten b.v.) integraal naar de orkestleden, nadat die daarvoor bij een vorige gelegenheid actie hadden gevoerd.
De zwaarste kost van de Elisabethwedstrijd is echter die voor de jury. Nochtans krijgen de zeventien leden slechts hun verplaatsings- en verblijfskosten betaald en daar bovenop de som van 8.000fr per dag, wat uiteraard veel minder is dan wat ze met een concert kunnen verdienen.
De tweede post is de lokatie, ook al worden het conservatorium en de “kapel” gratis ter beschikking gesteld. Voor het Paleis voor Schone Kunsten daarentegen dient te worden betaald, precies omwille van de financiële moeilijkheden waar het zelf reeds inzit.
De kapel, waar voor de rest van het jaar door achttien leraars aan negen leerlingen (!) hoger muziekonderricht wordt gegeven, is eigendom van de familie de Launoit. Het onderwijs wordt er, conform de eis van koningin Elisabeth, volstrekt gratis gegeven, zelfs het verblijf en het voedsel. Rudolf Werthen logeerde er van 1965 (hij is dan 17) tot 1968 en vertelt dat men zelfs een limousine met chauffeur ter beschikking had om naar concerten te gaan. Daartegenover stond dan wel een kadaverdiscipline. Toch waaide ook daar (een klein beetje) de wind van mei ’68 en is de hele groep eens een serenade gaan geven voor een aangrenzend meisjespensionaat, waarna ze door de militaire politie werden opgepakt en teruggebracht.
Alhoewel men nog steeds volstrekt “objectief” te werk wil gaan (enkel de grootste talenten komen in aanmerking, van eender welke rang of stand, van welke nationaliteit ook), wordt er reeds van deze stelregel afgeweken door een “vrijwillige” bijdrage te vragen “naar draagkracht en vermogen” van de geselecteerden. Toch kan men zich voorstellen dat daar bovenop nog de nodige sponsors dienen te worden gevonden. De staat zorgde destijds voor zes miljoen Belgische frank, zijnde de helft van het budget, de beide regio’s staan elk voor zowat 5% in (dat kan schommelen, want zij betalen enkel voor studenten uit hun regio, in 1993 waren dat b.v. één Vlaming en twee Franstaligen, naast vijf buitenlanders), zodat 40% dient te worden gezocht in de privé. Dat gebeurt via een vzw die voor een symbolische frank per jaar de kapel huurt van Graaf Jean-Pierre de Launoit. De voorzitter van de Elisabethwedstrijd in opvolging van zijn vader Paul, die een “vriend” was van koningin Elisabeth, is “voor de kost” directeur van CLT (Compagnie Luxembourgeoise de Télédiffusion). Een dochteronderneming hiervan is RTL, waar hij dan ook in de raad van beheer zit, net zoals in die van Petrofina, Wagons-Lits, Gaumont en Brussel-Lambert. Van Royale Belge is hij ook voorzitter.
Een derde kost is de studieweek in het kasteel van Terhulpen (tussen de halve finales en de finale), die zich vooral tot de verliezers richt, die daar tegen een zeer lage vergoeding bij de juryleden om tekst en uitleg kunnen gaan. Wegens de lage prijs is dit ook een verliespost. En tenslotte dienen de “pleegouders” te worden vermeld, zonder wie de wedstrijd eigenlijk niet mogelijk is. Zij houden er (terecht) wel vrijkaarten aan over, wat naast de overweldigende belangstelling van de pers de vraag doet rijzen of er eigenlijk wel betalende toeschouwers in de zaal zijn!
Over dat toch wel speciale publiek gesproken: in de wandelgangen werd er druk gepronostikeerd en over prestaties gesproken op een manier die me behoorlijk op de heupen werkte. Ik was wellicht de enige muziekrecensent die tevens sportjournalist was, maar ik had de indruk dat dit laatste mij soms meer van pas kwam dan mijn concertervaring. Als ik b.v. merk dat er meer belangstelling is voor het bekendmaken van de finalisten, dan voor het liedrecital dat eraan voorafging, dan zie ik wel brood in het organiseren van avonden waarop voor de pauze de resultaten van de Ronde van Frankrijk en nadien de nationale voetbaluitslagen worden voorgelezen!
Sedert het einde van de jaren tachtig wordt onder druk van Gerard Mortier en José Van Dam ook een Elisabethwedstrijd voor zang georganiseerd.
COMPETITIE-ELEMENT
In het algemeen kan men trouwens de wedstrijdformule in vraag stellen. Wat de pianisten aangaat verklaarde Robert Groslot in “Wat is er van de sport?” b.v. dat er tijdens de Elisabethwedstrijd wellicht zelfs doping wordt genomen (*), ook al noemt men het niet zo. Men kan zich dan ook afvragen wat iemand kan bezielen om nog aan zo’n wedstrijd deel te nemen. Het antwoord is heel simpel. De concurrentie in de pianowereld is zo groot geworden dat men zich blijkbaar gewoonweg verplicht voelt! Dat is ook wat alle kandidaten aan Fred Brouwers vertellen, want uiteraard houdt niemand van wedstrijden op zich. Maar anders krijgen ze gewoon geen kans om voor een publiek te spelen zeggen ze. Zeker niet met orkest. Vandaar ook de gemiddeld “hoge” leeftijd, sommigen zijn vaak al de dertig gepasseerd.
Nigel Kennedy:Wat muziek en sport gemeen hebben is het teamwork. Ik speel niet individueel, ik speel altijd met andere musici. Het verschil is dat er geen competitie in muziek bestaat. In sport heb je winnaars en verliezers. In muziek heb je geen winnaars en verliezers. Dat Elisabeth-concours voor jonge musici is een schandvlek voor de muziek. Een jury velt het vonnis. Iemand met oorspronkelijke invallen, komt nooit door de eerste schifting, ze kijken naar technische prestaties. Maar muziek gaat over communicatie, niet over techniek. (…) In zo’n jury gaan plaatsnemen, getuigt al van grote arrogantie. En van een verkeerde visie op muziek maken: jonge musici leren dat ze beter moeten zijn, anderen moeten verslaan in een duel. Heel wat talenten lopen littekens op voor het leven. Als je een gevoelige kunstenaar bent, zul je verliezen; een ongevoelige ziel die op techniek steunt, zal winnen.“(DS Magazine, 2/7/93)
Bij piano doet dit verschijnsel zich nog nadrukkelijker voor dan b.v. bij viool, omdat het in essentie toch een solo-instrument is en als men dan faalt als virtuoos, dan rest bijna alleen nog lesgeven (men kan niet in een orkest terecht). Misschien zijn de Aziatische kandidaten daarom niet toevallig vaak vrouwen omdat die tegen hun omgeving hebben moeten rebelleren om het waar te maken.
Op die manier is het competitieve element eigenlijk natuurlijk op z’n plaats! “Men mag niet toegeven aan dat soort stress,” vindt Sigiswald Kuijken. “Het publiek trapt daar natuurlijk graag in, denken we maar aan het ongelooflijke succes van een Elisabethwedstrijd. Het is natuurlijk wel goed dat dit een aanzet is om naar muziek te luisteren, maar het competitieve element is nefast. Al is de laatste jaren de jury iets meer flexibeler geworden en krijgt men toch wat meer variëteit onder de kandidaten, zodanig dat het nu toch niet meer zo is dat degene die het vlugste kan spelen ook de gedoodverfde winnaar is.”
Maar betekent dat ook dat men fouten mag spelen?
Sigiswald Kuijken: “In mijn ogen mag men fouten spelen, al moet men het wel proberen te vermijden uiteraard. Niemand is echter onfeilbaar en als het gebeurd is, is het gebeurd. Als men grote ervaren pianisten als Wilhelm Kempf of Arthur Rubinstein op fouten in hun concerten zou gaan aankijken, dan zouden heel wat van die concerten in de prullemand mogen. Dat kàn toch niet? De echte waarde ligt toch niet in het aantal fouten dat men speelt, maar in de expressie en in de ervaring die men doorgeeft. En als men het echt niet kan, als men echt te veel fouten speelt, dan is men gewoon geen muzikant, dan spreken we daar niet meer over, zo simpel is dat.”
Eigenlijk is dit een variatie op wat componist Ferdinand Ries vertelt over de pianolessen die hij van Ludwig van Beethoven kreeg: “Als ik in een passage iets verkeerd deed, noten verkeerd aansloeg of intervallen (…) miste, zei hij zelden iets; als ik echter in de expressie van crescendo’s enz. of in het karakter van het stuk te kort schoot, werd hij boos, omdat, zoals hij zei, het eerste een ongelukje was, het andere echter gebrek aan kennis, aan gevoel of aan aandacht was.”
Ook Jos Van Immerseel houdt meer van een uitvoering met een foutje maar die aangrijpt dan van een vlekkeloze maar saaie vertolking. Hij illustreerde dit merkwaardig genoeg met een voorbeeld uit het wielrennen: als een renner valt, dan is dat niet zo erg, als er maar spanning in de wedstrijd zit. Waarop Rian De Waal, gevat: “Ja, maar als-ie valt terwijl hij gewoon wat rondjes aan het draaien is, zou het toch niet mogen.”
De viool staat reeds sedert de oertijden symbool voor het vrouwelijke geslachtsdeel, maar meisjes hebben blijkbaar écht een voorkeur voor dit instrument. Kijk maar naar de Elisabethwedstrijd 1993 toen op de 63 deelnemers er niet minder dan 40 meisjes waren.
Bovendien is er bij de vioolwedstrijd nog een speciaal aspect. Liviu Prunaru b.v. bespeelde een Guarneri uit 1676, hem door een Zwitserse maecenas uitgeleend zolang hij woont en werkt in Gstaad. Dat is toch een onderscheid t.o.v. de wedstrijd voor piano, waarbij iedereen op dezelfde piano moet spelen. Jaap Schröder stelde dan ook voor om toch tenminste één opgelegd stuk te hebben dat door ieder op een zelfde viool dient te worden gespeeld.
Van een heel andere aard, maar even terecht, is de opmerking van Jo Paumen dat de vrouwen bevoordeeld zijn omdat ze in hun kledij reeds de sfeer kunnen weergeven, waarin zij hun keuzeconcerto zien. (Om dan nog te zwijgen van neveneffecten zoals bij Jennifer Frautschi, die bij iedere buiging haar jonge tietjes toonde aan de oude rukkers in de jury.)
Er zaten overigens dat jaar slechts drie vrouwen in finale. Ook dat is een overdenking waard. Volgens Rian De Waal kunnen vrouwen niet altijd het grote repertoire aan, precies omdat ze hun tengerheid proberen te “overcompenseren”. Zo was de Tsjech Igor Ardasev veel “vrouwelijker” dan de Koreaanse zwemkampioene Haesun Paik b.v. “Waarom dan geen Saint-Saëns gespeeld?” vroeg Rian zich in haar geval af en de mooie Japanse Chiharu Sakai gaf hem de dag nadien gelijk.
Piano geeft ook meer aanleiding tot “bekken trekken” dan viool, maar ook daar kan dat. Zoals altviolist Thomas Kakuska van het Alban Berg Kwartet zegt tegen Stephan Moens in “De Morgen” van 18/02/1994: “Op een altviool kun je eigenlijk alleen mezzoforte spelen. Speel je luider, dan krast het; speel je stiller, hoort niemand wat. Ik zeg altijd aan mijn studenten: je moet een ander gezicht trekken. Je moet een pianissimo-gezicht hebben, een forte-gezicht, maar spelen moet je altijd luid.”
Over dat ‘voor de galerie spelen’ of ‘het plafondkijken’ is trouwens heel wat te doen geweest. Dat komt immers niet eerlijk uit de muziek voort, maar is eerder berekend op een effect op het publiek. Volgens Rian De Waal wordt het zelfs aangeleerd! En Yehudi Menuhin bevestigt dit in Humo: “Ik ken een pianist die op de partituur aanduidt waar hij, om het meeste effect bij zijn gehoor te sorteren, zijn hoofd moet achteruit gooien, emotioneel moet kijken, diep moet ademen, zijn linkerhand een dramatisch ogenblik onbeweeglijk in de lucht moet laten zweven… en dat allemaal spontaan doet lijken.”
Blijft dus bij ieder individu de vraag: is het echt of is het fake?
Wieland Kuijken: “Blinden luisteren het best, denk ik. Want wij luisteren ook met onze ogen. Veel subjectiever dus. En dan heb ik het nog niet eens over de knappe violiste die op het eerste gezicht mooier speelt dan het lelijke eendje. Probeer het maar eens uit. Neem twee precies dezelfde violen en laat er dezelfde muziek op spelen. Maar schilder de ene blauw en de andere wit. Ik geef het je op een blaadje: de blauwe viool klinkt anders dan de witte. We luisteren altijd met de ogen.” (DS Magazine, 28/11/1997)

Ronny De Schepper

(*) In de Gazet van Antwerpen van 17 mei 2013 wordt hij daarin bijgevallen door Levente Kende.

Overzicht
1978
1980 de wedstrijd zelf
1980 laureatenconcert
1983
1985
1987
1991
1992
1995
1996
1997
1999
2008
2017 de eerste Elisabethwedstrijd voor cello

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s