Morgen is het ook twintig jaar geleden dat ik de Amerikaanse balletdanseres Dawn Fay heb geïnterviewd. Dawn Fay en erotiek, dat ging immers goed samen. Zij is wellicht het mooiste wezen dat ik ooit heb aanschouwd (ik gebruik opzettelijk een wat verheven taal, want dat verdient ze). Ik heb ze b.v. ooit meegemaakt op een repetitie van de balscène uit “Romeo & Julia” van Sergei Prokofiev en dat is wellicht de mooiste ervaring die ik in mijn leven heb meegemaakt. Ik herinner me nog als gisteren dat ik in de deuropening van het repetitielokaal stond (want daar is niet echt plaats voor toeschouwers) en toen ze kwam voorbij geschreden op die prachtige muziek, bereikte ik de hoogste regionen zonder de hulp van welk geestverruimend middel dan ook. Tijdens het interview bleek ze bovendien nog erg intelligent, erg charmant en bleken we gezamenlijke interesses te delen. Op slag begon ik mij van alles voor te stellen, maar uiteraard was dit enkel maar een wensdroom. Ze was op dat moment verloofd met één van haar collega-dansers en niet lang daarna verliet zij het gezelschap en ik heb nooit meer iets van haar vernomen. Hoe zou het nu met haar zijn?

Dawn Fay, pas vanonder de douche, zit tegenover me in de kantine van het Ballet van Vlaanderen in Antwerpen. “Hoe is het met je verstuikte voet?” informeer ik. “Veel beter, dank je,” zegt ze, terwijl ze een sigaret opsteekt en het bordje “verboden te roken” als asbak gebruikt. Op de voorstelling van gisteravond zag ik haar overigens in het corps de ballet, zo slecht kon die voet dan toch ook weer niet zijn.
“Het probleem was dat ik opnieuw sterkte moest kweken en het corps de ballet is daarvoor uitstekend. Het is veel makkelijker en de verantwoordelijkheid is ook veel geringer.”
En nu er beterschap is, wordt ze dan uiteindelijk toch nog als Giselle opgesteld?
“Nee, tegen dat het zover is zijn de opvoeringen van het lopende seizoen reeds achter de rug en volgend seizoen ben ik hier weg.”
Ha? En waarom?
“I need some new input. Ik heb hier een goede tijd achter de rug, ik heb tal van rollen gedanst, maar nu ben ik er een beetje op uitgekeken. Ik heb een groep nodig met ballerina’s van rond de dertig, waarvan ik nog het een en ander kan leren. Want that’s the only way to do it, je kan alleen maar iets leren door het anderen te zien doen. En, daarnaast, het leven stopt niet op 24, hé!”
Volgens Jaak Van de Velde is ze echter bij Robert Denvers in ongenade gevallen omdat ze “te dik” zou zijn. Te dik? Jeezes, ze weegt amper zoveel als mijn overtollig vet! De echte reden verneem ik dan ook op 20 februari 1994, wanneer ik in “Coppélia” naast de jonge Geraldien Camelbeke zit (die als pas afgestudeerde in Wiesbaden is tewerkgesteld en nu naar haar vriend Marco Piu komt kijken, die in het corps de ballet meedanst). Het blijkt immers dat Dawn Fay het liefje was van directeur Robert Denvers tot de Turkse Aysem Sunal langskwam. In tegenstelling tot haar voorgangster Lucinda Tallack-Garner heeft Dawn uiteraard niet het karakter om dan toch nog verder te blijven meedraaien. Vandaar dus.
Denvers klaagde er overigens tegenover mij zelf over dat hij als dertigjarige in het Nationaal Ballet van Canada af te rekenen kreeg met ambitieuze twintigers.
“Of course. They are always there.”
En jij gaat nu die ballerina’s bestuderen om nadien hun plaats in te nemen…
“Dat is uw manier om de zaken te zien. En ik moet toegeven dat er velen zijn in ons milieu op die manier denken. Maar ik niet. Voor mij betekent dat niets. Ik streef perfectie na, dat wel, maar dan gewoon om mezelf te ontplooien, niet om die anderen van de eerste plaats te verdringen. Zo’n competitieve houding is me totaal vreemd. I am a peace and love person.”
Als één van de weinige journalisten die zich zowel met cultuur als met sport bezighouden, moet ik toch zeggen dat ballet van alle artistieke uitingen diegene is die het meest in de nabijheid van sport komt.
“Dàt is juist. Natuurlijk is er competitie. Want als iemand anders een bepaalde rol krijgt, kun jij hem niet hebben. Maar ik ga niet over lijken.”
Je was 19 toen je naar hier bent gekomen en je was meteen ook solist. Is dat de normale gang van zaken of was je een beetje op je tijd vooruit?
“Het is zeker niet de normale gang van zaken. Maar je moet weten dat ik mijn eerste contract bij een beroepsgezelschap op zestienjarige leeftijd heb ondertekend. En al heel vlug moest ik solorollen dansen, ook al was ik nog geen soliste. Dat komt omdat ik al van mijn drie jaar danste. En omdat ik het zelf wilde. Niet omdat mijn moeder vond dat ik het moest doen b.v. Ze zei wel: it’s all or nothing. Als je ballet doet, dan moet je er ook alles voor doen. Maar eigenlijk is er voor mij nooit iets anders geweest, dus dat was geen probleem. Die mensen vonden dan ook dat ze die gok konden wagen en ze kwamen tot de vaststelling that I was not so bad. Op die manier had ik op mijn curriculum al tal van solorollen staan, ook al was ik nog geen soliste. En daardoor is het bij mij heel wat sneller gegaan dan bij de meeste anderen. Niet dat ik zo ongelooflijk goed was, maar ik had wel iets, al was het dan nog niet honderd procent verfijnd. En dat is vooral het werk dat Robert Denvers heeft gedaan, de vijf jaar dat ik hier was: me bijschaven en make it really look like something.”
Hoe heeft hij je eigenlijk ontdekt?
“Actually it was very funny. Toen ik achttien was, had ik mijn voet bezeerd en werd ik geopereerd. Het was zomer en ik zat in New York en vrienden raadden me aan om naar de lessen van Robert te gaan (Denvers is inderdaad een wereldvermaard pedagoog, zelfs Mikhail Baryshnikov en Rudolf Noerejev volgden bij hem lessen). Ik vond mezelf nog niet echt in staat om ze te volgen, maar ik deed het dan toch maar. En na de les riep hij me bij zich en vroeg waar ik werkte en zo. ‘En als je geïnteresseerd bent, heb ik een contract voor je,’ zei hij. Ik dacht he was just kidding. Ik kon niet geloven dat ik op iemand indruk kon maken, terwijl ik helemaal ‘uit vorm’ was. Maar hij méénde het, want dat jaar kon ik me nog niet vrijmaken bij het Miami City Ballet, maar het jaar nadien hernieuwde hij zijn voorstel.”
Op een persconferentie lichtte Denvers toe dat hij geregeld de hoofdrollen wisselde om ook de jongeren een kans te geven, omdat ze anders niet willen blijven. Hij kloeg erover dat jongeren nog zo weinig loyauteit betonen tegenover het balletgezelschap waarbij ze zijn aangesloten…
“Dat kan hij onmogelijk op mij bedoeld hebben. Ik heb hier vijf jaar gewerkt en mentaal en fysiek heel wat van mezelf gegeven. Het laatste jaar misschien iets minder, maar dat is dan enkel te wijten aan mijn kwetsuur.”
Denvers krijgt vaak kritiek op zijn verering van Balanchine. Ter gelegenheid van “Concerto Barocco” bijvoorbeeld, een zeer sober ballet uit 1941. Op uitzondering van de jongen, Tero Julku, zijn de tien meisjes, met Dawn Fay zelf en Ambra Vallo als solodanseressen, immers volledig in het wit gekleed. Bovendien wordt de muziek door de twee danseressen die elk een viool voorstellen, nogal strak gevolgd.
Dawn Fay: “Er zijn verschillende manieren van werken, hé. Sommige choreografen gebruiken de muziek gewoonweg als achtergrond, die desnoods kan worden weggenomen, maar ik vind het persoonlijk veel aangenamer te werken met een choreograaf die muziek kan lezen en als het ware als een musicus tewerkgaat. Balanchine b.v. was een musicus, die zelf muziek heeft geschreven en ook vanuit die muziek gaat beginnen werken. Als je anders b.v. op een tempo tegen de muziek in moet gaan werken, dan is dat heel moeilijk. Ik heb in een ‘ruwe’ Balanchine-groep gezeten, maar Robert is niet zo ‘ruw’, hij is bereid tot compromissen. Wat verstandig is, daarom is hij ook zo’n goede leraar. Tenslotte heeft hij toch ook bij Béjart gedanst en op die manier zoekt hij een beetje zijn eigen weg. Maar ik kwam juist naar Europa om weg te zijn van die Balanchine-toestanden. Ik wilde vooral de klassiekers doen.”
Milaan-San Remo, Parijs-Roubaix, de Ronde van Vlaanderen en zo?
“I beg you pardon?”
Sorry, just kidding… Maar bij welk gezelschap denk je dat nu te kunnen?
“Dat weet ik nog niet. Er zijn een drietal mogelijkheden, maar ik noem geen namen.”
Opnieuw in West-Europa?
“Sure.”
Vind je het dan niet erg om zo lang van huis te zijn?
“Elk jaar ga ik op vakantie naar de States, maar je moet vooral weten: ik ben hoegenaamd geen typisch Amerikaanse. I don’t love the States, otherwise I wouldn’t be here. De Europese levenswijze komt mijn opvattingen veel nabijer dan de Amerikaanse. This is home. De States, dat is het buitenland.”
En je vrienden?
“Ik heb geen Amerikaanse vrienden.”
Juist omwille van de mentaliteit?
“Ook. Maar ik ben ook altijd a loner, een eenzaat, geweest. Ik heb niet veel vrienden nodig. Ik heb drie dierbare vriend(inn)en (aangezien ze friends zegt, weet ik niet welk geslacht ze bedoelt): één in Amerika (dus toch), één in Frankrijk en één hier in Antwerpen.”
Heb je al die tijd hier gewoond?
“Ja. Ik ben dol op deze stad. Maar ik zal moeten verhuizen, zoveel is nu al zeker.”
Maar anderzijds, komende uit Memphis Tennessee, heeft ze in haar leven toch wel al eens rock’n’roll gedanst?
“Natuurlijk. Vaak. Dansers zijn vreselijk op dat gebied. Je hebt dan een hele week gewerkt en dan ga je er in het weekend nog eens opnieuw tegenaan. Maar het is niet slecht. Het zijn andere spieren die je gebruikt en je blijft er toch fit door. En het is een uitlaatklep. Lichamelijk, maar ook geestelijk. Want hier moet je geen regels volgen, je doet maar wat in je opkomt. Heerlijk. Ik hou van elke muziek, behalve country and western. En zeggen dat ik in Nashville ben opgegroeid! Mijn moeder kon wel piano spelen en ze zong alle soorten muziek, maar ze had daar geen tijd voor, want mijn vader was een marinier in Vietnam, je kunt denken. Ze was meer met mijn luiers dan met de piano bezig. We konden er ons in huis trouwens geen veroorloven.”
Wat vindt zij van de kritiek van Marleen Spaepen op de Amerikaanse pianisten uit de Elisabethwedstrijd Brian Ganz en Stephen Prutsman, namelijk dat wie opgroeit in “een hamburger­cultuur” niet echt tot de essentie kan doordringen?
“Ook niet alle Europeanen houden van klassieke muziek, hé! Nee, ik hou gewoon van beide. Maar natuurlijk niet van alles. Ook in het ballet. Sommige muziek kan ik honderden keren horen – en geloof me, de repetities meegeteld is dat wel degelijk het geval! – en ze doet me nog steeds iets, ‘Serait-ce la mort?’ van Béjart b.v. op muziek van Mahler. Ik kàn daar bijna niet op dansen omdat de muziek zo mooi is (een man ziet aan de vooravond van zijn dood de drie vrouwen die hij gekend heeft nogmaals aan zijn geest voorbijtrekken; de vierde herkent hij niet: het is lady midnight, de dood). Andere doet me helemaal niets, ‘Don Quichote’ b.v. (hierin heeft ze bij het BVV gedanst samen met Irek Mukhamedov), maar dan geraak ik toch op een andere manier gemotiveerd. Het heeft a certain swing. En van nog andere muziek hou ik wel, maar die komt me na verloop van tijd wel de keel uit. Het eerste bedrijf van ‘Giselle’ b.v. Maar dan denk ik, even volhouden: straks komt het tweede bedrijf!”
Maar de choreografie is belangrijker dan de muziek? Om repetitor Koen Kessels te citeren: “Voor dansers bestaan er maar twee tempi: te traag en te snel…”
(Aarzelt) “Ja. Maar ik ken toch een aantal choreografieën die nu niet bepaald vindingrijk zijn, maar die het publiek toch kunnen meeslepen, omdat de muziek zo schitterend is. En anderzijds zijn er ook veel balletten, waarvan de muziek niet veel soeps is, maar de choreografie des te meer. En in de paar gevallen dat zowel de choreografie als de muziek heerlijk zijn, that’s paradise.”
Het gereis dat een ballet-carrière met zich meebrengt, brengt ons wel tot de vraag brengt of ze daardoor geen probleem heeft om een relatie op te bouwen of zoekt ze het daarvoor in een heel andere richting?
“Niet helemaal. Als je er totaal buiten gaat, dan is het bijna onmogelijk dat je partner kan begrijpen waarom je er zo door bezeten bent. Anderzijds is een danser als levensgezel even vervelend omdat het dan altijd over dansen gaat. Het beste is dus iemand te kiezen uit een andere artistieke richting. Dan is het toch iets anders en tegelijk is die wellicht zelf ook zo bezeten.”
Opvallend is ook dat ik op een balletfestival moest vaststellen dat bij de professionelen de choreografen ongeveer fifty-fifty over de beide geslachten waren verdeeld, terwijl bij de amateurs het allemààl vrouwen waren. Is dat vergelijkbaar met koken? Het rollenpatroon schrijft voor dat de vrouw aan het fornuis staat, maar als men over chefkoks spreekt, dan zijn het ineens bijna allemaal mannen…
“Ik denk dat vrouwen niet sterk genoeg zijn om choreograaf te zijn of leider van een gezelschap. Ik weet niet waarom, ik stel dat alleen maar vast. Het heeft zeker niets met mannelijkheid te maken, want vele choreografen zijn grotere mietjes dan vrouwen. Roland Petit b.v.”
Jij ziet er een sterke vrouw uit…
“Ja, maar niet genoeg om een groep te leiden. Je moet immers niet alleen directeur zijn, maar ook psycholoog, vriend, buur, minnaar, kortom moeder en vader tegelijk. En dat niet voor één persoon, maar voor zestig! Die je allemaal even tevreden moet stellen. Want anders ben je ze kwijt. Je moet dus vooral heel diplomatisch zijn en dàt is zeer moeilijk.”
Maar wat wil je dan zijn over tien jaar?
(Met kleuterstemmetje:) “Ik wil een mammie met kindjes zijn.”
Ga weg!
“Nee, je hebt gelijk. Al wil ik ooit wel eens kinderen hebben. Kijk, ik wil gewoon blijven dansen, zolang als ik kan. Maar als het voorbij is, dan is het ook definitief voorbij!”
En choreografe?
“Ook dat niet. Dat is iets wat je hebt of wat je niet hebt. En ik heb het niet. Zo simpel is dat.”
Degenen die dat wel hebben, zijn wellicht “lastige” dansers. Die weten het misschien allemaal beter…
“In dat opzicht ben ik ook een ‘lastige’ danseres. Ik heb ook soms wel mijn eigen ideetje hoe je het beter zou kunnen doen. Nee, daar gaat het niet om. Al geef ik toe dat het moeilijk is om de twee te combineren. Als je choreograaf bent, geef je het dansen beter op.”
Maar je beseft wel dat het op veertig (ten laatste!) allemaal voorbij zal zijn?
“Oh yes!”
Dat betekent dus ook dat, als je niet langer in het ballet actief wil zijn, dat je je leven helemaal opnieuw zal moeten beginnen…
“Ja, voor iemand die alleen is, zal dat een probleem zijn, maar niet als je een gezin hebt.”
Kom zeg, ik zie je niet hele dagen in de keuken zitten wachten op je echtgenoot en zijn pantoffels klaarzetten als hij binnenkomt!
“Definitely not. Tegen die tijd vind ik wel iets anders, maar dan wel iets helemààl anders. Iets dat niets met ballet te maken heeft.”
Nou… “niets”… als ik je zo zie, dan moet ik aan Jodie Foster denken…
“That’s funny, dat is mijn favoriete actrice!”
Het is ook bedoeld als een compliment. Ik zie m.a.w. een actrice in jou.
“Ik heb daaraan gedacht, ja. Gek dat je dat hebt gemerkt. Acteren of regisseren, jawel.”
Dàt is pas een interessante opmerking: waarom zie je je wel in staat om een toneelstuk te regisseren en geen ballet?
“Dat doe ik wél, want dat is niet hetzelfde als zelf een choreografie ontwerpen! Maar ik heb er geen zin voor. Kijk, als je een danser bent, dan heb je eigenlijk het privilege van twee levens te kunnen leven. Dansen kan je immers maar tot 35-40 jaar. Maar als je genoeg zelfvertrouwen hebt, kan je op die leeftijd nog iets heel nieuws beginnen. En ik ben dat vast van plan. Want anders zou ik gefrustreerd door het leven gaan. Is dansen het enige wat ik kan? Ik meen van niet. En daarbij, als je rekent dat ik al van mijn drie jaar dans, dan ben ik op veertig al een veteraan!”
De free-lance avonturen van Dawn Fay waren echter van korte duur. Voor het seizoen 1994-95 vroeg ze met hangende pootjes aan Robert Denvers of ze mocht terugkomen. Dat mocht, op voorwaarde “dat ze aan haar conditie zou werken” (lees: nóg vermageren). “En wat zal Sunal daarvan zeggen?” vroeg ik aan persverantwoordelijke Nora Van Dessel. “Dat zullen we nog wel zien!” antwoordde deze veelbetekenend.
De titelrol in de eerstvolgende productie, “La fille mal gardée”, werd afwisselend gedanst door Aysem Sunal (met Eric Frédéric) en Xiomara Reyes (met Rinat Imaev). Twee jaar eerder zou dit ongetwijfeld Dawn Fay geweest zijn, maar naar eigen zeggen was ze toch niet geïnteresseerd: “Ik heb liever een rol waarin ik mijn tanden kan zetten en de rol van Lise is dat niet in mijn ogen.”
Bij de opvoering die ik op 23/2/1995 in de Gentse opera zag, danste echter het koppel Aysem Sunal-Rinat Imaev. Aangezien Eric Frédéric zijn rug had bezeerd, moest Imaev nu immers àlle voorstellingen voor zijn rekening nemen. Dat was er ook aan te zien. Tweemaal ging hij bijna door vermoeidheid onderuit. Na de opvoering (waarin ik naast klarinettist Fang Song zat, die samen met het orkest van de Vlaamse Opera op band te horen was) sprak ik dankzij Nora Van Dessel nogmaals met Dawn Fay, die in het gezelschap was van haar nieuwe vriend Pascal Molat, in het ballet een opvallende verschijning als Nicaise. Net zoals de hele cast moest hij een beetje te veel de onnozelaar uithangen (men had in het pantomime-gedeelte willen knippen, maar de solisten hebben dit nodig om wat te kunnen uitrusten), maar hij bleek toch erg beloftevol te zijn.
Maar op de eerste plaats was ik hier natuurlijk voor Dawn Fay, want uiteindelijk betekent deze opvoering toch ook hààr come-back, nadat die eerst al in “Het laatste avondmaal” was voorzien, maar door de verschuiving van een wervel was ze opnieuw voor zes weken “out” geweest. Maar nu is ze dus eindelijk terug, zij het uiteraard niet in de titelrol. Waarom is ze eigenlijk weggegaan?
“Ik moest mijn hoofd eens luchten. Ik was reeds zo vroeg begonnen en dan voortdurend bezig geweest, zodat ik dringend aan wat rust toe was en daarmee bedoel ik dus veeleer het kopje dan het lijfje. Dat was nog in goede staat en dat heb ik ook zo gehouden door lessen te blijven volgen en oefeningen te doen, maar professioneel dansen was er een jaar lang niet meer bij. Ik deed het gewoon niet meer graag. Maar nu is de goesting er weer volop!”
Toch moet het hard zijn om de hoofdrol niet te mogen dansen?
“Uiteraard. Maar dat weet je als je aan zo’n sabbatjaar begint. Dan weet je op voorhand dat je nog een jaar daarbij nodig hebt om weer op het hoogste niveau te komen. Bovendien heb ik dus tegenslag gehad met mijn rug. Maar nu staat mijn techniek weer helemaal terug op punt. Béter dan twee jaar geleden zelfs, want al ben ik fysiek nooit echt wèg geweest, door het feit dat ik het tegen mijn zin deed, begon mijn techniek daaronder te lijden. Maar nu is dat dus helemaal achter de rug. Het lichaam doet er alleen wat langer over dan de geest om terug te komen. Ik geef echter toe, het is hard om de hoofdrol niet te dansen. Maar goed, nadien gaan we op reis met ‘Assepoester’ en daarin dans ik wél de hoofdrol en, guess what, we gaan onder andere naar het zuiden van de Verenigde Staten!”
Allen daarheen dus. Maar in afwachting zullen we het dus moeten doen met “La fille mal gardée”, een productie die ook wel als een balletklassieker wordt omschreven, maar die toch niet zo bekend is als een aantal andere. Dawn zegt dat men het nog het beste kan vergelijken met “Coppelia”. “Light classic” zegt zij. “Geen drama zoals bij Giselle of het Zwanenmeer.” Kortom, iets om onderuit te zakken in de confortabele zetels van de opera en te genieten. Op voorwaarde dat men op het parket zit, want op het balcon zal dat moeilijker zijn: daar moet je je benen nog altijd in je nek leggen!
Maar wat vindt Dawn Fay eigenlijk van postmoderne choreografen zoals “onze” Anna Teresa De Keersmaeker bijvoorbeeld?
“Eerlijk, ik heb nog niet voldoende van haar werk gezien om er een idee over te hebben. Eigenlijk heb ik er nog maar één gezien en dat heeft me niet geraakt. Maar dat wil niets zeggen, want ik heb ook al ballet van Béjart gezien dat me niets zei. Al moet ik toch wel toegeven dat ik door de band niets moet hebben van dat postmodernistische minimalisme van Merce Cunningham of Paul Taylor. Als je een half uur moet kijken naar iemand die een steen gooit of iemand die in een cirkel rondloopt, dan heb je het wel gehad.”
Ik moet je dan ook niet vragen of je zoiets zou willen dansen?
“Nee, maar ik hou wel van modern ballet!”
Wat versta je daar dan onder?
“Forsyth, Wainrot, Danny Rosseel ook. Ik heb hier een drietal van zijn choreografieën gedanst en dat was ergens bevredigend. Ik zou het ‘neoklassiek’ willen noemen.”
Maar kunnen in dat geval de ontdekkingstochten van Anna Teresa en c° beïnvloedend werken of is er door de totaal verschillende techniek juist geen beïnvloeding mogelijk?
“Oh, toch wel! Wij brengen ook creaties van moderne werken, maar dan van choreografen die meestal zelf klassiek hebben gewerkt. Toch zijn die zeer zeker beïnvloed door de hedendaagse dans. Zelf heb ik bij het BVV reeds ‘Beyond memory’ gedanst van Wainrot, op muziek van Philip Glass (“Glassworks”). Maar dat is moderne dans in de traditie van Martha Graham.”
In het seizoen 1996-97 was ze opnieuw te zien in een choreografie van Wainrot, “Messiah”, op het gelijknamige oratorium van Händel. Ze mocht hierin even een trio dansen met Giuseppe Nocera en Jeroen Hofmans en dat was haar enige remarkabele verschijning in het hele “Baroque meets Bernstein”-programma. Bovendien is haar fragment het enige, waar de muziek van het volgende onmiddellijk op volgt, zodat het publiek geen kans krijgt om te applaudisseren. Je vraagt je af of dit nog toevallig is. Net zoals ze (in de achtergrond uiteraard) vaak als “spiegelbeeld” moet dienen van Aysem Sunal. Ook Nora Van Dessel vindt zoiets wraakroepend: “Dat vinden we allemààl. Allemaal, behalve Robert dan. Maar zo schijnt het nu eenmaal te gaan in een balletcompagnie. En dan mogen wij nog blij zijn dat onze directeur van meisjes houdt! Op deze manier kan Dawn echter niet terugkeren op haar vroegere niveau natuurlijk. Ook al omdat ze nu niet meer die intensieve privé-lessen krijgt… Daarom dat Sunal trouwens zo schittert. Want niemand betwijfelt natuurlijk de capaciteiten van Robert als pedagoog…”
In september 1997 keerde Dawn Fay opnieuw terug naar de VS, deze keer wellicht voorgoed. Na een passage bij het ballet van Nashville danst ze nu bij het Memphis Ballet. Pascal Molat is echter in Antwerpen gebleven. “Die denkt aan zijn carrière,” zegt Nora Van Dessel. En inderdaad, in “Romeo en Julia” mocht hij als Mercutio met het meeste bijval gaan lopen. Een jaar later ging hij dan ook naar het Ballet van Monte-Carlo, waar hij nog een jaar later het gezelschap kreeg van zijn vroegere collega Geneviève van Quaquebeke. Dawn zelf is ondertussen in de VS getrouwd met Garrett Ammon, een collega uit het Texaanse gezelschap, die ook choreograaf is, zoals ik verneem uit een perstekst van Wonderbound die ik pas onlangs heb gevonden. Daarin vertelt men dus ook hoe het verder met haar is gegaan…
“In 2005, Dawn became a founding member of Trey McIntyre Project, dancing at festivals around the country including The Vail International Dance Festival and Jacob’s Pillow. Dawn has also staged Mr.McIntyre’s work for Trey McIntyre Project, The Washington Ballet, Kansas City Ballet, Ballet Augsburg and Smuin Ballet.
As Producing Director at Wonderbound, Dawn works closely with Artistic Director Garrett Ammon on the development and creation of his new works and facilitates the collaborations with Wonderbound’s plethora of multi-genre artists. Dawn plays a key role in all of Wonderbound’s fundraising efforts, and she is also deeply involved in all of Wonderbound’s community programs including the highly interactive in-school education programs and Project Generations, which brings dance into the lives of seniors at retirement homes across Denver.”

Referenties
Ronny De Schepper, Ballerina’s zijn mooier, Graffiti juni 1993
Ronny De Schepper, De come-back van Dawn Fay, Steps magazine februari 1995
24-dawn-fay

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s