De Britse acteur Anthony Hopkins viert aan de vooravond van dit nieuwe jaar zijn 75ste verjaardag.

Ik herinner me dat Barry Norman, de filmrecensent van de BBC, nochtans het vleesgeworden evenbeeld van de Engelse terughoudendheid, hem ooit nogal cru begroette met de vaststelling “dat hij acteur geworden was omdat hij niks anders kon”. Typisch voor de toen pas geridderde Sir Tony was dat hij dit nederig beaamde.
Opgegroeid in Port Talbot nabij Cardiff, waar hij op 31 december 1937 is geboren, had hij Richard Burton als groot idool en daarom besloot hij maar in diens voetsporen te treden. De bakkerij van zijn vader overnemen dat zinde hem toch niet echt en omgekeerd had zijn vader hem alle zin voor een carrière als klassiek pianist ontnomen door op de manier waarop Tony een Beethoven-sonate vertolkte te reageren met “niet te verwonderen dat-ie doof werd” (*).
Hij debuteerde bij de YMCA en daarna deed hij een auditie voor het grote werk. Deze auditie werd voorgezeten door Laurence Olivier, die op dat moment triomfen oogstte als Othello. Omdat Hopkins juist die rol gekozen had voor zijn auditie, vond Olivier dat de man wel “guts” had en werd hij in het gezelschap opgenomen.
In 1967 trouwt hij met actrice Petronella Barker, maar Hopkins gaat zo ver in zijn bewondering voor Burton, dat hij hem ook op het pad van de drankzucht achterna gaat. Het huwelijk loopt na anderhalf jaar op de klippen en Hopkins zal zijn dochter Abigail niet zien opgroeien. Slechts toen ze als tiener aan de drugs zat en hem ter hulp riep om af te kicken, is ze een tijdje bij hem komen wonen. Hij had immers ondertussen zijn drankzucht overwonnen.
Dat was ook nodig, want veel herinnert hij niet uit die alcoholische tijd. Hij heeft b.v. een reis naar Arizona gemaakt, maar het zijn zijn reisgenoten die hem moeten vertellen wat hij daar heeft gezien en meegemaakt! “Gelukkig” wordt hij er op de duur zwaar ziek van en is hij wel verplicht af te kicken, hierbij geholpen door zijn tweede vrouw Jennifer Lynton. Dat was in 1973.
Ondertussen was in 1968 zijn filmcarrière reeds begonnen met “A lion in winter”. Ondanks zijn verslaving volgen de films elkaar op: “The looking-glass war” van Frank Pierson (1969), “Hamlet” van Tony Richardson (1970), “When eight bells toll” van Etienne Périer (1971), “Young Winston” van Richard Attenborough (1972), “A doll’s house” van Patrick Garland (1973), “The girl from Petrovka” van Robert Miller (1974), “Juggernaut” van Richard Lester (1974), “All creatures great and small” van Claude Whatam (1975), “Victory at Entebbe” van Marvin Chomsky (1976), “A bridge too far” van Richard Attenborough (1977), “Audrey Rose” van Robert Wise (1977) en “Sarah” van Bryan Forbes (1978). In “Magic”, alweer van Richard Attenborough (1978), speelt hij een schizofrene buikspreker die door zijn sprekende pop tot moord wordt gedreven.
In 1980 volgt “The elephant man” van David Lynch, waarin Anthony Hopkins Frederick Treves speelt, de dokter die de titelfiguur uit het kermisgebeuren haalt. In 1981 is er “Change of seasons” van Richard Lang, waarin hij Adam speelt, een docent aan de universiteit, die tot zijn nek in de mannelijke overgangsjaren zit en dan ook een verhouding begint met een studente, Lindsay, vertolkt door Bo Derek; zijn echtgenote Karen, gespeeld door Shirley MacLaine, besluit dan om zelf ook een minnaar te nemen…
In 1982 speelt Hopkins “The hunchback of Notre Dame” in een Amerikaanse TV-film. Daarna volgt in 1984 “The Mutiny of the Bounty” van Roger Donaldson waarin hij als captain Bligh zowaar sprekend op Manu Verreth lijkt.
In 1985 wint hij de Best Actor Award van The British Theatre Association voor zijn rol in “Pravda”, waarvoor hij ook The Observer Award for Outstanding Achievement krijgt op de Laurence Olivier Awards. Ook op televisie is hij vaak te zien o.a. als Oom Wanja, Dickens, Lloyd George, Othello en als Hitler in “The Bunker”, waarvoor hij overigens een Emmy kreeg.
Na “The good father” van Mike Newell uit 1986 wint hij in 1987 met zijn rol in “84 Charing Cross Road” (hij woont zelf ook in Chelsea) de prijs voor de beste acteur op het filmfestival van Moscou. Daarna speelt hij voor het eerst tegenover Hugh Grant in “The dawning”.
In 1988 volgt “A chorus of disapproval” (Michael Winter) naar het toneelstuk van Alan Ayckbourn: Guy Jones (Jeremy Irons) is een schuchtere, nogal zenuwachtige weduwnaar. Hij woont en werkt in een klein kuststadje en om zijn eenzaamheid te breken, beslist hij zich aan te sluiten bij de lokale toneelvereniging. De regisseur David Llewellyn (Anthony Hopkins) is een advocaat, die getrouwd is met Hannah (Prunella Scales). Al snel begint Guy een verhouding met haar…
In 1990 speelt Hopkins samen met Lindsay Wagner de hoofdrol in de tweedelige Amerikaanse TV-film “To be the best”.
En dan komt in 1992 de definitieve doorbraak met een oscar als beste acteur voor “Silence of the lambs” van Jonathan Demme! De rechten hiervoor berustten oorspronkelijk bij Gene Hackman, die dan ook de rol van Dr.Hannibal “the Cannibal” Lecter zou hebben vertolkt. Misschien zou hij dat niet eens zo slecht hebben gedaan, maar toch ben ik blij dat de rol uiteindelijk naar Anthony Hopkins ging, want hét beeld dat me van deze film bijblijft, is dat als hij vertelt hoe hij de lever van één van zijn slachtoffers met een heerlijk chianti-wijntje heeft verorberd.
Alweer krijgen we hier een voorbeeld van hoe film ingrijpt op ons eigen leven: eigenlijk zou geen enkel zinnig mens zich deze scène ook maar voor de geest kunnen halen zonder te moeten kotsen, maar dankzij een meesterlijke filmmaker (Jonathan Demme), ben je bijna geneigd Hopkins, of beter gezegd “Hannibal the Cannibal”, te geloven als hij zegt dat het hem heeft gesmaakt…
Die menselijke geloofwaardigheid van een dergelijk “monster” heeft natuurlijk àlles te maken met het acteertalent van Anthony Hopkins. Toch was het merkwaardig dat niet minder dan één vierde van de Britse kinderen de prachtige maar huiveringwekkende en voor hen zeker niet bevattelijke thriller “The silence of the lambs” had gezien. Anthony Hopkins trok hieruit alvast de conclusie dat de op til staande verfilming van het vervolg op “Silence of the lambs” er niet mocht komen, alhoewel dat zo gepland was en hij er oorspronkelijk zelfs enthousiast voor was (**).
Met de oscar voor “Silence of the lambs” kwam “the gravy train” (het succes) eindelijk aanrollen voor brave Anthony, die tot in de herfst van zijn loopbaan, ik zou niet zeggen tegen een hongerloon, maar dan toch tegen een veel lagere verdienste dan de Hollywood-barema’s voornamelijk in toneelstukken o.a. van Shakespeare (Macbeth, King Lear, Coriolanus, Anthony and Cleopatra) en van Shaffer (Equus) actief is geweest.
Dat hij daarom maar al te graag op ingaat op lucratieve aanbiedingen voor minderwaardige films als “Desperate hours” is begrijpelijk, al is hier de mislukking volledig op rekening van Michael Cimino te schrijven, “een man die de naam regisseur niet waardig is,” zegt Hopkins zelf. “Een ziekelijke maniak die zijn acteurs uitscheldt. Zowat het tegendeel van de goedaardige Richard Attenborough kortom. Men zegt wel dat Michael Curtiz bij het draaien van Casablanca ook onuitstaanbaar was en zelf heb ik ook eens met een Engelse regisseur gewerkt die ondoenbaar maar talentrijk was (David Lynch, RDS?), maar doorgaans stap ik het af als zo iemand het nodig vindt om te beginnen roepen en tieren.”
“Desperate hours” is het ultieme schrikbeeld van ieder braaf huisgezinnetje, namelijk de huiselijke vrede, die brutaal wordt verstoord door een nietsontziende gangster die zuiver toevallig (door de Wet van Murphy laten we zeggen) uw huis er uitpikt om wat uit te blazen tijdens zijn vlucht. Gebaseerd op “Desperate hours” uit 1955 van William Wyler met Humphrey Bogart verschuilen drie ontsnapte gevangenen zich dus in de villa van de familie Hilliard. In afwachting dat zij aan het nodige geld komen en hun vlucht kunnen voortzetten, dwingen zij de familieleden hun gewone leven voort te zetten…
Akkoord, Mickey Rourke als tegenspeler, dat boezemt niet direct vertrouwen in, maar als psychopatische gangster moet dat toch wel lukken, denk je dan. Verkeerd gedacht, zij het dat de mislukking van de film zeker niet op de schouders van de reeds zo vaak geplaagde Mickey valt te schuiven. En evenmin op die van Mimi Rogers, die de echtgenote van Hopkins speelt (net zoals in “Cape Fear” maakt het huwelijk wel een crisis door, maar het komt “gesterkt” uit de gebeurtenissen zoals het dan heet). En zeker niet op die van Kelly Lynch, die met haar mooie benen de eerste helft van de film toch nog een beetje overeind houdt.
Nee, de fout zit bij de scenaristen Lawrence Konner en Mark Rosenthal, die de Broadway-hit van Joseph Hayes naar de knoppen helpen door in de buitenscènes (het toneelstuk speelt zich uitsluitend in één kamer af) tal van inconsequenties in te lassen, die op de duur dermate irriteren dat men het uitgiert van het lachen: het zwaarste verwijt dat men een thriller kan maken!
Maar, zoals Hopkins zelf reeds had gezegd, in zo’n geval gaat de regisseur uiteraard ook niet vrijuit en dat is hier dan Michael Cimino, de man van “The deer hunter”, maar ook van “Heaven’s gate”, zowat de grootste flop uit de Hollywood-geschiedenis. Met “Desperate hours” bevestigt hij eerder dat “The deer hunter” een toevalstreffer was, dan omgekeerd.
Ook “Freejack” van Geoff Murphy, een andere als thriller bedoelde prent, was een mislukking. Hierin komt Hopkins helemaal niet tot zijn recht als degene die Mick Jagger controleert, als deze het lichaam van Emilio Estevez probeert te bemachtigen.
Daarna speelt Anthony Hopkins alweer een onbetekenende rol als uitgever George Hayden in “Chaplin” van Richard Attenborough met verder Dan Aykroyd als Mack Sennett, Kevin Kline als Douglas Fairbanks en Geraldine Chaplin als haar eigen grootmoeder Hannah. Robert Downey jr krijgt een oscarnominatie als beste acteur voor de titelrol. De agent van Hopkins had de rol oorspronkelijk afgewezen, omdat hij hem “te klein” vond. Toen Hopkins dat te weten kwam, ontsloeg hij de man en solliciteerde zelf naar de rol. Dat niet enkel omwille van zijn goede verstandhouding met Attenborough, maar ook omdat de film “Limelight” van Chaplin (uit 1952) een belangrijke rol heeft gespeeld in het leven van de jonge Hopkins. Hij was een beetje een op zichzelf teruggeplooid kind, dat moeilijk contacten legde met andere mensen. “Eigenlijk was dat ook het thema van de film,” zegt hij, “al ging het dan over de fundamentele eenzaamheid van de artiest. Ik schreef een brief naar Chaplin in Zwitserland om hem te zeggen hoeveel ik van de film hield en ik kreeg zowaar een antwoord van hem!”
Met “Howard’s End” sloeg Hopkins bovendien keihard terug. De fijnzinnige filmer James Ivory baseerde zich voor de derde keer op een werk van de romanschrijver E.M.Forster (na “Room with a view” en “Maurice”, terwijl David Lean diens bekendste werk, “Passage to India”, heeft verfilmd). Ook hier zou men dus van “herhaling” kunnen spreken, ware het niet dat het wellicht de beste film van de drie is. Anthony Hopkins heeft me alvast snel van repliek gediend, door in deze film de wanprestaties in “Desperate Hours” en “Freejack” meteen te doen vergeten.
Hopkins speelt de rol van Henry Wilcox, een rijke maar conventionele industrieel, die met lede ogen aanziet hoe zijn zoon Paul (Joseph Bennett) verliefd wordt op Helen Schlegel (Helena Bonham Carter), een intelligente, geëmancipeerde jonge vrouw. Als de verhouding op een sisser uitloopt, hoopt hij nooit meer iets met deze familie te maken hebben, maar door toevallige omstandigheden gebeurt het toch.
Meer zelfs, zijn vrouw Ruth (Vanessa Redgrave) wordt bevriend met Margaret Schlegel (Emma Thompson), de oudere zus van Helen. Deze laatste gaat nog steeds haar eigen gang en bekommert zich o.a. over een ongelukkig getrouwde jonge klerk Leonard Bast (Sam West). Als Mrs.Wilcox sterft, kan ze in het hospitaal nog vlug op een briefje krabbelen dat ze haar ouderlijk huis, Howard’s End, nalaat aan haar vriendin Margaret. De Wilcox-familie negeert dit briefje “omdat het onder emotionele omstandigheden is geschreven”.
Toch blijft Henry Margaret ontmoeten, meer zelfs, hij wordt er verliefd op en trouwt met haar. Als Helen hem, ondanks haar afkeer, vraagt Leonard aan werk te helpen, kan hij dat dan ook niet weigeren. Dit loopt echter slecht af, zodat Leonard totaal zonder bestaansmiddelen komt te staan. Als Helen hem confronteert met Bast én met diens vrouw (Nicola Duffett), blijkt dat Mr.Wilcox deze nog geruime tijd heeft onderhouden.
In de ontgoocheling die daarop volgt, zoeken Helen en Leonard even steun bij elkaar, waarna Helen naar Duitsland vertrekt. Margaret maakt zich ongerust en, op advies van haar echtgenoot, kan ze Helen overhalen terug te keren en haar intrek te nemen in Howard’s End, zeer tegen de zin van de oudste zoon Charles Wilcox.
Als ze terugkeert blijkt Helen in verwachting te zijn van een kind van Leonard. Charles gaat deze te lijf, waarbij Leonard sterft aan een hartaanval. Toch wordt Charles veroordeeld wegens moord en gevangen gezet. Nu stort Mr.Wilcox in elkaar en op die manier komt Margaret aan de weet dat Howard’s End haar eigenlijk toekomt. Ze koestert echter geen wraakgevoelens, maar neemt samen met haar echtgenoot wel haar intrek bij haar zuster, die bevalt van de baby.
Na “Spotswood” van Richard Brennan, volgde in 1993 dan “The trial”, de tweede verfilming van de roman van Franz Kafka (na die van Orson Welles met Anthony Perkins in de hoofdrol). De film werd op lokatie opgenomen in Praag. Regisseur was David Jones, scenarist Harold Pinter en verder nog Kyle MacLachlan, Jason Robards en Alfred Molina in de hoofdrollen.
Daarna volgde “The Innocent”, een politieke intrige en hartstocht tegen de achtergrond van de Koude Oorlog als terugblik bij de val van de Berlijnse muur. John Schlesinger verfilmde de roman van Ian McEwan met verder nog Isabella Rossellini.
Het duurde twee jaar voor “The Innocent” in ons land werd uitgebracht. Dat is meestal niet zonder reden. Deze film is dan ook niet zo goed als de voorgaande, maar toch gunnen we hem hier een plaatsje omdat het ongetwijfeld toch ook een onderschatte film is. Hopkins speelt in deze film een karikaturale Amerikaan, die uiteindelijk toch de overhand haalt op de “beschaafde” Engelsman. Deze rol wordt dan weer vertolkt door de Amerikaan Campbell Scott. Schlesinger deed dit opzettelijk omdat deze film gaat over het feit dat “niemand is wat hij lijkt”.
In “Dracula, the untold story” van Francis Ford Coppola speelde Hopkins Van Helsing. Hopkins heeft veel bewondering voor Coppola (“een genie”), maar het is twijfelachtig dat hij nog met hem zal werken, omdat hij de scènes te veel laat repeteren, iets waaraan Hopkins een hekel heeft.
Daarna kwam “The remains of the day” met praktisch het volledige team van “Howard’s end”. “The remains of the day” van James Ivory ligt in dezelfde lijn, maar nu is het niet E.M.Forster maar een Engelse auteur van Japanse afkomst, Kazuo Ishiguro, die de roman heeft geschreven waarop de film is gebaseerd. Die Japanse verdringing van emoties is goed weer te vinden in het karakter van de butler Stevens, gespeeld door Anthony Hopkins. Deze baseerde zijn personage zelf op zijn schoonvader, die ook zijn emoties niet kon uiten en gestorven is aan kanker. “En er is volgens mij een duidelijk verband tussen die twee zaken,” zegt Hopkins.
De film kon op acht Oscar-nominaties rekenen, waaronder beste film, beste regisseur, beste dramatische acteur (Hopkins) en beste dramatische actrice (Emma Thompson). Verder herkennen we nog Christopher Reeves (als congreslid Lewis, de nieuwe Amerikaanse eigenaar), James Fox (als Lord Darlington, de oude eigenaar met fascistische sympathieën), Hugh Grant (als zijn neef die Stevens moet onderwijzen in “the birds and the bees”) en Peter Vaughan (als vader Stevens).
In deze film hebben de butler Stevens en de huishoudster miss Kenton (Thompson) nog slechts “the remains of the day” om samen van het leven te genieten, maar uiteindelijk doen ze het niet. Dat is precies het tegenovergestelde van wat er gebeurt in “Shadowlands” van Richard Attenborough (fotografie van Roger Pratt en muziek van George Fenton). Daarin geven Anthony Hopkins en Debra Winger gestalte aan twee auteurs, de Brit C.S.Lewis en zijn 17 jaar jongere Amerikaanse vriendin Joy Gresham.
Deze tearjerker is gebaseerd op een scenario van William Nicholson, dat hij in 1985 reeds als TV-film had bewerkt en in 1989 als toneelstuk. De 53-jarige Clive Staples Lewis, die zichzelf (begrijpelijk genoeg) liever Jack laat noemen, leeft samen met zijn broer Major Warren ‘Warnie’, die tevens als zijn secretaris werkt (rol van Edward Hardwicke), in 1951 (***) een teruggetrokken leventje als professor Engelse literatuur aan de universiteit van Oxford.
Toch is hij bij het brede publiek bekend als auteur van een aantal dichtbundels, religieuze essays, SF-romans en kinderboeken (in Oxford was hij bevriend met Tolkien, die echter niet in de film voorkomt). Maar vooral van zijn religieus geïnspireerde voordrachten. Via fanmail komt hij in contact met de vrijgevochten Joy Gresham en haar zoontje Douglas, gespeeld door Joseph Mazello, die reeds de kleinzoon van Attenborough had gespeeld in “Jurassic Park” (hij is ook het zoontje uit “Presumed innocent”).
Douglas had ook nog een oudere broer, David, maar die komt in de film niet ter sprake. In de film is de kennismaking weinig geloofwaardig. Ondanks het feit dat de meeste critici (Hopkins zelf inkluis) de prestatie van Debra Winger (gekend van Urban cowboy, An officer and a gentleman, Terms of endearment, Mike’s murder, Sheltering sky, Betrayed, Black Widow, Legal Eagles, Leap of Faith, Dangerous woman, maar vooral als Moeilijk Karakter) prijzen, komt zij oorspronkelijk ongeloofwaardig over wat de aantrekkingskracht betreft die ze op Lewis uitoefent. Ze is niet bijzonder mooi, ze komt niet uit haar woorden en ze is “typisch Amerikaans”.
Het duurt eigenlijk tot ze een misogyne collega van Lewis op zijn plaats zet (John Wood doet als Christopher Riley nogal nichterig, maar in de mannenwereld van Oxford is dit ongetwijfeld te verdedigen, een bekend Oxford-gezegde in die tijd was: “Er zijn drie soorten vrouwen, mooie, slimme en de overgrote meerderheid”), vooraleer men begint te geloven dat ze inderdaad misschien wel de uitzonderlijke begaafdheid zou kunnen hebben die de échte Joy Gresham had.
Omgekeerd portretteert Hopkins een veel sympathiekere Lewis dan getuigen verklaren. De echte C.S.Lewis kon helemaal niet met kinderen omgaan, was demagogisch tijdens zijn redevoeringen (zoals alle bekeerlingen, inclusief Joy Gresham, wou hij katholieker zijn dan de paus, al is dit voor een Anglicaan wat ongelukkig uitgedrukt) en voor sommigen (zoals John Betjeman) ronduit onuitstaanbaar. Zijn lessen waren vervelend en hij legde het erop aan om zijn studenten te kleineren.
Hoe dan ook, Lewis wenst haar nog terug te zien, waarbij blijkt dat ze eigenlijk op de vlucht is voor haar man William Gresham, een Hollywood-scenarist (net als zijn vrouw, die ironisch genoeg niet aan de bak kwam in een periode dat “Goodbye Mr.Chips” werd gedraaid, een film die net als “American friends” met “Shadowlands” kan worden vergeleken) die bij gebrek aan succes (hij was net als Joy een lid van de KP geweest) aan de drank geraakt en agressief wordt als hij dronken is (Hopkins wordt hier wel nogal brutaal met zijn eigen verleden geconfronteerd).
Ondanks zijn maagdelijke bestaan tot op gevorderde leeftijd voelt Lewis nog een late midlife-crisis opduiken en vraagt hij zich (o.m. door contacten met één van zijn studenten, de opstandige Peter Whistler, rol gespeeld door James Frain en alweer een afschaduwing van Hopkins’ eigen rebelse jeugd) af of hij er wel goed heeft aangedaan om zijn leven totaal aan God en de literatuur te wijden.
Stilaan wordt hij verliefd op Joy, al wil hij dat voor zichzelf niet toegeven. Zo trouwt hij wel met haar om haar een verblijfsvergunning te bezorgen, maar het blijft een puur “technische” kwestie die voor de buitenwereld verborgen moet blijven. Joy van haar kant kan op een bepaald moment de afstandelijkheid niet meer aan en besluit hun vriendschap dan maar te verbreken.
Als Jack voor zichzelf moet toegeven dat hij niet zonder haar kan, is het te laat: ze heeft beenderkanker in een ver gevorderd stadium. Ze besluiten toch nog eens “echt” te huwen (oorspronkelijk heeft de Church of England dat geweigerd omdat Joy gescheiden was) en blijkbaar wordt het huwelijk ook geconsumeerd, al blijft die bedscène ons gelukkig bespaard.
In een korte tijdsspanne proberen zowel de ten dode opgeschreven Joy als de oudgeworden Jack hun leven nog in te halen (hij heeft tot dan toe altijd in “the shadowlands” geleefd: de zon scheen altijd elders, the grass is always greener on the other side), maar de dood wint het uiteindelijk. Op dat moment begint Jack dan toch de twijfelen aan de zekerheden die hij steeds meende te hebben.
Dit klopt niet meer met de biografie van Lewis (die tussen haakjes amper drie jaar later stierf aan een hartaanval, in 1963 precies op de dag dat Kennedy werd vermoord, wat er wel op wijst dat ze in werkelijkheid wel nog langer samen hebben geleefd, bijna drie jaar om precies te zijn, dan in de film) als men afgaat op wat de volwassen Douglas Gresham, die nochtans de productie van nabij heeft gevolgd en zegt dat ze vrij waarheidsgetrouw is.
Volgens Douglas heeft zijn stiefvader bij de dood van zijn moeder juist ontdekt dat “zelfs in de diepten van ellende er nog altijd God is”! Douglas werd na de dood van Jack en de ongeveer gelijktijdige zelfmoord van zijn natuurlijke vader verder opgevoed door Warnie, al was diens drankprobleem steeds maar groter geworden. Bijgevolg trouwde Douglas reeds op 21-jarige leeftijd met een meisje uit Tasmanië, waar hij ook ging wonen. Hij leefde er eerst in een woonwagen, maar werd uiteindelijk toch een radio-beroemdheid. Nu leidt hij een christelijke sekte.
Wellicht heeft de scenarist (die zelf zegt fictie te hebben geschreven die van de realiteit is vertrokken) hier zijn eigen twijfels gestalte gegeven ofwel… ofwel krijgen we hier Anthony Hopkins zelf aan het woord, want hij is een overtuigd existentialist, bewust van de absurditeit van het leven, de futiliteit ervan die wordt beklemtoond door de onafwendbare dood. Maar aangezien dit voor Hopkins geen reden is om morbiede rond te lopen, maar integendeel volop van het leven te genieten, ontmoeten de gelovige Lewis en de ongelovige Hopkins elkaar toch nog op zo’n cruciaal moment.
Zoals gebruikelijk heeft Hopkins niet veel research gedaan. “Het kan zijn dat ik een beetje lui ben,” zegt hijzelf, “maar ik vind dat alle elementen voor een goede vertolking in het script moeten zitten.” Persoonlijk ben ik geneigd hem gelijk te geven. Vooral als je het resultaat ziet. Hopkins is één van de weinige acteurs die onmogelijke situaties geloofwaardig kunnen doen overkomen. Natùùrlijk bestaan er Hannibal Lecters in het werkelijke leven en Jack Lewis is zelfs op een bestaande schrijver gebaseerd, het zal dus wel kloppen dat iemand pas op late leeftijd de lichamelijke liefde ontdekt, denk aan het spreekwoord van de oude schuur die in brand schiet (****), maar dat wil daarom nog niet zeggen dat eender wie zoiets aannemelijk op het scherm kan brengen. Hopkins wél. En of hij daarvoor nu tien boeken heeft gelezen dan wel tien whisky’s gedronken blijft mij glad eender. Het resultaat telt. Maar de tijd van de whisky is voorbij. Hij leeft nu erg gezond. Zo staat hij elke dag om half zeven op om te gaan joggen en bezoekt hij nog altijd driemaal per week een AA-bijeenkomst.
In 1995 was Anthony Hopkins niet enkel voor het eerst in een western te zien (“Legends of the fall”), bovendien maakte hij ook zijn komediedebuut in “The Road to Welville” van Alan Parker. Merkwaardig omdat Hopkins van zichzelf altijd heeft gezegd niet in staat te zijn in een komedie te spelen. Dat schijnt niet waar te zijn, al sta ik b.v. toch sceptisch tegenover een “vondst” als het dragen van twee konijnetanden. Aangezien hij in deze film de rol speelt van Dr.John Harvey Kellog uit Battle Creek, Michigan, die de geschiedenis inging als fanatiek vegetariër, vond hij dat Bugs Bunny toch ook een vegetariër bij uitstek was! Andere rollen worden vertolkt door Bridget Fonda en Matthew Broderick. De menselijke uitscheidingsfuncties zijn het voornaamste gespreksonderwerp in deze film.
Daarna fungeerde hij voor het eerst als regisseur en wel voor “August” (oorspr. “Scenes from a Country Life”), gebaseerd op “Oom Wanja” van Tsjechov. Het scenario is van Julian Mitchell (“Another country”). Hopkins speelt zelf de rol van Ieuan Davies (Wanja). Voor de andere rollen heeft hij o.a. een beroep gedaan op de dochter van zijn groot idool, Kate Burton, en op Leslie Phillips. Hij regisseert “Oom Wanja” overigens ook op het toneel voor een Welsh theater.
Heeft Hopkins uiteindelijk niet Beethoven geïncarneerd (in “Immortal beloved”), dan deed hij dat in 1996 wel met Picasso (waarvoor hij overigens uit de kleren moet, want Picasso schilderde meestal naakt) en met Nixon (van Oliver Stone). “Surviving Picasso” van James Ivory is gebaseerd op het boek van Arianna Stassionopoulos en behandelt zijn verhouding met Françoise Gilot in de jaren veertig en vijftig. De erven Picasso hebben zich tegen het project verzet en hebben gedaan gekregen dat geen werken van de schilder (zelfs niet als reproductie) mochten worden gebruikt.
Op 59-jarige leeftijd wilde Anthony Hopkins dan plots meer in actiefilms gaan optreden. In “The Edge” van Lee Tamahori (“Once Were Warriors”) kreeg hij daartoe al meteen ruimschoots de kans, aangezien de film wordt omschreven als “Deliverance” in Alaska. Daarna volgden in dat genre nog “The mask of Zorro” en “Mission: Impossible II”, maar men moet toegeven dat de actie toch niet echt van hem afkomstig is.
Dat is echter wél het geval in “Bad company” van Joel Schumacher uit 2002 (gevecht in een rijdende auto, achtervolgingen met de benenwagen…). Alhoewel Hopkins niet echt geloofwaardig is in deze actiescènes, blijft hij over het algemeen toch zijn flegmatieke zelf in de overige taferelen van deze film, die eigenlijk is gebaseerd op de aloude mythe van de “wandelende atoombom” die de USSR in haar bezit zou hebben gehad (dat heeft zelfs nog een rol gespeeld bij de McCarthy-hearings, zie hiervoor b.v. de biopic over John Nash). Toch heeft de film een structuur en een ritme dat aanspreekt. Negatief op het conto is evenwel de zogenaamd humoristische aanpak. Niet alleen wérkt de humor niet, hij is ook totaal misplaatst in een film met zo’n hoge body-count.
Veel beter is hij in “Fracture” van Gregory Hoblit uit 2007, een uitstekend “courtroom drama” waarin twee sterke persoonlijkheden (Anthony Hopkins en Ryan Gosling) een schaakspel op het allerhoogste niveau spelen. Ik heb me wel lopen af te vragen waarom de film “Fracture” heet, terwijl niemand zich daar op de Internet Movie Database schijnt druk over te maken. Ik veronderstel dan maar dat het over het volgende gaat: “My grandfather was an egg farmer. (…) I used to candle eggs at his farm. Do you know what that is? You hold an egg up to the light of a candle and you look for imperfections. The first time I did it he told me to put all the eggs that were cracked or flawed into a bucket for the bakery. And he came back an hour later, and there were 300 eggs in the bakery bucket. He asked me what the hell I was doing. I found a flaw in every single one of them – you know, thin places in the shell; fine, hairline cracks. You look closely enough, you’ll find that everything has a weak spot where it can break, sooner or later.”
Aldus het personage van Anthony Hopkins, waarop Ryan Gosling repliceert: “You’re looking for mine?”
Hopkins: “I’ve already found yours. (…) You’re a winner, Willy.”
Want openbare aanklager Willy Beachum (rol van Gosling dus) staat op het punt de overstap te maken naar een erg lucratieve betrekking in de privé-sector en in het begin heeft het er de schijn van dat deze moordzaak een walk-over is. Maar in plaats van zich neer te leggen bij de onafwendbare nederlaag, als hij in de maling blijkt genomen te zijn, zet Gosling zijn toekomst op het spel en bijt zich als “winner” vast tot het de ondergang van Hopkins wordt. (Ik denk wel dat ik hier niks mee “weggeef”, want in een Hollywoodfilm moet het recht zegevieren natuurlijk.)
In 2012 doet hij zowaar mee aan een ensemblefilm, “360” van Fernando Meirelles. Het is een europudding, een soort van moderne versie van “La Ronde”, waarbij men op het einde van de film weer op het beginpunt uitkomt (vandaar de titel die eigenlijk 360 graden wil zeggen). Hopkins krijgt wel de kans om eens even te schitteren op een AA-bijeenkomst, maar voor de rest loopt hij er toch maar even verloren bij als de andere acteurs.

Referentie
Ronny De Schepper, Anthony Hopkins: films voor volwassenen, Steps magazine, mei 1994

(*) Gelukkig heeft Hopkins – in tegenstelling tot mij – wél volgehouden en nu geeft hij zowaar zelfs recitals, waarbij hij vooral Chopin (zijn grote liefde) en… werken van zichzelf speelt (André Rieu heeft zowaar een wals van zijn hand opgenomen.)
(**) Pas in 2001 zou “Hannibal” er komen.
(***) In de realiteit speelde de ontmoeting zich een paar jaar later af.
(****) Al had hij volgens zijn biograaf A.N.Wilson een ongelukkige affaire gehad in zijn jeugd en zou dàt de oorzaak van zijn terughoudendheid geweest zijn; hij zou ook een verhouding gehad hebben met zijn 25 jaar oudere huishoudster, de moeder van een vriend die aan het front was gesneuveld. Je zou kunnen zeggen: zoals àlle pastoorsmeiden, maar misschien toch ook weer niet, want Wilson spreekt over een SM-verhouding, maar hij bedoelt wellicht dat Lewis de vrouw vernederde: pas als ze ouder en onaantrekkelijk wordt, beroept hij zich op zijn bekering om niet meer met haar te moeten vrijen.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s