De geschiedenis van de Britse film

De eerste Britse speelfilm was (uiteraard zou ik bijna zeggen) “Oliver Twist” en werd gerealiseerd door Cecil Hepworth in december 1912 (*). Over de periode van de stille film in Groot-Brittannië weet ik niet veel en het is opvallend dat ook in de BBC-reeks over de geschiedenis van de Britse film deze nauwelijks aan bod komt. Alleen herinner ik me van de eerste aflevering dat de “leading man” in de romantische films van destijds Ivor Novello was en dat die eigenlijk homoseksueel was (iets wat dus vaker en op universeel vlak voorkwam: zie hiervoor mijn inleiding op “Verleidelijke Verleiders” op deze blog). Uiteraard kwam de man er niet voor uit, niet alleen om de begrijpelijke “financiële” redenen, maar ook omdat homoseksualiteit als zodanig strafbaar was tot in de jaren zestig!

In 1920 wordt de op dat moment zeer populaire toneelschrijver A.A.Milne lid van de directie van Minerva Films. Er worden vier “two-reelers” gedraaid naar scenario’s van Milne en met het andere directielid Adrian Brunel als regisseur. Bij de rolverdeling treffen we Leslie Howard aan, die ook op toneel reeds een stuk van Milne had gecreëerd, namelijk “Mr.Pim passes by”, dat overigens in 1921 werd verfilmd, maar niet door Minerva, die op dat moment reeds failliet lijken te zijn. Er zullen nog een paar films gedraaid worden naar A.A.Milne-scenario’s, de laatste en meest succesvolle zijnde “Michael and Mary” in 1932. Dit laatste zal dan wellicht toch reeds een “talkie” geweest zijn, net als “The Perfect Alibi” (originele titel van dit “detectivestuk” zijnde “The Fourth Wall”) maar hoe men b.v. een babbelstuk als “Mr.Pim” als stomme film kon brengen gaat mijn petje te boven. Dat zou ik ook over “The Dover Road” kunnen zeggen, maar dat werd naderhand als “Where Sinners Meet” wél als een talkie overgedaan.
In Engeland werd in 1927 de surrealistische film “La Coquille et le Clergyman” van Germaine Dulac verboden, met de grappige argumentering: “This film is apparently meaningless. If there is any meaning, it is doubtless objectionable”.
De allereerste talkie in Engeland werd in 1929 gedraaid door Alfred Hitchcock, namelijk het als gewaagd gekwalificeerde “Blackmail”. Er bestaat echter ook een “stille” versie, waaraan kenners de voorkeur geven. Misschien bij gebrek aan andere waardevolle Engelse stomme films, want in tegenstelling tot de VSA, de USSR, Italië, Frankrijk, Duitsland of zelfs Scandinavië waren er bijna geen stomme films in Engeland. Toch maakten de talkies ook hier slachtoffers. De actrice Lilian Hall-Davis pleegde zelfs zelfmoord omdat (aldus Johan Daisne) “haar stem te innig bleek voor de bulderende luidsprekers”.
Volgens anderen is “City of play” van Kevin Brownlow de eerste Engelse gesproken film. Maar dan wel pas vanaf halfweg. De hoofdrol wordt vertolkt door Chili Bouchier, het eerste Engelse seks-symbool. Of dat zou Jessie Matthews moeten geweest zijn. Tussen de twee bestond er een grote rivaliteit die nog oplaaide toen Bouchiers eerste echtgenoot, Harry Milton, haar verliet om Matthews het hof te maken. Op de koop toe wees ze hem af.
In 1937 speelt de beroemde tenor John McCormack in the first British three-strip Technicolor feature, Wings of the Morning.
Dat jaar wordt Walt Disney’s “Snow White and the Seven Dwarfs” ongeschikt geacht voor jeugdige kijkertjes. Wie jonger is dan zestien jaar mag er enkel naartoe onder begeleiding van een volwassene!
Dat jaar ook spelen Laurence Olivier en Vivien Leigh voor het eerst samen in een film (“Fire over England” van Alexander Korda). Ze spelen een koppel dat in de Elizabethaanse tijd een verboden liefde kent. Precies wat er ook in de werkelijkheid gebeurde, want ze waren toen beiden getrouwd met iemand anders.
In 1938 was Vivien Leigh te zien in “A Yank at Oxford”. In de film zegt ze letterlijk: “Ik heb een man die veel ouder is dan mij en die niet begrijpt dat ik ontspanning nodig heb.” En dat was precies wat er aan de hand was. Haar man Herbert Leigh weigerde immers van haar te scheiden omdat hij dacht dat haar verliefdheid op Laurence Olivier wel zou overgaan.
Nog in 1938 is er ‘The Lady Vanishes’, de laatste Hitchcock uit zijn Britse periode. Zijn invloed is dan al te merken bij Thorold Dickinson, in 1905 geboren en regisseur sinds 1925. Deze draait “Gaslight” en “The Arsenal stadium mystery” in 1939. Later volgen o.a. in 1941 “Next of kin” en in 1955 “Hill 24 doesn’t answer” (één van de eerste Israëlische films). Hij is in 1984 overleden.
Leslie Norman (1910-1993) werkte tijdens W.O.II bij een speciale eenheid in Birma die met geluidseffecten de Japanners misleidde. In 1955 begint zijn loopbaan als regisseur (o.a. van “The night my number came up” en “The long and the short and the tall”) en producer (van o.a. “Dunkirk”, “The cruel sea”, “Where no vultures fly”, “Mandy” en “Run for your money”). In 1977 is hij door een ingreep wegens keelkanker verplicht zich terug te trekken. Hij was de vader van de beroemde Engelse filmcriticus Barry Norman.
In 1947 was er “The red shoes” van Michael Powell en Emeric Pressburger, die toen reeds een kleine tien jaar samenwerkten, nadat Pressburger via Duitsland uit Hongarije was overgekomen. In Duitsland had hij scenario’s geschreven voor mensen als Max Ophuls en Robert Siodmak. Producer Arthur Rank, die hen tot dan toe onvoorwaardelijk had gesteund, vond “The red shoes” maar niks en trok zijn handen van hen af. Dat was het einde voor het succesduo.
In 1952 werd Richard Burton (geboren als Richard Jenkins in mijnwerkersgezin; de naam Burton ontleende hij aan de familie die hem in staat stelde in Oxford te gaan studeren) in “The last days of Dolwyn” opgemerkt door Darryl Zanuck en rijfde zo een contract voor Hollywood binnen. Bekend is hij vooral door zijn huwelijk met Elizabeth Taylor met wie hij onder meer in “Cleopatra” (1962), “Who’s afraid of Virginia Woolf” (1966) en “The taming of the shrew” (1967) speelde. Zowel aan hun verhouding als aan hun beider carrière kwam een einde door drankproblemen.
Alexander Mackendrick draait in 1955 “The ladykillers” met Alec Guinness en Peter Sellers, die in The Goon Show reeds tal van typetjes had neergezet, maar hij was vooral opgezet voor het feit dat hij met Alec Guinness mocht samenwerken die hij zeer bewonderde sedert die in “Kind hearts and coronets” (1949) acht rollen voor zijn rekening had genomen. Guinness is ook één van die acteurs die eigenlijk helemaal geen ladykiller was, maar wel homo. Zo heeft hij zich, net als George Michael jaren later, ooit laten betrappen in een openbaar toilet. Maar hij heeft het voorval altijd uit de pers kunnen houden (het is pas na zijn dood uitgelekt) omdat hij als naam Herbert Pocket opgaf, de naam van zijn personage in “Great expectations”.
Ondertussen had Cliff Richard in 1959 zijn eerste filmrolletje gedraaid in “Serious charge” van Terence Young, waarin hij drie songs ten berde bracht, namelijk “Mad about you”, “No turning back” en het verrukkelijke “Living doll” van Lionel Bart (later de componist van “Oliver”). Ene Robert Connor vat het op de Internet Movie Database goed samen: “An unmarried vicar in a new parish (Anthony Quayle) accuses a local 19 year old (Andrew Ray) of being partially responsible for the death of a teenage girl. In defiance, the young man claims the vicar molested him. Out of spite, his story is backed up by a local woman (Sarah Churchill) still furious that the vicar rejected her advances. Unfortunately for the vicar, the woman is a highly respected member of the community – her father is the previous clergyman.”
“Given that this film was released in 1959,” gaat Connor verder, “its subject matter is pretty ground-breaking, especially for a British film. Yes, the depiction of disaffected youth hanging around coffee bars, breaking into swimming pools and grooving to Cliff Richard’s ‘Livin’ Doll’ is a little clumsy (Richard is asked to do little in a secondary role other than sulk or croon), but in an era when folks weren’t supposed to know about homosexuality (at least in the movies), this is quite a daring story, and occasionally quite subversive. We the audience are ever so slightly encouraged to wonder about Quayle’s sexuality as he spurns the advances of a good churchy woman, seems oblivious to his sexy young French maid (Liliane Brousse) and looks up to his strident mother (a wonderfully knowing performance by Irene Browne). Judith Furse’s probation officer is also deliciously ambiguous… So quite a grown up film then – a shame that these days it’s probably only known for being Cliff’s debut film.”
Nog datzelfde jaar mag Cliff in “Expresso Bongo” van Val Guest wél een hoofdrol vertolken en alweer is het een taboe-doorbrekende film (omdat er een striptease in voorkomt, Cliff speelt namelijk een rol die merkwaardig goed overeenkomt met wat The Beatles op datzelfde moment echt aan het beleven zijn in Hamburg). Deze keer is het ene H.Siegel uit British Columbia die de honeurs waarneemt op IMD: “Ignore anything or anybody that denigrates ‘Expresso Bongo’. It is loaded with period detail and attitude, is singularly risqué for it’s time and sports great music and one of the best scripts about England’s Tin Pan Alley, wisecracking and inside, besides an unprecedented performance by Laurence Harvey as you’ve never seen him, a hustler who recalls Sidney Falco in ‘The Sweet Smell of Success’. Maier Tzelnicker is tremendous as the record company executive who calls it ‘rock dreck’. Yolanda Donlan, Val Guest’s wife, plays a ‘Sweet Bird of Youth’ like aging diva Alexandra Del Lago who seduces Cliff Richard. See the opening strip number when the girls perform a burlesque version of the ‘Bonnie, Bonnie Banks of Loch Lomond’. It sets the tone for an overlooked gem.”
Striptease is er ook de oorzaak van dat een jaar later “Beat girl” van de Fransman Edmond T.Greville wordt gecensureerd. In deze film is Jennifer (Gillian Hills) een schijnbaar onschuldig meisje tot ze er achterkomt dat haar moeder (Noelle Adam) nog als stripteaseuse heeft opgetreden voor de nightclub van Kelly (Christopher Lee). Maar “gelukkig” is er Paul (David Farrar) om haar van verder “kwaad” te behoeden.
En homoseksualiteit komt datzelfde jaar dan weer ter sprake in “Victim” van Basil Dearden. Ook deze film kreeg last met de censuur omdat de film de homo’s verdedigde tegenover de chantage waaraan zij bloot stonden. Echt verboden werd de film niet, maar dat was ook moeilijk want alles werd zeer subtiel aangebracht. Een kopie van een Romeins naakt standbeeld moest b.v. aanduiden dat de eigenaar homofiel was. Het ging zelfs zo ver dat hoofdvertolker Dirk Bogarde (1921–1999) eiste dat er toch één scène in voorkwam, waarin hij onverbloemd tegen zijn wettige echtgenote mocht zeggen dat hij van een man hield.
Alhoewel Dirk Bogarde zich nooit heeft “geout”, is hij toch de man die op dat vlak voor een doorbraak heeft gezorgd. Dat kwam o.m. ook door het feit dat hij erg populair was bij de meisjes wegens de zogenaamde “dokterfilms” en Bogarde had daar een hartsgrondige hekel aan. Zo kwam het dat hij vlak vóór “Victim” al een western had gedraaid, “The singer not the song” (later overigens de inspiratie voor een nummer van The Rolling Stones), waarin hij een outlaw vertolkte die het vuur aan de schenen legde van een pastoor (gespeeld door John Mills), omdat hij een verdrongen liefde koesterde voor de man. Deze problematiek werd als dusdanig echter niet gesnapt door het publiek, wat niet echt te verwonderen was, als men weet dat het nog bijna vijftig jaar zou duren vooraleer “Brokeback Mountain” werd gedraaid. En ook in Groot-Brittannië zou het nog tot 1971 en “Sunday bloody sunday” duren vooraleer Peter Finch en Murray Head elkaar de eerste zoen onder mannen zouden geven op het witte doek.
Nog in 1960 draaide Michael Powell “Peeping Tom” dat Freudiaans van inspiratie is en door de critici een meesterwerk wordt genoemd. Zelf vind ik dat Karlheinz Böhm (de zoon van de dirigent) zich als moordende fotograaf aanstelt, evenals Moira Shearer als zijn liefje Vivian dat hem tot inkeer tracht te brengen. Er zijn een aantal opzichtige “beeldrijmen” en vooral veel gezwans (o.a. met de blinde moeder van Vivian). Powell verzeilde daarna zelfs in armoede, waaruit hij net voor zijn dood werd gered door Martin Scorsese, die een grote fan van zijn werk was.
In 1961 is er “The curse of the werewolf” van Terrence Fisher uit de befaamde Hammerstudio’s. Normaal spelen Peter Cushing of Christopher Lee in deze griezelfilms de hoofdrollen, maar deze keer is zowaar de jonge Oliver Reed de weerwolf. De Hammerstudio’s staan bekend om hun koppeling van de horrorelementen aan erotiek. In deze film is Yvonne Romain de schone die door het beest wordt overweldigd.
In 1962 is het nog steeds Engeland dat geschiedenis schrijft met Sean Connery in “Dr.No” (Lewis Gilbert), al was “Lemmy pour les dames” (Bernard Borderie) met Eddie Constantine, een jaar eerder in Frankrijk een duidelijke voorloper van het James Bond-personage. Nog in Engeland is er “A taste of honey” (Tony Richardson) die taboes als homofilie en ongehuwd moederschap doorbreekt en “The L-shaped room” van Bryan Forbes over een Frans meisje (Leslie Caron) dat in Londen een abortuskliniek komt opzoeken. De film werd niet verboden omdat een aantal vrouwen die men op straat naar hun mening vroeg er niets op tegen hadden.
In 1963 is er “This Sporting Life” met Richard Harris. Joan Littlewood in The Sunday Times van 27/3/1994: “That great lump walked in when I just happened to need an Irish character of that size, so I said, you might as well stay. If he had stuck around with us, he would have made an actor.”
In 1964 is er “Help” met The Beatles, maar ook met Victor Spinetti, een stand-up comedian die naar het toneel was gehaald door Joan Littlewood.
In 1965 is er ook “The Ipcress File” met Michael Caine in de hoofdrol. Het is al zijn 101ste film, maar veel verder dan ongekrediteerde rolletjes als politieagent of vechtende zeeman is hij nog niet geraakt. Nogmaals Joan Littlewood in datzelfde interview: “I gave him a part. He couldn’t act. I told him the best thing he could do was to go to Hollywood, where he wouldn’t need to.”
Helemaal aan de andere kant van het spectrum situeert zich het debuut van James Ivory. Zelfs diens eerste film speelt zich af in India, waar zijn vriend Ismail Merchant (1927-2005) in 1965 “Shakespeare Wallah” produceert met de toen 18-jarige Felicity Kendal in de hoofdrol.
In 1966 verliest Jack Hawkins (1910-1973) zijn stem na een zware keeloperatie. In zijn latere films (o.a. “Shalako” in 1968, “Waterloo” in 1970 en “Theatre of Blood” in 1973) wordt hij dan ook gedoubleerd door Charles Gray.
In 1969 is de Gouden Palm in Cannes voor “If” van Lindsay Anderson. Het was tevens het debuut als regie-assistent van Stephen Frears, die in 1971 zijn persoonlijk debuut maakt met “Gumshoe”. Anderson overleed in augustus 1994 op 71-jarige leeftijd aan een hartaanval, terwijl hij met vakantie was in Frankrijk. Anderson had eerst met zijn kritieken, later met zijn eigen films (de eerste: “This sporting life” uit 1963) de basis gelegd voor de Free Cinema, een links geëngageerde richting, qua vormgeving gestileerd naar Frans model, die zich afzette tegen de vroegere Britse films. Hij zou deze trend aanhouden in al zijn films, alleen zijn laatste “The Whales of August” over ouder wordende dames (de actrices Bette Davis en Lilian Gish) is milder gestemd.
DE KREEK VAN MALLI
De hoofdrol in de jeugdfilm “Malachi’s Cove” (in het Nederlands vertaald als “De kreek van Malli”, 1973) wordt gespeeld door… Cornwall, een rotsachtig schiereiland in de zuidwestpunt van Engeland. Daar situeerde Anthony Trollope (1815-1882) zijn kortverhaal over het tragische wedervaren van de veertienjarige Malli, die haar ouders verloor in een storm, omdat niemand van de dorpsbewoners een hand toestak.
Voor Trollope was het een eigentijds verhaal, maar voor ons ligt het al meer dan honderd jaar achter de rug. De regisseur Henry Herbert heeft echter nauwgezet de naturalistische stijl behouden die in de mode was toen Trollope nog leefde en dat betekent voor een jeugdfilm toch nog steeds even wennen.
De toon die hij hiermee aanslaat is evenwel de juiste. Al is de film sterk emotioneel, deze “harde” benadering verraadt nergens het psychologische proces dat zich in Malli voltrekt. Het is via een zeer geladen ontmoeting met haar aartsvijand Barty (rol van David Bradley), dat zij haar haat en wrok stilaan kan overwinnen om plaats te maken voor liefde, vriendschap en samenwerking, en niet door de sentimentele praatjes van de plaatselijke Reverend. Een anti-Disneyfilm als het ware.
Veronica Quilligan speelt als zeventienjarige overtuigend de veertienjarige Malli, al wordt er voor haar via dit soort films wellicht geen weg naar de roem geplaveid zoals bijvoorbeeld bij Jodie Foster (dit zou een goede pronostiek blijken te zijn, ze zal voornamelijk voor televisie werken en haar “nearest claim to faim” is zowaar een rol in “Anchoress”, een Brits-Vlaamse coproductie uit 1993 van Chris Newby). “Gouwe ouwe” Donald Pleasence (1919-1995) verrast ons in het tragische gedeelte met een aangrijpende vertolking van Dada, Malli’s grootvader, nadat hij voor de meer komische gedeelten net op een Oliver Hardy-imitatie leek. De muziek is van Brian Gascoigne.
ROBERT BOLT
In 1975 speelt Raquel Welch de hoofdrol in de Merchant-Ivory verfilming van “The wild party”, een boek dat in 1926 veel succes had (zij het onder de toonbank) en dat later op het eind van de jaren zestig door de auteur Joseph Moncure March (1900-1977), toen hij een succesvol scenarist was geworden, in een door hemzelf gecensureerde editie werd uitgegeven.
In 1986 wint “The mission” (Roland Joffe) de Gouden Palm in Cannes, maar is aan veel kritiek onderhevig. Toch is er de prachtige fotografie, de heerlijke muziek van Ennio Morricone en… het scenario van Robert Bolt (Lawrence of Arabia, Dr.Zhivago, Man for all seasons, Mutiny of the Bounty). Dit ex-lid van de Britse KP stierf op 21 februari 1995 op 70-jarige leeftijd, terwijl hij lag te slapen naast zijn echtgenote Sarah Miles. Deze was een tweede keer met hem getrouwd, nadat hij in 1979 door een beroerte was getroffen. Nadat zijn eerste vrouw hem had verlaten voor de klusjesman (Lady Chatterley was niet ver uit de buurt), was Bolt getrouwd met Sarah Miles, maar dat kwam zijn inspiratie niet erg ten goede, getuige de filmscenario’s die hij voor haar schreef (“Ryan’s daughter” en “Lady Caroline Lamb”). Om een reden te vinden om uit elkaar te gaan, dachten ze ook weer in een filmscenario en daarom huurden ze een jonge Amerikaan in, waarmee Sarah dan zogezegd zou “elopen”. Toen deze jongeling echter dood werd gevonden, vond de politie dat het eerder op een misdaadscenario ging lijken. Enfin, zo ging dat maar verder: zijn dochter uit zijn eerste huwelijk pleegde zelfmoord, de zoon die hij met Sarah had, werd een heroïneverslaafde enz.
Dan was er “White mischief” naar een moord in de Britse gemeenschap in Kenia (24/1/1941) die nu nog altijd de gemoederen beroert. Het was toen immers Josslyn Hay, de 22ste graaf van Erroll, die werd vermoord en de dader bleef lange tijd onbestraft omdat… er veel te veel verdachten waren. Hay had immers de gewoonte om met rijke getrouwde vrouwen aan te pappen. Uiteindelijk werd Lord Broughton schuldig bevonden en ondertussen is er weinig twijfel over dat hij inderdaad de dader is. Maar nu gooit men het over een andere boeg: er zouden ook politieke motieven hebben meegespeeld. Hay had ook een belangrijke militaire functie en hij zou militaire geheimen hebben doorgespeeld aan Musolini. Toeval of niet, maar de Italiaanse troepen vielen Kenia binnen op dezelfde dag van de moord. En reeds in 1934 was Hay lid geworden van de Engelse fascistische partij. Daar staat tegenover dat het hele kliekje in Kenia extreem-rechts was. Broughton zal hem dus wel degelijk uit jaloezie omver geknald hebben…
Engeland boert goed in 1987 (dankzij de medewerking van de televisie, zoals in Italië): “Prick up your ears”, “The belly of an architect”, “Withnail and I”, “Wish you were here”, “Rita, Sue and Bob too” en “Aria”, tien cineasten die elk hun visie geven op een bekende opera-aria. In “Sid and Nancy” van Alex Cox werd de hoofdrol vertolkt door Gary Oldman, die net als de regisseur eigenlijk een hekel had aan punk. Erg ironisch was het feit dat Oldman op de basgitaar gedoubleerd werd door Glen Matlock, die destijds bij de Sex Pistols aan kant was geschoven voor Sid Vicious. Cox distantieert zich nu van zijn film: “Ik vertel het verschrikkelijke verhaal van die twee zielige slachtoffers en dan maak ik er plots een soort helden en martelaars van. Terwijl Sid Vicious gewoon een sukkel zonder enig talent was.”
Voor “Edward II” werd Tilda Swinton bekroond als beste actrice op het Filmfestival van Venetië. 1987 is ook het jaar van de enige Oscarnominatie voor Denholm Elliott voor “A room with a view”. Acteur geworden tijdens verblijf in Duits gevangenkamp tijdens W.O.II, is hij gestorven op 6/10/1992 op Ibiza aan TBC veroorzaakt door aids, want hij was biseksueel, zoals zijn vrouw bekendmaakte. Bovendien had hij een drankprobleem, zodat hij bijna alleen maar voor “belangrijke bijrollen” werd gevraagd. Een gezegde in Britse filmmiddens was dan ook: “Never play with children, dogs and Denholm Elliott”.
In 1994 schreef Ian McEwan (“Comfort of strangers”, “The cement garden”) “The good son”, waarin Macaulay Culkin eindelijk eens een “bad son” mag zijn, maar in Engeland mocht de film niet worden vertoond omwille van de overeenkomsten met de moord op James Bulger.
Mariusz Grzegorzek verfilmde een jaar eerder “Gesprek met de man in de kast”: een trage, sombere film ook al naar een verhaal van Ian McEwan over een man die door zijn moeder verhinderd werd op te groeien.
“Carrington”, het regiedebuut van scenarist Christopher Hampton met Emma Thompson als de schilderes Dora Carrington die verliefd wordt op de homofiele schrijver Lytton Strachey, ging met de Speciale Prijs van de Jury lopen op de jaarlijkse BAFTA-awards, terwijl hoofdvertolker Jonathan Pryce de prijs voor de beste acteur kreeg. De muziek is van Michael Nyman, die ook al de muziek schreef voor “Mesmer” van Roger Spottiswood naar een scenario van de pas overleden Dennis Potter.
De prijs voor de beste actrice ging naar Helen Mirren in “The madness of King George”, eveneens een film van een Britse debutant, Nicholas Hytner, die even later “Serse” regisseerde in de Vlaamse Opera. Het stuk van Alan Bennett was reeds vier jaar een succes in the West End en Amerikaanse producers lagen er reeds lang op te azen (aangezien deze George ook diegene was die zij hadden verslagen bij hun onafhankelijkheidsstrijd), maar Bennett wou enkel in zee gaan met Samuel Goldwyn, omdat deze toeliet dat Nigel Hawthorne, die de rol op de scène vertolkte ook de rol in de film voor zijn rekening zou nemen en dat hij niet zoals bij “Shadowlands” de plaats zou moeten ruimen voor Anthony Hopkins. Bovendien mocht Hytner, die het stuk op de West End regisseerde, dus als filmregisseur debuteren. Om het vak te leren, ging deze fluks wat rondhangen op de set van “Frankenstein” van Kenneth Branagh. Grappig is wel dat de titel van het stuk “The madness of King George III” werd veranderd, omdat men vreesde dat de Amerikanen zouden denken dat het om een sequel zou gaan, die ze toch niet zouden verstaan, aangezien ze aflevering één en twee hadden gemist.
“The crying game” van Neil Jordan kreeg zeer terecht de oscar voor het beste oorspronkelijk scenario (van Jordan zelf). Helaas werd de nominatie als beste film en beste regie en voor Stephen Rea als beste acteur niet in een bekroning omgezet. Want, alle “Pillow books” van Peter Greenaway ten spijt (waarin computertechnieken artistiek interessant worden aangewend), kan het natuurlijk niet anders of de echte filmliefhebber begint zich van deze technieken af te keren en wil opnieuw “films met inhoud” zien. Vandaar allicht het succes van de Jane Austen-verfilmingen met niet minder dan drie bioscoopfilms (“Sense and sensibility”, “Persuasion” en “Emma”) en een enorm populaire TV-reeks (“Pride and prejudice”).
“The tenant of Wildfell Hall”, een boek van Anne Brontë, werd na “Pride and Prejudice” verfilmd met Tara Fitzgerald (“Sirens”) in de hoofdrol, naast Rupert Graves als Arthur Huntingdon en Toby Stephens als Gilbert Markham. Ook hierin is de hoofdpersoon (de jonge Helen Graham met haar zoontje) met raadsels omgeven. Regisseur Mike Barker heeft het verschil met Jane Austen goed gesnapt, want alle beelden zijn kil en koud, wat wel efficiënt maar niet “mooi” is en bovendien wordt het procédé met de rondtollende camera (ongetwijfeld om die turbulente raadsels gestalte te geven) te vaak toegepast. Ook de muziek (van Richard G.Mitchell) is helemaal niet à la mode du temps, zoals bij Carl Davis, maar een soort van folk met een bittere rock-inslag.
In al deze films wordt overigens beschaafd Engels gesproken, een verademing na al de “fucks” en “shits” uit “Pulp Fiction”, “Trainspotting”, “Kids” en de films van de jonge zwarte Amerikaanse lichting, waarbij overigens mijn verstand stil staat door het geweld en de verheerlijking van druggebruik, maar ik denk dat de wereld stilaan aan mij is voorbij geraasd.
Maar het hoeft gelukkig niet altijd in het verleden te worden gesitueerd opdat dit zo zou zijn. In 1996 speelde “onze eigen” Johan Leysen bijvoorbeeld een Poolse coach in de Engelse film “True blue” over de legendarische roeiwedstrijd tussen de studenten van Oxford en Cambridge en met name die uit 1987 toen Oxford de nederlaag van het jaar daarvoor heeft gewroken ondanks het feit dat de harde aanpak van de coach tot muiterij had geleid.
En dan was er plots een doorbraak voor Engelse films. Het begon met “Four weddings and a funeral” en het werd verdergezet met films over werklozen als “The commitments”, “The full monty”, “Brassed off” en “Billy Elliot”. Het is een beetje bitter te moeten vaststellen dat de stakende mijnwerkers nu zo populair zijn, terwijl ze in de tijd zelf door Margaret Thatcher onderuit konden worden gehaald omdat die zich onder meer op de afkeer van het grote publiek kon verhalen. Zo moest bijvoorbeeld de groep The Flying Pickets inbinden, omdat men begon in te zien dat hun groepsnaam niet zo maar lukraak gekozen was, maar dat ze ook daadwerkelijk steun verleenden aan “vliegende stakingspiketten” die van het ene strijdpunt naar het andere holden. Of er was de komiek Bob Monkhouse met zijn grap dat hij elke morgen stakingsleider Arthur Scargill moest verdragen boven zijn “porridge”: “I’d rather see my porridge over Arthur Scargill!”
Van dezelfde orde waren twee films van Nigel Cole. “Calendar Girls” was een warme komedie gebaseerd op een waar gebeurd verhaal in Schotland. Als Annie’s man aan leukemie sterft, besluit haar vriendin Chris een liefdadigheidsactie op te starten voor het lokale ziekenhuis. Haar idee: een naaktkalender met vrouwen in hun dagdagelijkse bezigheden. De kalender krijgt wereldwijd weerklank en de vrouwen moeten naar Hollywood. Leuke en meer dan onderhoudende film met Helen Mirren en Julie Walters in de hoofdrollen. “Saving Grace” uit 1999 daarentegen met Brenda Blethyn in de hoofdrol stond model voor wat later (2013) de VRT-serie “Eigen kweek” van Joël Vanhoebrouck werd.
Nadien waren het vooral “romcoms” die de toon aangaven. Groot succes was weggelegd voor “Love actually” of “Bridget Jones’s diary” maar kleine producties zoals “Cashback” van Sean Ellis uit 2006 vielen een beetje tussen de plooien. Nochtans was dit een fris filmpje dat ook de voyeurs onder ons niet zullen versmaden. Laat ik dan wel maar meteen verklappen dat het vrouwelijke hoofdpersonage, gespeeld door Emilia Fox (Dr.Nikki Alexander uit “Silent witness”) niet uit de kleren gaat Eigenlijk een beetje normaal want deze oorspronkelijke kortfilm gaat vooral over de frustraties van pubers en als die over borsten fantaseren hebben die meestal ongeveer de grootte van een voetbal (of in het ergste geval een rugbybal). Een matchke zaalvoetbal maakt overigens ook deel uit van deze komedie waarin hoofdfiguur Ben Willis, gespeeld door Sean Biggerstaff (BIGGER STAFF??? Are you kidding me, mate?), de tijd kan stilzetten en zo zijn “Cashback” kan incasseren om te compenseren voor het ldvd waarmee hij te kampen heeft. Tot hij Emilia Fox tegenkomt natuurlijk, dan is het niet enkel “Cashback” maar “koekenback”!

Referentie
Ronny De Schepper, De fanfare van honger en dorst, Steps magazine juni 1994

(*) Eigenlijk begint de geschiedenis van de Britse film reeds in 1898 op een typisch Britse manier, namelijk met een eerste ingreep van de censuur. De kaasindustrie protesteerde immers tegen een uitvergroting van een stukje Stilton kaas.

(Zeer) selectieve bibliografie
ABEL, Richard (ed.), Encyclopedia of early cinema, London, Routledge, 2004.
CHANAN, Michael, The Dream that kicks: the Prehistory and early Years of Cinema in Britain, London, Routledge and Kegan Paul, 1980.
LOW, Rachel, History of the British Film 1918-1929, 1971.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s