De Rode Pomp (1993-2009)

De slogan van deze blog, “dagelijks iets degelijks”, heb ik ontleend aan André Posman, de baas van De Rode Pomp in Gent, die vandaag twintig jaar geleden feestelijk werd geopend. Zestien jaar lang heeft André getracht deze slogan waar te maken door bijna dagelijks degelijke klassieke muziek te programmeren in zijn concertzaaltje in de Nieuwpoortstraat. Maar uiteindelijk heeft de eigenaar het zaaltje verkocht aan een projectontwikkelaar en Dré kon naar de pomp lopen. Eind 2009 werd het zaaltje afgebroken…

Met zijn door hem opgerichte vzw “De verenigde cultuurfabrieken” wilde André Posman, die ook al aan de wieg stond van Studio Skoop, de Gentenaars opnieuw van spirituele brandstof voorzien. Want spiritualiteit, daar draait het om in de Rode Pomp of, zoals Posman het zelf formuleert: niet grensverleggend maar centrumzoekend. Dat “grensverleggende” heeft al genoeg onheil aangericht in het theater, zegt Posman. “Schelden, roepen, tieren, pis en poep, ze weten niet meer waar ze naartoe willen.”
Eigenlijk ben ik het daarmee eens, maar naar aanleiding van een optreden van Caroline Rottier van “De Parade” met haar “Slide Show” die door Posman tijdens de Gentse Feesten 1995 te sexy werd geacht voor de Rode Pomp (een betere reclame is natuurlijk nauwelijks denkbaar), heb ik toch enige bedenkingen. Want in de Rode Pomp moet het “zich goed voelen” centraal staan. Maar voelt Posman zich niet goed bij erotiek, soms? (*)
Anderzijds wil dat niet-grensverleggende nu ook weer niet zeggen dat De Verenigde Cultuurfabrieken platgetreden paden bewandelen. Hedendaagse componisten vinden er b.v. een bereidwillig gehoor en ook liefhebbers van de zogenaamde “authentieke uitvoeringspraktijk” (van barokmuziek) komen er aan hun trekken.
Omdat het theater dus niet meer tot spiritualiteit in staat is, wilde Posman zelf theater brengen dat in verbinding staat met de muziek: kleine kameropera’s met andere woorden. Was immers niet het feit dat hij de librettist was van deopera “Hercules Haché, the adventure of a professor” van zijn broer Lucien (foto) de aanleiding om met de Rode Pomp te starten?
André Posman: Wel, enkele jaren geleden heb ik enorm veel gevaren. En op zee heb ik een ongelooflijke schoonheidservaring opgedaan, veel meer dan in de musea. De natuur is zo groot, zo machtig. En bij haar heb ik steeds mijn evenwicht teruggevonden. Op een gegeven ogenblik stond ik voor de keuze. Ofwel starten met De Rode Pomp, ofwel een boot kopen en de wereld rond varen. Ik heb uiteindelijk gekozen voor De Rode Pomp. Maar het is veel, veel moeilijker. Toch ga ik er mee door. Ik geloof nu eenmaal in het belang van hogere waarden, niet alleen voor mezelf maar voor de hele maatschappij. Voor die hogere waarden ben ik bereid te blijven ijveren.
In afwachting wil André van ieder concert een theatrale gebeurtenis maken. Om daartoe bij te dragen, vindt elke concertreeks plaats binnen een bepaald decor van telkens weer een verschillend artiest (Posman is zelf ook plastisch kunstenaar), is er telkens een uitgebreide toelichting over de gespeelde werken (Posman is ook schrijver-leraar) en is er een alcoholvrij drankje ter beschikking. Op dat alcoholvrije legt Posman nogal de nadruk, al moet ik toegeven dat ik klassieke concerten op dat vlak nog zelden uit de hand heb zien lopen (in tegenstelling tot popconcerten b.v.).
In zijn tijdschrift keert Posman zich trouwens ook tegen “het opgefokte snobisme dat bij andere klassieke concerten vaak prominent aanwezig is.”
“Het zit nog te veel in de katholieke sfeer,”
zegt Posman, maar hij keert zich ook tegen de marxisten: “Het is net het omgekeerde: de bovenbouw moet de onderbouw worden. Slechts met een reine geest kan de economie goed draaien. De oude waarden dienen in eer te worden hersteld. En daar is veel positieve energie voor nodig.”
Maar in 1995 ging hij dan uiteindelijk toch over tot de organisatie van “The Chester Mystery Plays”. Dit moest dan wel doorgaan voor positief theater, maar het stond bol van het amateurisme, waardoor Posman weer op de kritiek kon gaan schelden, vooral toen er in oktober ’96 een “vervolg” kwam op zijn toneelpolitiek met “The imaginary invalid” van Molière. “Theater komt, zoals wij nog konden leren op de middelbareschool, van het Griekse ‘theou’ en ‘atrion’: dat wil eigenlijk niets anders zeggen dan ‘de huiskamer van de goden’. De theaterbezoeker zou dus volgens de letter eigenlijk moeten kunnen genieten van een hooggestemd, verheven en verhelderend spel, dat hem telkens weer herinnert aan een of ander aspect van de natuur van het goddelijke, ter vervollediging van zijn eigen menselijke bestaan. Okee, maar wat gebeurt er nu? Tachtig procent en zelfs meer van de actuele theaterproductie is technisch steeds perfecter ‘diabolater’: de toeschouwer wordt op brutale wijze de hel ingeduwd, met de boodschap ‘wie peinstge wel dat ge zijt, gij lelijke duivel!’ Wij wilden dat echt niet meer meemaken en hebben daarom met enkele gelijkgestemde Europeanen en zelfs Amerikanen en Russen de krachten gebundeld om de TEV-company in gang te trekken, Theatre of Eternal Values, gewoon origineel theater dus. (…) TEV wil u niet kraken, beledigen, vermoeien, vervelen, choqueren, bevuilen, maar sterken, verrijken, integreren, verheffen, het allerschoonste in u naar boven brengen. In De Rode Pomp mag dat! En de theaterkritiekers mogen ook komen, maar alstublieft niet kwaad worden omdat ge u niet slecht begint te voelen…”
Ondanks het feit dat hij zijn eigen filosofie dus volstopt met oosters spiritualisme, keert André Posman zich in de programmaverklaring van de Rode Pomp toch tegen New Age, tegen repetitieve muziek in het algemeen en zelfs tegen veel wereldmuziek. Namen noemt hij niet en dat is een beetje jammer, want die verbinding tussen minimalisme en mysticisme vinden we vooral in Oost-Europa en dat is juist de geografische plek op de wereldbol waar Posman vaak zijn mosterd haalt.
Daarnaast staan ook uitheemse culturen vaak in het zonnetje. En aangezien de zon opkomt in het oosten, is het meestal in die richting dat men het gaat zoeken. Soms min of meer dichtbij (Hongarije, Rusland), maar soms ook heel ver. China en Japan komen geregeld aan de beurt (o.m. dankzij de medewerking van opera-klarinettist Fang Song), maar sinds kort heeft Posman zich ook naar India gericht.
Dat spiritualiteit echter niet rendeert in deze twintigste eeuw zal wel niemand verbazen. Over de toelagen van stad en provincie wil hij niet klagen, het probleem is alleen dat ze altijd zeer laat aankomen. Bovendien krijgt hij alleen als concertvereniging een structurele subsidie en moet hij verder per project naar geld hengelen. Met zijn Belgische componistenfestival heeft Dré Posman wel goed gescoord bij de Vlaamse regering. Toch wil Posman ook privé-sponsors over de brug halen, desnoods met heel drastische ingrepen (het logo verwerkt in het decor b.v.). Voor een concert mag je zo’n 80.000fr kosten rekenen (en dan nog met de goodwill van de artiesten die in de Rode Pomp 5 à 6.000fr vragen i.p.v. de normale prijs van 30.000fr) en als de zaal vol zit, betekent dat toch nog maar 30 à 40.000fr inkomsten. Dré Posman heeft dan ook ook allerlei steunfondsen opgericht: voor de vzw, voor de componisten, voor de uitgave van CD’s enz.
Toch luidt Andre Posman opnieuw de alarmbel. Als hij de balans opmaakt, komt hij tot de conclusie dat men per concert een deficit heeft dat schommelt tussen tien en vijftien duizend frank. Aangezien er in de Rode Pomp geregeld concerten zijn, komt dat op zo’n honderd duizend frank per maand. “Als die putten niet gevuld worden, stoppen we ermee,” laat Posman weten: “We zijn wel een beetje onnozel, maar niet gek!” Daarom doet hij een oproep tot de mensen die de Rode Pomp een goed hart toedragen om maandelijks honderd frank te storten. En wie de weg naar de gezellige concertzaal in de Nieuwpoortstraat nog niet heeft ontdekt, die krijgt weer de kans via een programma, waarvan de voornaamste lijnen behouden bleven. Muzikaal gezien bestrijkt de programmatie van de Rode Pomp de hele muziekgeschiedenis. Barokmuziek wordt er in kleine bezetting op authentieke instrumenten gespeeld. De klassieke periode komt vooral aanbod in de vorm van strijkkwartetten, terwijl voor de romantiek terecht de piano als typisch instrument werd uitgekozen. En tenslotte is er veel aandacht voor het hedendaagse repertoire en dan meer specifiek voor onze eigen componisten. Samengevat wil concertorganisator André Posman in tegenstelling tot andere vernieuwers niet naar “het extreme” gaan, maar naar “de kern”. Wat hij daarmee precies wil zeggen, blijkt b.v. uit de tekst die hij verspreidt als hij moet uitleggen waarom nu juist een postmodernist als Boudewijn Buckinx zo welkom is in de Rode Pomp. “Wat is dat voor iets, postmodernisme? Wel dat wil zeggen dat Boudewijn alle muzikale waters van na W.O.II heeft doorgezwommen. Dat hij alle klankrariteiten heeft beoefend, alle muzikale grenzen heeft bekeken en drastisch overschreden, de grenzen in het noorden, in het zuiden, het westen en het oosten, en tenslotte, afgemat van grensoverschrijding, probeert terug te keren naar de hoofdstad van de klassieke vormentaal, zonder daarom de bruikbare exotische specialiteiten, die hij onderweg heeft geleerd, fanatiek te verwerpen. De vogeltjes fluiten ook zonder zich te bekommeren over atonaal of tonaal, en iedereen vindt de vogeltjes mooi fluiten! Wie zegt nu: dat lelijke gezang van al die vervelende vogels? Niemand toch? Dat denk ik steeds bij mezelf, als ik aanvallen hoor op onze compatriotten-componisten. Dus: bij Boudewijn moogt ge u aan alles verwachten, als het maar de schoonheid, de geest, de uitdrukking van het zuivere verlangen ondersteunt, en als het maar het allerschoonste in de mens helpt naar boven te brengen. We willen maar zeggen dat Boudewijn Buckinx beschikt over een ongewoon breed muzikaal palet en slechts het lelijke schuwt, wat niet van iedereen kan worden gezegd!”
In dezelfde optiek schaart Posman zich ook achter Ed De Boer, alias Alexander Comitas (**). “Hij meent,” schrijft Posman, “dat de dwang om ‘origineel’ te zijn heel erg weegt op de hedendaagse componist en meer schade dan goed teweegbrengt. Het afwijzen van de tradities brengt doorgaans een verlaging van de kwaliteit met zich mee. Hij zoekt in de muziek van zijn tijdgenoten het ‘mooie’, maar al te vaak is dit spoorloos. Hij voelt zich de spookrijder onder de Nederlandse hedendaagsen: de grote stroom zit immers vast in modernistische dogma’s. Maar hij heeft goede hoop: het bastion van het modernisme dat de mensen heeft weggejaagd van klassiek, dat de klassieke muziek heeft ‘ontmooid’ en dat, naar wat blijkt uit een heftige rel in Engeland omtrent dat thema, nog slechts verdedigd wordt door enkele deugnieten van muziekwetenschappers, die er hun kost mee verdienen, maar thuis naar Wagner zitten te luisteren, en door enkele goed gesubsidieerde oudere componisten die het monopolie hardnekkig verdedigen, wel dat bastion wordt nu moedig ingenomen door jongere componisten die het beu zijn en het vak willen leren en uitoefenen zonder vrees voor de modernisten. Dus: net zoals vroeger!”
DE AFWEZIGE PERS
Bij de jaarwisseling ’96-’97 stuurde Dré Posman de journalisten een “nieuwjaarsbrief”, waarin hij hen voor het vuil van de straat uitschold omdat hij in het voorbije jaar slechts twee recensies had gekregen. Eén van dé Frank Pauwels (uiteraard) en één van Ernaatje, zoals Dré zelf zegt. In 1998 kondigde hij dan ook aan dat dé Frank Pauwels in de Rode Pomp een cursus zal geven: “Hoe schrijf ik een goede recensie, of wordt ik muziekjournalist?” Wel, geen dt-fouten schrijven zou alvast een goed begin zijn…
Heeft hij in de grond wel gelijk dat uitwassen als de zaak Dutroux voor een gedeelte te wijten zijn aan het feit dat kranten meer aandacht besteden aan sensatie dan aan cultuur, dan is het wel erg ongepast om dit juist die arme freelancers te verwijten, die geen enkele ruimte krijgen vanwege de redactie.
André Posman verdedigt zijn standpunt: “Als we een pianoconcert (***) presenteren met een onbekende maar uitstekende pianist, en er zitten 50 mensen in een zaaltje waar 120 het maximum is, dan beschouw ik dat als een geslaagd concert. Maar dat resulteert natuurlijk in een financiële opdoffer. Op die manier worden we erg afhankelijk van subsidies en sponsoring. En daar kruipt onvoorstelbaar veel tijd in. Als er hier een uur gewerkt wordt, dan is dat één minuut voor de programmatie en 59 minuten om geld te zoeken en de administratie te beredderen. Dat gezegd zijnde stel ik vast dat Gent een stad is met 300.000 inwoners. Als we er nu naar streven dat we tussen de 30 en de 60 man per dag over de vloer krijgen voor een kamermuziekconcert van uitmuntende kwaliteit, dan lijkt me dat toch niet zo hoog gegrepen. Kijk eens naar de Decascoop, dat bioscoopcomplex krijgt dagelijks enkele duizenden mensen op bezoek. Dat vindt iedereen normaal. Niet onbelangrijk is ook de vaststelling dat De Rode Pomp het enige podium is – niet alleen in Gent, maar in België – waar op vaste basis minimum zoveel pianoconcerten gegeven worden op een jaar. Ik heb hier wel al veertig pianisten over de vloer gehad die smeken om een optreden. Die zouden het voor niets doen. Is dat nu een toestand? Ook hier speelt De Rode Pomp een onvervangbare rol. Eén concert op drie situeert zich op topniveau, en één concert is er om een kans te geven aan mensen die wij (en het publiek) nog niet kennen. Maar waar we wel vertrouwen in hebben. Je kunt niet alleen maar topconcerten geven, je moet aan jonge kunstenaars de kans geven om onder fatsoenlijke omstandigheden hun weg te zoeken. Nu, om een grotere publiekstoename te realiseren is er één ding nodig: reclame. De mensen moeten De Rode Pomp even goed weten liggen als de Decascoop.
En dat is nu het probleem: de pers doet niets voor De Rode Pomp en voor gelijkaardige initiatieven. Het criterium is tegenwoordig dat elke regel die geschreven wordt, moet opbrengen. Ik vind dat immoreel. En dat geldt niet alleen voor de kranten van de VUM, maar ook voor De Morgen. Overlaatst heb ik nog in De Morgen een artikel gelezen over The Rolling Stones. Wel, daaruit bleek vooral dat hun vorige tournee 14 miljard heeft opgebracht. Maar verder staat daar niets van waarde in. Ik begrijp trouwens niet dat zelfs kwaliteitskranten over house en hiphop en al die toestanden schrijven alsof die rommel eenzelfde intrinsieke kwaliteit heeft als klassieke muziek. Dat is pertinent onwaar.
Op die manier wordt het publiek – en vooral juist de jongeren – informatie onthouden over kwaliteitsvolle evenementen. Ik ga één voorbeeld geven. Er komt hier al drie jaar een Russische bas, Feodor Kuznetsov, een topzanger uit Sint-Petersburg en een van de topmensen uit het gezelschap van Valery Gergiev. Deze Gergiev nu is een van de grootste Russische dirigenten die in Salzburg bij Mortier een grote opera gedirigeerd heeft, Boris Godoenov. Kuznetsov speelde daarin een van de hoofdrollen. Hij heeft deze winter nog bij mij gelogeerd voor een reeks concerten in het kader van het Vlaams Symfonisch Orkest, waaraan ik hem had geholpen. Welnu, neem nu Stephan Moens van De Morgen, die heeft hier nog nooit een voet binnen gezet. Maar hij gaat wel naar Salzburg, en dàn schrijft hij wél over Kuznetsov.
Het gevolg van dit alles is, dat wij moeten adverteren als we iets bekend willen maken. Maar we hebben geen geld. Ik kan toch geen advertentie van 30.000 frank zetten voor een concert dat maar 15 à 20.000 frank kost? Voor de opera van Buckinx heb ik zeker voor 150.000 frank advertenties geplaatst, en dat voor een budget van 1,5 miljoen frank. Dat is niet te harden.
Ik ben van plan om, van zodra ik de tijd vind, de bazen van de VUM te gaan opzoeken en hen te zeggen wat ik ervan denk.”

Dat heeft hij ondertussen ook gedaan. En wat antwoordde Dirk Musschoot? “Je denkt toch zeker niet dat wij er zijn om reclame te maken voor uw concerten, dat wij uw zaal moeten vol krijgen?”
Daarom neemt Posman sedertdien in zijn tijdschrift zelf recensies op “om het mankement van de pers proberen op te vangen”. Maar dat moet dan wel gebeuren “met het oog van God”.
Enige uitleg, mijnheer Posman?
A.P.: Er is een oud Perzisch verhaal, dat vertelt hoe de duivel van God op de aarde mag komen als Satan, d.i. als eerste minister van de koning. Overal reist hij in het land rond en kijkt rond met de ogen van de koning, d.i. hij kijkt met volle aandacht scherp toe tot hij de menselijke fouten en onvolkomenheden ziet, om hen daarna in de naam van de wet te kunnen straffen. Hij kijkt tot hij het boze, het verkeerde, de fout ziet… Maar in hetzelfde verhaal wordt ook gekeken met de ogen van God: dat wil zeggen dat de volle aandacht toegespitst wordt op het goede, het positieve, dat daardoor groeit, tot de fout in de schaduw van het goede op den duur verdwijnt en wegsmelt… De recensenten zal gevraagd worden te kijken en te luisteren met het oog en het oor van God, in de zin van dat oude Perzische verhaal…
En om het allemaal nog wat erger te maken, haalt Posman in datzelfde elan ook uit naar “een zestal muziekjournalisten die de scène beheersen”, waardoor “de toestand zo corrupt geworden is, dat je goede kritieken zelfs al kunt kopen!”
DE RUSSEN KWAMEN!
– Heel wat artiesten uit het vroegere Oostblok hebben bij u een kans gekregen. Hoe bent u met die mensen in contact gekomen?
A.P.:
Wel, die zijn gewoon aan de deur gekomen. Een en ander gebeurde via het Nieuwpoorttheater, die een Russische theaterman naar hier had gebracht, Grimenko. Twee van de mensen van zijn gezelschap logeerden hier bij mij en een ervan was Boris Schopovalov. Dat is geen musicus, maar een schilder, en een heel goeie schilder. Boris had een aantal kleine werkjes mee, van een werkelijk fantastische kwaliteit. Ik heb er een aantal hier gehouden en verkocht in mijn galerie “La Perseveranza”. Een paar maand nadien ben ik naar zijn atelier gegaan in Sint-Petersburg. En in zijn atelier trof ik werkelijk een enorm oeuvre aan. Die mens van in de veertig had zijn hele leven geschilderd, en dat stond daar allemaal. In mei 1993 heb ik dan een grote tentoonstelling van hem gehouden. En het is naar aanleiding van die tentoonstelling dat ik beslist heb om ook een concertzaaltje te maken, een podium voor kamermuziek en kleine opera’s onder het motto “Dagelijks iets degelijks”.
Via Boris heb ik in Sint-Petersburg ook contact gekregen met het Rimsky-Korsakovmuseum, waar ook een kamermuziekpodium eerste klasse is. In dat kader heb ik dan weer kunnen kennis maken met de pianist Joeri Serov. En die zorgt er op zijn beurt dan weer voor dat we hier de crème de la crème van de Russische musici over de vloer krijgen. Zo zocht hij de hele crew voor Buckinx’ opera “Karuna, the Mermaid” bij elkaar.
Dat was toch een unieke productie: Vlaams van componist, Vlaams van orkest, Wit-Russisch van regie en met zangers uit Sint-Peterburg – onder andere Feodor Kuzmetsov. In Sint-Petersburg behartigt hij ook de Vlaamse belangen. Zo zorgde hij voor Ex Tempore in Rusland, voor het Iepers Kamerkoor van Cottignie, voor een grandioze uitvoering van Dirk Brossé’s “Artesia” door het Symfonisch Orkest van Volvograd. Ook onze eerste CD, met Yuri Serov zelf aan de piano, is dank zij onze Russische vrienden tot stand gekomen.
HET TANTE NONNEKE VAN ANDRÉ POSMAN
Onlangs stond er in de krant als grote titel: “Tante carjacker vangt kogel in de borst”. O tempora, o mores! Waar is de tijd dat iedereen in Vlaanderen in plaats van een tante carjacker nog een tante nonneke had! Wel, André Posman van de Rode Pomp, die heeft er nog één. En wat voor één. Men kan haar schilderijen in zijn galerij La Perseveranza gaan bekijken.
Laten wij Posman zelf aan het woord in zijn tijdschrift. Wie kan haar immers bloemrijker omschrijven dan the man himself, die bij wijlen een reïncarnatie lijkt van een of andere Vlaamsche heimatschrijver?
“Mijn lieve tante Zuster Gemma, die als artieste onder de naam ‘Raghel’ door het leven gaat, is de jongste zus van wijlen mijn geliefde moeder Bertha. Zij is in 1923 geboren als Mariette Cochuyt, te Maldegem, in de laatste boerderij van de wijk Broekhuize, een idyllische plaats, helemaal omgord door prachtige, groene meersgronden. Haar vader was molenaar van de laatste Maldegemse molen, en nadien vlasboer, zoals ook mijn vader dit was tot de Tweede Wereldoorlog. Daar geboren worden, daar opgroeien, is zowat het mooiste geschenk dat iemand als kind kan krijgen: temidden van de volle natuur, met koeien, katten, honden, kippen, schapen, konijnen, merels, mussen, duiven, uilen, vinken, paardenwachters, allerlei soorten kevers en insecten, beemden en boomgaarden, heggen en hagen, struikgewas, kanten, moestuinen, bloementuinen. Dat alles is nu beton, gazon en garage, en de meersen zijn van bosschage en bomen gepluimd. De mensen leren nu van TV en de computer. Hoe spijtig!”
“Mariette volgde lagere school ter plaatse. Zij heeft de kladschriftjes nog uit die tijd, en die tonen reeds dat zij plastisch heel begaafd was… Doch niemand in haar directe omgeving onderkende haar talent, laat staan dat zij werd gestimuleerd naar de academie te gaan. Dat was ondenkbaar.”
“Een grote rol heeft Cardijn in haar leven gespeeld: van 12 jaar af werd zij kajotster. Zij dronk de geest van Cardijn op, wiens thema een christelijk geïnspireerde nieuwe menselijke waardigheid was voor boeren en arbeiders.”
“Ondertussen tekent zij niet, maar speelt muziek. Bij de zusters Maricolen in Eeklo volgde ze een muziekcursus, en sedertdien is de banjo een vast onderdeel van haar artistieke leven. Ze schrijft ook intens en vele, vele gedichten.”
“En toen, na W.O.II, in ’49, geschiedde wat vaak of zelfs meestal gebeurde in die tijd, met katholieke jonge vrouwen die geen véélheid aan richtingen kenden om hun sterke artistiek-spirituele aandrang te sturen: ze werd non. ‘God riep me naar het kloosterleven bij de zusters Maricolen.’ In ’49 dus ging ze ‘binnen’. En na 5 jaar studie voor huishoudelijk regentes in de Gentse Tweebruggenstraat gaf ze van 1955 af gedurende 30 jaar les, in de middelbare school der zusters Maricolen, op de Markt te Maldegem.”
“Ondertussen schildert ze. Op haar veertigste vindt ze het welletjes geweest, en neemt zij de draad uit haar kinderjaren weer op. Het is niet meer tegen te houden: ‘Mijn eerste of mijn tweede roeping,’ zegt ze daarover.”
“In den beginne doet haar werk romantisch-fauvistisch aan, barsten de kleuren er uit. Ze heeft een ‘oranje’ periode, getuigend van onstuitbare scheppingsdrang, en een blauwe periode, die meer bedoeld is om zachtere emoties op te roepen. Ze experimenteert vol zelfkritiek. Ze werkt een tijd expressionistisch. Ze blijft in elk schilderij zoeken naar schoonheid, en in elk van haar werken schuilt een krachtige positieve geest.”
“Zij verft grote formaten, schildert heel veel buiten, met de fiets, of met de auto. Als ze met pensioen gaat is ze niet meer te stuiten. Ik weet niet hoevéél werken zij heeft geschilderd. Omdat zij een geliefde persoon is in Maldegem en omstreken, hangen daar nu honderden ‘Raghels’ aan de uren, vaak op plaatsen waar anders helemaal géén schilderijen zouden hangen.”

PURE WAANZIN?
– Anderzijds schilder je in het editootje van je tijdschrift de toestand van “De Rode Pomp” in ronduit apocalyptische termen af. Je hebt het letterlijk over een “apocalyptisch overlevingsepos”.
A.P.:
Hoe komt het dat kamermuziek zo weinig aan bod komt? Dat organisatoren één voor één afhaken? Omdat het niet genoeg opbrengt. Welnu, als wij ons als progressieve cultuurmensen neerleggen bij het dictaat van de kapitalistische opbrengst, dan gaat alles om zeep. Ik zie mijn project dan ook als een element in de oorlog van het schone tegen het lelijke, van het goede tegen het kwade en van het valse tegenover het echte. Als ge het louter economisch bekijkt, is het pure waanzin wat wij hier doen in De Rode Pomp. Maar ik geloof dat er ook zoiets bestaat als een spiritueel rendement. Ik zie dat zeer simpel in termen van het goede en het kwade. Als we onze concerten bekijken tegen de achtergrond van de zaak Dutroux, van de wijdverspreide corruptie, van de door de media veroorzaakte toenemende verdwazing, dan vind ik dat onze concerten het goede stimuleren. En dat er subtiele verbanden bestaan in de wereld en in de maatschappij, waardoor dat goede ook doorwerkt in de samenleving. En omgekeerd, wanneer hoogstaande cultuur geen kans meer krijgt, dan gaat de samenleving in haar geheel achteruit. Dat is mijn innigste overtuiging.
Een belangrijke rol speelt hier natuurlijk ook het onderwijs – je weet, ik ben historicus van vorming en geef nog altijd les aan Sint-Lucas hier in Gent. Het is niet voldoende om geld te pompen in het onderwijs, het onderwijs moet doordesemd zijn van artistieke en zuiver wetenschappelijke waarden, terwijl nu het plat materialistische geldgewin er al zeer vroeg wordt ingepompt. Zo dirigeert men de kinderen nu al in winstgevende beroepsrichtingen als ze nog maar twaalf jaar zijn, of dertien of veertien. Dat is gewoon nefast. Die kinderen moeten opgevoed worden in een geest van waarheid, van schoonheid, van goedheid. En de rest volgt dan wel vanzelf.
– U klinkt vaak als een onversneden cultuurpessimist. Zie je dan nergens meer hoopvolle tekenen?
A.P.:
Ik ben helemaal geen cultuurpessimist. Ik krijg trouwens de indruk dat men in de culturele centra bijvoorbeeld het gebral en geraas van de pophelden beu wordt. Dat de directies een zeker tekort beginnen aanvoelen. Hier en daar wordt al eens een klassiek concert georganiseerd. En het is ook een van de doelstellingen van De Rode Pomp om daar een stimulator voor te zijn, voor deze ontwikkeling ten goede. Helaas zijn we met te weinig mensen om dat werkelijk systematisch aan te pakken. Maar er zijn wel al een paar culturele centra waarvoor wij iets georganiseerd hebben. Gezien onze ervaring zijn we immers zeer goed geplaatst om te zien wie of wat erg goed is maar nog niet voldoende aan zijn trekken komt. Er is trouwens ook de economische kant van de zaak. Er zijn pakweg 100 culturele centra, 100 podia. Stel je nu eens voor dat die culturele centra 30 concerten zouden geven. Dat zijn dus 3.000 concerten per jaar! Tientallen uitstekende muzikanten zouden werk vinden. En dan is er nog de spin-off. De bezoekers van die concerten zouden CD’s beginnen kopen, zouden ook andere podia opzoeken…
De nieuwe adviescommissie voor de muziek volgde hem alvast niet in deze opvatting. Eind 1998 kreeg hij een zogenaamd negatief pré-advies in verband met zijn erkenning voor het nieuwe muziekdecreet. Dit advies was o.m. gebaseerd op “betwistbare en niet terzake cultuurfilosofische bedenkingen; respectloos t.a.v. andere organisatoren (Festival van Vlaanderen, Filharmonische Vereniging Brussel, De Gele Zaal), respectloos tegenover de muziekpers, ensembles en personen; pretentieus en sectarisch”. Allemaal zaken waarvoor wij André Posman al lang hadden gewaarschuwd en waardoor wij zeker niet in de bovenste lade kwamen te liggen. Maar ja, je ziet wat er gebeurt als je alleen maar naar gatlikkers luistert. Toch blijft Posman in die boosheid volharden. Zo ging eind 2002 de “gastronomische” opera “Dhammapada” van Boudewijn Buckinx in première (een combinatie van het bijwonen van een boeddhistisch geïnspireerde opera en een “vedisch” menu). Hiervoor had Posman zelfs in een advertentie in “De Morgen” geïnvesteerd. Toen recensent Stefan Moens het toch maar niks vond, werd al meteen gedreigd “niet meer te zullen adverteren”. Oeioeioei, geen advertenties meer van de Rode Pomp! Dat wordt ongetwijfeld het failliet van “De Morgen”!

(met dank aan Jan Mestdagh)

(*) Iets dergelijks maakte ik ook mee bij “Raponsel”, de kinderopera van Johan Desmet (muziek) en Wim De Wulf (tekst), die vooral opviel omdat de tekst elke avond door een andere tekenaar werd “geïllustreerd”. Ikzelf zag de versie met Kamagurka en kwam niet meer bij van de slappe lach. Maar of Dré Posman er ook mee kon lachen, was niet helemaal duidelijk (tenslotte had Kama grapjes gemaakt als “Raponsel, de porno-versie”). Hij “vergat” na afloop alleszins Kama bloemen te geven.
(**) Dit pseudoniem gaat ongetwijfeld terug op de Frans-Armeense priester-componist Komitas (1869-1935).
(***) André Posman bedoelt uiteraard een concert met piano-solo. Voor een écht pianoconcerto met een solist(e) in dialoog met een symfonisch orkest met alles erop en eraan is er gewoonweg geen plaats in de Rode Pomp.

Referenties
Ronny De Schepper, Sneeuwmuziek in Rode Pomp, Het Laatste Nieuws 18 december 1993
Ronny De Schepper, Even bijtanken in de Rode Pomp, Het Laatste Nieuws 13 mei 1994

2 gedachtes over “De Rode Pomp (1993-2009)

  1. Leuk stukje.
    Beknopt ook.
    Als ik het goed begrijp bent U er verbolgen over het feit dat sexy niet centrumzoekend is?

    Vriendelijke groet,

    Andreas van Engelen

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s