Morgen wordt Jakob Beks zestig jaar. In de TV-serie “Wolven” heeft hij het al gevierd door met Joyce Van Severen het bed in te duiken op Curaçao, met alle gevolgen vandien (want Joyce heeft zijn hologram gestolen, wat ze met haar leven moet bekopen, en zo gaan de poppen aan het dansen). Maar morgen zal de echte Jakob Beks het wel wat kalmer aan doen, veronderstel ik.

Jakob Beks heb ik bijna dertig jaar geleden leren kennen in het Speelteater van Eva Bal, waar André Vermaerke toen nog werkte. Samen met Mia Grijp, Raymond Bossaerts en Luk De Koninck behoorde hij tot de beroepsacteurs in “Spring”, waarin zowaar ook Nic Balthazar als klein baasje zat. (“Spring” is door het Speelteater zelfs op Broadway opgevoerd!) en nadien, toen Eva Bal zich vooral op het “braakliggend terrein” voor de tienerleeftijd ging toeleggen, vormde hij met dezelfde acteurs een hecht team in stukken geregisseerd door André Vermaerke (“Adrian Mole” b.v.). Was dat ook zijn professionele debuut? Ik wil het weten op een avond in het café van Studio Skoop, nu ook al meer dan vijftien jaar geleden.
Jakob Beks: Ik had al vijf jaar Arena achter de rug, toen dat nog geen volledig musicaltheater was. Maar in het seizoen 1975-76 zat ik b.v. nog wel in William Shakespeares “Merchant of Venice” in rockbewerking. Dat was dan “Sun man“, opgevoerd in een regie van Jaak Vissenaken. Daarna ben ik free-lance gegaan en mijn eerste samenwerking was inderdaad met het Speelteater omwille van het feit dat daar improvisatorisch werd gewerkt. Maar daar was de improvisatie wel totaal. Ik wil zeggen: we vertrokken zonder tekst of zonder iets, werkelijk vanaf nul. Ik doe dat zeer graag omdat ik dan altijd het gevoel heb dat de dingen die je doet dan ook echt van jezelf zijn. Wat niet wegneemt dat ook andere dingen van jezelf kunnen worden. Van totale improvisatie ben ik ondertussen afgestapt omdat we daar dramaturgisch niet sterk genoeg in zijn. Ik denk daar weliswaar graag aan terug, omdat we veel plezier hebben beleefd, al hebben we ook erg moeilijke dagen gekend, omdat je er soms echt niet uitkomt. In die periode heb ik trouwens mijn eerste verwittiging gekregen wat mijn hart betreft.
– “Eerste”?
Jakob Beks:
Ja, ook later heb ik het soms wel eens kalmer aan moeten doen, maar zo erg was het nu ook allemaal weer niet, hoor.
– Het is wel grappig op te merken dat je toen vooral een kwajongen speelde. Het waren tienerproducties en alhoewel jullie zo’n vijf à tien jaar ouder waren dan jullie publiek had ik de indruk dat de identificatiegraad bijna maximaal was…
Jakob Beks:
Dat maakte deel uit van het systeem natuurlijk. Met André maakten we een aantal scènes à l’improviste en daarmee trokken we dan naar ettelijke scholen om ze uit te proberen. En dan vroegen we heel specifiek of die jongeren zichzelf daarin konden terugvinden of op z’n minst toch de problematiek die we erin aansneden.
Met zijn vertolking van de titelrol in Voader (november 1990) van de Blauwe Maandag Compagnie gooide Jakob Beks hoge ogen. Eindelijk kreeg een acteur die reeds sedert jaren zeer verdienstelijk werk afleverde de media-aandacht die hij verdiende. Dat de mediabelangstelling voor “Voader” groot was, hoeft niet meer te worden bewezen. In De Rode Vaan alleen al werd er tweemaal aandacht aan besteed. Eerst, zoals het hoort, met een recensie en daarna in de vorm van een gesprek met regisseur Luc Perceval. Om niet aan “overkill” te doen, sprak ik met Jakob Beks dan ook een gepast tijdstip af voor dit gesprek.
“We zouden b.v. kunnen wachten tot je met je vertolking één of andere prijs wint,” stel ik voor. Jakob wuift de idee (weliswaar geflatteerd) weg, zoiets uitspreken in toneelmiddens brengt onheil, veronderstel ik. We besluiten dan maar er toch niet te veel tijd te laten overgaan. Op die manier liggen een aantal zaken de lezer nog vers in het geheugen. Zoals deze uitspraak van Luc Perceval in “De Rode Vaan” van 30 november 1990 b.v.: “Voor mij is het creëren een evolutie. Vandaar ook mijn uitspraak dat een acteur niet noodzakelijk goed hoeft te zijn. Ook het acteerwerk zie ik liever als een evolutie. Dit is nu de derde productie die ik met Jakob Beks doe. In de voorgaande heb ik die steeds een stap dichter naar de ‘Voader’ zien toegroeien. Nu nog zie ik hem per voorstelling groeien en falen. Dat vind ik boeiender dan een acteur die bij een eerste lezing al zijn rol leest zoals hij hem zou willen spelen.”
Als ik Jakob ermee confronteer, moet hij er eens rustig bij gaan zitten.
Jakob Beks: Ik denk dat Luc in eerste instantie iemand is die meer met de mens dan met de acteur werkt. Vandaar ook dat hij eerder de mens achter de acteur kiest voor een bepaalde rol in plaats van het “technisch product”, zoals men een acteur zou kunnen omschrijven. Vandaar ook die uitspraak over dat ‘groeien en falen’. Wij hebben aan deze voorstelling immers bijna improviserend gewerkt, weliswaar mét tekstkennis, en daarin voel je dan inderdaad een heel duidelijke evolutie. Als hij dan echter het product als “af” zou beschouwen op het moment van de première, dan zou dat ook betekenen dat het van dan af tot en met de laatste voorstelling precies hetzelfde is. En dat is in zekere zin ook oninteressant voor ons, acteurs, die liever een voorstelling nog altijd zien evolueren. Maar dat houdt natuurlijk wel het gevaar in dat je er nu eens boven, dan weer eronder en gelukkig ook wel eens vlak erop zit.
– Zou ik dan zo ver mogen gaan van te beweren dat die casting van jou, eerst in “De Meeuw” en daarna in “Strange Interlude”, eigenlijk een welomlijnde planning was om uiteindelijk bij “Voader” te arriveren?
Jakob Beks:
Zeker niet. Ik denk dat het zowat halverwege is gegroeid, dus tijdens “Strange Interlude”. In “De Meeuw” speelde ik duidelijk een bijrol, een “maak-rol” ook, met een opgeplakte buik en een verzette stem. Ook bij “Strange Interlude” liep ik op de schreef van de karikatuur, maar daar het hier een rol betrof die over verscheidene jaren liep, kon ik nu een paar schakeringen laten zien die min of meer verliepen van een karikatuur over een “normale” vertolking tot een nog veel meer uitvergrote karikatuur aan het slot. Ik denk dat voornamelijk tijdens dat middendeel Luc zal hebben gezien dat in mij ook die figuur van “Voader” aanwezig was, zoals hij dat dan zag.
– Denk je dat je kleine gestalte daarbij een rol heeft gespeeld? Ik verklaar me nader: Strindberg schrijft wat we bijna een anti-feministisch pamflet zouden kunnen noemen. Tekstueel wordt dat niet echt weggenomen, want het gebruik van het dialect werkt niet trivialiserend, maar verhevigt nog de bitterheid van de tekst. In de regie daarentegen voel je meer sympathie voor de vrouw dan voor de man. Heeft hij daarvoor opzettelijk een gedrongen vaderfiguur genomen? Om hem a.h.w. te kleineren?
Jakob Beks:
Ik durf daar niet op antwoorden. Ik denk dat je dat nu eenmaal moeilijk van elkaar kunt loskoppelen. Soms zegt hij wel eens bij wijze van boutade: “Ik probeer in mijn groep alle uitersten van Vlaanderen bij elkaar te brengen, de dwergen en de reuzen, de diksten en de dunsten.” Luc houdt dus wel van extremen, dat is zeker. En in die visie kan ik mij wel voorstellen dat het er eventueel iets mee te maken kan hebben gehad. Maar je moet wel weten dat in eerste instantie Jappe Claes was aangezocht om de rol te spelen. Ikzelf zou dan de dokter geweest zijn.
48 jakob beks– Dat zou dan toch een gans ander stuk gegeven hebben?
Jakob Beks:
Zonder meer.
– Jappe is wel erg mager en op die manier is hij ook wel freel en breekbaar, maar anderzijds heeft hij een typische manier om zich op de scène te bewegen, een soort van hautaine houding die dan integendeel de visie van Strindberg juist zou versterken in plaats van ondergraven…
Jakob Beks:
Ik kan daar uiteraard moeilijk op ingaan, maar Jappe heeft inderdaad een zeer karakteristieke kop die zeer zeker bij een bepaalde regie-opvatting zou horen. Maar wij zijn uiteraard twee totaal verschillende acteurs.
– Wat ook betekent dat wanneer Perceval die wissel heeft doorgevoerd, hij in zijn hoofd een heel ander stuk heeft zien ontstaan?
Jakob Beks:
Ja, maar Luc heeft bij dit stuk zeker niet conceptueel gewerkt. Hij is begonnen met zich in Strindberg te verdiepen zonder zich erom te bekommeren wie in de cast wat ging doen. Ik denk dus dat die verwisseling van acteur bijna geen rol heeft gespeeld, omdat het gebeurde in een stadium dat hij nog niet bezig was met hoe de voorstelling eruit zou zien. Dan hebben we het stuk gesplitst in vier bedrijven en deze elk apart improvisatorisch benaderd. Na twee, drie dagen haalde hij dan uit elk bedrijf een aantal zaken die hij interessant genoeg vond om op door te gaan. Vandaar dat de regie dus ook op voorhand niet gestructureerd was. Ik zeg niet dat hij hem uit zijn mouw schudde, maar hij trok zaken naar voren die hem vanuit de acteurs werden aangebracht. Een manier van werken waarop ik erg prijs stel overigens.
– Dit alles geeft hoe dan ook een goed beeld van hoezeer een free-lancer van het ene uiterste in het andere kan vervallen. Nu zijn acteurs altijd al een soort van kameleons, ook in een vast gezelschap moeten zij van een komedie in een tragedie stappen, van een bepaalde rol in een totaal andere, maar zijn free-lancers niet verplicht nog grotere kameleons te zijn dan de anderen?
Jakob Beks:
Je mag dat zeker niet overdrijven. Waar je ook gaat, je hebt nu eenmaal een bepaald “emplooi”, een soort van typecasting. Bij “Voader” vind ik echter dat dit niet aan de orde is, maar dat is dan ook dankzij een Luc Perceval die daar heel bewust wil van afstappen. Anderzijds mag ik ook niet klagen, want binnen dat soort van typecasting had ik toch nog een ruime waaier. Maar de KNS gaat mij niet vragen om Othello te spelen natuurlijk. Jago zou dan nog eerder gaan.
Jakob Beks– Ja, men zou omgekeerd die vrijheid juist kunnen aanwenden om alleen die rollen te aanvaarden die precies binnen je mogelijkheden vallen. Maar kàn dat eigenlijk wel hier in Vlaanderen, als je niet van honger wil omkomen? We zitten hier zowaar bij het Sociale Aspect.
Jakob Beks
: Hoe spijtig het ook mag klinken, je bent vaak verplicht een gulden middenweg te zoeken. Ik mag m.a.w. van de mensen niet verlangen dat ze mij Othello doen spelen. Alleen probeer je, als je daartoe de kans krijgt, aan te geven dat er ook nog andere zaken dan dat specifieke emplooi in jou zitten. Maar dat heeft zeer veel met het toeval te maken. Het juiste moment, de juiste regisseur, het juiste stuk.
– En dat was “Voader” wel, niet?
Jakob Beks
: Alleszins. Maar het “geval” Jappe Claes bewijst tevens hoezeer we afhankelijk zijn van het toeval. Soms dient zich een buitenkans aan en dan ben je b.v. toevallig niet vrij, zodat je voor hetzelfde geld nog tien jaar op een dergelijke kans moet wachten. Al moet ik je wel zeggen dat ik minder problemen heb gehad met mijn gestalte, als je lijkt te insinueren. Alleen Linda Lepomme is ooit eens bij een regisseur haar beklag gaan doen omdat ze zich moest bukken om me te kussen. Nu ik erover nadenk, ’t is eigenlijk juist omgekeerd. Ik heb er eigenlijk mijn rol in “Bex & Blanche” aan te danken. Dat heeft Ward Hulselmans – zoals de titel zelf al aangeeft – letterlijk op mijn lijf geschreven. In een andere serie, “Niet voor publicatie”, speelde ik een BOB’er, die Ward had gebaseerd op een bestaande figuur: iemand van twee meter tien die 120 kilo woog. Toen hij mijn meter zestig zag staan op de set zei hij tegen regisseur Peter Simons: “Dat kàn niet, hé, dat is de helft van wat ik wil.” Maar toen hij mij zag spelen, vond hij het toch goed, vandaar dat hij daarna besliste om iets speciaal voor mij te schrijven. Overigens, als die serie op de VRT was uitgezonden, dan waren er nog tien seizoenen van gemaakt. Maar op VTM wogen de kijkcijfers door en die waren volgens hen niet hoog genoeg. Ik vond dat de serie beter verdiende.
– Toen je de hoofdrol vertolkte in “Vuil spel” van Luk Wijns bij De Vieze Gasten liep de samenwerking echter niet zoals het had gekund, zodat Wijns zelf besloot zijn eigen stuk nog eens solo over te doen omdat hij niet tevreden was. Moet kunnen?
Jakob Beks:
Moet zeker kunnen. Ach, laten we de dingen duidelijk stellen. Op een moment dat ik werkloos was, belt Luk me op om te vragen of ik dat wou doen. Ik had met hem al een soort van “sprookjes” gedaan, maar erg goed kende ik hem toch niet. Wat me echter wel interesseerde, was dat hij toen een soloproductie had gedaan, “Alleen”, op basis van eigen teksten. Nu is dat iets wat mij mateloos interesseert, want dat is een droom die ik ook ooit hoop te verwezenlijken, zo’n soort one man show met eigen teksten of met teksten die speciaal voor mij zijn geschreven. En daarom dacht ik: potverdomme, dat is de ideale gelegenheid om kabaretesk te gaan werken. Zowel Luk Wijns als Vuile Mong werkten immers in dat idioom. Daarbij kwam nog dat idee van opnieuw de straat op, rondtrekken met een tent, een ander publiek bereiken dan het gewone theaterpubliek, zeg maar een wat linkser publiek, kom, volks en kritisch. Maar daarom was ik zo verbaasd over de moeheid die daar heerste. Ik vond dat die moeheid daar zo mogelijk nog groter was dan in de traditionele theaters waar ik tot dan toe had gewerkt. Mijn verwachtingen waren duidelijk te hoog gespannen. Voor mij had dit opnieuw theater als een feest moeten worden.
– Voor jou was het iets nieuws, maar zij zaten al aan het einde van hun bobijntje.
Jakob Beks:
Zoiets ja. En dat is niet te verwonderen hoor. Want ik werd daar in de watten gelegd. Ik moest de tent niet mee helpen opbouwen of afbreken. Terwijl zij daar nog stonden te sleuren, ging ik dikke pinten pakken (lacht smakelijk). Ik hoorde er m.a.w. niet echt bij. En dat lag ook aan mij. Want van zodra ik merkte dat het “feest” niet zo direct te bespeuren was, heb ik ook geen poging meer gedaan om er echt bij te horen (*). Bovendien vond ik dat Mong zelf dat nog wel in zich had – als hij weer eens uit de bol ging op scène, moest ik hard bijbenen om ook niet weg te worden gespeeld – maar dat kon niet van alle leden van de groep worden gezegd.
– Met André Vermaerke heb je reeds twee soloproducties gemaakt. Vooral “De fetisjist” vond ik toen zeer geslaagd. Toch is de voorstelling een beetje de mist ingegaan en het was zeker geen aanleiding voor de pers om zich op jou te storten. Alhoewel dat volgens mij wel had gekund.
Jakob Beks
: Ja, maar dat komt omdat ik met “De fetisjist” een beetje teveel op zeker heb gespeeld, vind ikzelf. Daar heb ik bijna een kopie gemaakt van wat ik heb geobserveerd in een paar instellingen. Ik wil er immers aan herinneren dat ik iemand op het toneel plaats die in een instelling opgesloten zit omwille van zijn fetisjisme voor vrouwenondergoed. Als totaal zinloze bezigheidstherapie heeft André er dan nog die sinaasappels bijgebracht die ik heel de tijd in zo van die zachte papiertjes wikkel. En ik vertelde dus wel wat die mens meemaakte, maar ik vertelde te weinig wat ik daarvan zélf vond. Ik kroop m.a.w. in dat personage, maar toch hield ikzelf te veel afstand. Om het wat overdreven uit te drukken: ik speelde een “manneke”. Dat had wellicht met het stuk zelf te maken dat een andere benadering niet toeliet, maar juist daarom zou ik het nu niet meer kiezen. Het tweede solostuk “Enfantillages” is echter nog méér de mist ingegaan!
48 jakob beks– Ik heb liever dat je het zelf zegt. Maar hier vond ik nu weer dat het een minder geslaagd stuk betrof.
Jakob Beks:
Het was inderdaad ook geen goed stuk. En hier was het probleem nog groter. “De fetisjist” had ik immers opgezet om voor mijzelf te bewijzen dat ik mensen anderhalf uur kon boeien. IJdelheid zeker? Al moet ik er ook wel aan toevoegen dat het toen de tijd was van het armoetheater, waarin monologen welig tierden. Maar met “Enfantillages” wilde ik dus verder gaan. Hier ging het over een kind die de bezigheden van de volwassenen om zich heen op zijn eigen manier ontrafelt. En die ontrafeling houdt uiteraard ook een vorm van kritiek in. Alleen was dit stuk toen al te weinig hedendaags. We zien b.v. hoe een pastoor, een onderwijzer… dat kind vanalles wijsmaken. Maar die hebben op dit moment nog zo weinig “macht” over een kind dat dit op geen enkele manier nog een soort van revolte zou kunnen inhouden. Dat waren wel dingen die ikzelf nog aan de lijve had ondervonden. Maar ik kom dan ook uit een klein Limburgs dorpje (Hamont) en als je in Gent, Antwerpen of Brussel zit, word je wel met andere problemen geconfronteerd. En het theater dat ik wil maken, maak je hoe dan ook meer voor stedelingen. Dat is een gevaarlijk begrip, dat besef ik wel, en het betekent zeker niet dat een voorstelling ergens in een cultureel centrum te velde niet kan overkomen, maar een kritische blik en minder morele vooroordelen vind je toch bij een stedelijk publiek. Daarom wilde ik zaken toevoegen aan dit stuk die bijna meer iets over mezelf zeiden dan wat de auteur had bedoeld. Maar tegelijk zijn we daar dan weer niet ver genoeg in gegaan. Het bleef allemaal een beetje te braaf.
Wanneer hij echter als BTW ofte Bernard Theofiel Waterslagers vanaf 28/11/1998 Jacques Vermeire als DDT moet doen vergeten in “F.C.De Kampioenen” loopt het evenwel faliekant af (*). Ook dàt is een illustratie van Jakobs stelling, natuurlijk.
In 1996 speelde hij voor Malpertuis samen met Chris Lomme en Wim Wullaert ook nog in “De stoelen” van Eugène Ionesco. De regie was in handen van Chris Vanneste. Daarna kwam hij nog eens bij Blauwe Maandag terecht voor “Faeces” van Stany Crets en vooral voor “Ten oorlog”. Van ’t een uiterste in ’t ander: op 28/10/2005 maakte hij zijn debuut in “Thuis” als de nieuwe echtgenoot van Nora Tilley. Alhoewel ze samen in Studio Herman Teirlinck hadden gezeten, was het toch de eerste keer dat ze echt samen speelden. Daarna speelde hij op televisie nog in de series “Sara” en “Katarakt”, maar telkens waren het niet zo’n grote rollen.

Ronny De Schepper

(*) Op 28 december 2007 ging in een circustent op het Wintervuurplein in Deurne “Circusnachten” van Angela Carter in première. De rol van circusdirecteur wordt vertolkt door Jakob Beks. En wat zegt Jakob daarover in de Gazet van Antwerpen van 7/12/2007? “Niet evident, zo’n tent bouwen in de winter!” Ha zo? Steekt hij deze keer dan wél de handen uit de mouwen? ;-)
(**) “Ik moest een kok spelen, maar ik kan ten hoogste een boterham smeren, spaghettisaus maken of een ei bakken.”

Selectieve bibliografie
Cathérine De Kock, Jakob Beks zit tussen het fruit en de koekjes in ‘Sara’ en ‘Katarakt’, Het Nieuwsblad, 12/1/2008.
Ronny De Schepper, Jakob Beks is een boeiend “Fetisjist”, De Rode Vaan nr.6 van 1984.
Ronny De Schepper, Jakob Beks: “Ik wil een one-man-show”, De Rode Vaan nr.2 van 11 januari 1991.48 jakob beks

Een gedachte over “Jakob Beks wordt zestig…

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s