Martin Scorsese wordt zeventig…

“Don Siegel zei ooit: toon in de eerste scène alles waartoe je personage in staat is. Voor mij is dat zo goed als een axioma geworden.” Aldus Martin Scorsese (New York, 17/11/1942) in Humo. Als dat inderdaad zo is, wat doen we dan met de openingsscène van het verwar(ren)de “Shutter Island” (2010)? Daarin kotst “detective” Leonardo DiCaprio immers zijn ziel uit zijn lijf. Dat ik aanhalingstekens plaats rond het qualificatif “detective” heeft natuurlijk een reden, net als het feit dat ik het hoofdpersonage benoem met de naam van de acteur in plaats van met zijn “echte” naam. Omdat er dus redenen zijn om de aanhalingstekens hier kwistig rond te strooien dus. Een beetje teveel om goed te zijn, als je ’t mij vraagt. Dat m.a.w. “Shutter Island” een “verwarrende” film is, is een compliment, maar dat het tegelijk ook een “verwarde” film is, is dat uiteraard niet…

Maar goed, in dat interview met Humo leren we ook nog dat de lievelingsfilms van Scorsese zijn: “The searchers” van John Ford, “Citizen Kane” van Orson Welles, “The red shoes” van Michael Powell, “Otto e mezzo” van Federico Fellini en “Il Gatopardo” van Luchino Visconti. Van zijn eigen films houdt hij het meest van “Goodfellas” (waarvoor hij toch zo graag een oscar had gekregen), al kan hij eigenlijk niet naar zijn eigen werken kijken, omdat ze te autobiografisch zijn. (Het interview dateert uit de tijd van ver vóór “Shutter Island”, dus dat zullen we in dit geval ook maar onder de mat vegen.)
Maar daarom misschien dat “The last temptation of Christ” een uitzondering is, al wou Scorsese eigenlijk priester worden en dat is er ook goed aan te zien. Ook in “Cape Fear” (1992) heeft hij eigenlijk een beetje het verhaal van Job in gebracht, nl. Job die door God op de proef wordt gesteld. Eigenlijk was dit een remake van de film van Jack Lee Thompson met Robert Mitchum als “de slechte”, Gregory Peck als “de goede”, Telly Savalas als de privé-detective en met muziek van Bernard Herrmann. Het grootste verschil met de remake van Martin Scorsese is dat op het einde Mitchum niet wordt gedood, maar dat hij gevangen wordt genomen met het vooruitzicht op levenslang (omdat hij de agent heeft gedood die het gezin moest beschermen), wat eigenlijk een veel betere straf is voor hem dan de doodstraf, zoals Peck het stelt.
LITTLE ITALY
Martin Scorsese debuteerde met “Who’s that knocking at my door” (later vooral bekend als “I call first”), dat zeer Europees (Godard!) van sfeer is. De inhoud is echter typisch “Little Italy”, want Harvey Keitel speelt J.R., een soort alterego van Scorsese, die zo katholiek is dat hij met een Franssprekend meisje uit New York (Zena Bethune) niet naar bed wil vóór het huwelijk. Zijn wereld stort dan ook in elkaar wanneer hij hoort dat ze door haar vorige vriend werd verkracht, omdat het tevens ook een kritiek op de American dream inhoudt en over het algemeen een ‘mal de vivre’ weerspiegelt, zoals in “Alice doesn’t live here anymore”, de volgende film van Martin Scorsese.
Maar eerst draaide de snel pratende, astmatische jonge Amerikaanse filmer de kruimelgangsterkroniek “Mean Streets”. De film werd de revelatie van het alternatieve festival in Cannes, de Quinzaine des Réalisateurs. En dan in 1976 geeft jury‑voorzitter Tennessee Williams een curieuze persconferentie waarin hij het geweld in de geselecteerde films aanklaagt. Een weekje later wint de brutaalste film uit de selectie, “Taxi Driver” van Martin Scorsese, de Gouden Palm. Nog later krijgt Scorsese er voor “After hours” (1985) de regieprijs.
“New York, New York” (1977) met Liza Minnelli, Robert DeNiro, Lionel Stander, Barry Primus en Mary Kay Place is het verhaal van een egoïstische en weerzinwekkend arrogante saxofonist (DeNiro), die een zangeresje (Minnelli) ontmoet. De film schetst hun relatie tegen de achtergrond van hun strijd om het te maken binnen de muziekbusiness. De vaak onderschatte en spectaculaire musical “New York, New York” wordt in Scorsese’s handen een ode aan het genre van de bigband musical uit de jaren veertig en vijftig. De derde protagonist is de stad New York, een gestileerde versie van Manhattan, opgeroepen in overduidelijke nepdecors.
Daarna volgde “The last waltz”, een registratie van het afscheidsconcert van The Band op initiatief van groepslid (leider?) Robbie Robertson. Deze deed bewust een beroep op Martin Scorsese, omdat deze reeds had meegewerkt aan “Woodstock” en “Elvis on Tour”. En toch wordt er geen gebruik gemaakt van split-screen in deze film! (Applaus!) Wel een sobere camerabegeleiding (zo veel mogelijk met vaste camera’s) met een mooie cadrage, voor zover dit mogelijk is bij die deksels onverwachts bewegende rockmusici.
Een “muzikale” montage (de beeldwisseling verandert naargelang er iemand invalt) rondt het geheel volmaakt af. Volgens mij kon het niet perfecter, wat echter niet wil zeggen dat het een perfecte film is.
Het gelul terzijde gelaten, kom ik steeds meer tot de bevinding dat het filmen van rock onbegonnen werk is. Zelfs de “absolute” film van Adrian Maben, “Pink Floyd at Pompei” faalde hierin. Maar binnen zijn mogelijkheden is “The Last Waltz” best te genieten.
CAPE FEAR
De remake van “Cape Fear” (1992) was oorspronkelijk bedoeld voor Steven Spielberg. Het originele scenario is immers ook een typisch Spielberg-gegeven: de “goede” familie die wordt bedreigd door de “slechte” buitenstaander. Toen Martin Scorsese het project overnam (enerzijds omdat hij het wel een uitdaging vond eens een thriller te verfilmen, maar anderzijds vooral omdat hij een kassucces nodig had, zijn films mochten tot dan toe immers bewierookt worden, veel geld hebben ze niet opgebracht), eiste hij dan ook dat dit aspect zou worden herschreven. Hij liet het huwelijk helemààl niet zo vlot verlopen en met de dochter zijn er ook al problemen. In de oorspronkelijke film is de scène tussen de dochter en de “wreker” trouwens een ordinaire achtervolgingsscène, maar Scorsese maakte er dus deze prachtige verleidingsscène van, omdat deze geestelijke “verkrachting” volgens Scorsese bijna even erg is als een “gewone”. Overigens is het juist in déze scène dat Juliet Lewis zo groots is.
Scorsese wou eigenlijk priester worden en dat is er ook goed aan te zien. In “Cape Fear” heeft hij eigenlijk een beetje het verhaal van Job verwerkt, nl. Job die door God op de proef wordt gesteld. De tatouages zijn wel een idee van Robert de Niro, die zich zoals gewoonlijk goed had gedocumenteerd. “Cape Fear” (alhoewel het een eigennaam is, betekent het niet toevallig “Kaap Angst”) zit inderdaad veel dichter tegen de “het kan mij ook gebeuren”-theorie aan. Uiteraard zijn wij niet allemaal succesvolle advocaten die door achterhouding van “verzachtend” bewijsmateriaal een zware crimineel voor twintig jaar achter de tralies hebben gedraaid, maar de blinde wraakgedachte die aan de basis van déze film ligt, is wel een reële schrik van ieder van ons.
Robert de Niro verkiest in deze film namelijk het leven van advocaat Nick Nolte serieus overhoop te halen, boven de tweede kans die hij zelf krijgt in dit leven. De geestelijke en lichamelijke opleiding die hij tijdens zijn gevangenschap heeft genoten, gebruikt hij niet als een middel tot persoonlijke verrijking (materieel of spiritueel), maar enkel in functie van een allesvernietigende wraak. Het levend geworden tegendeel van het gezegde “mens sana in corpore sano” (een gezonde geest in een gezond lichaam). En dat kan op eender welk niveau inderdaad altijd gebeuren. Om het nog maar bij het zeer banale te houden: je wil eens een glas gaan drinken en een dronkaard valt je lastig. Of je hem nu negeert of niet, je avondje uit is volledig verpest. Dat is eigenlijk de kern van de thriller: banale gebeurtenissen worden uitvergroot en juist daardoor overwinnen wij onze angst voor de banaliteit van elke dag. “Er gebeuren heus wel erger dingen dan dat.” Vandaar ook dat de thriller, uiteraard met Meester Hitchcock op kop, daar zo prachtig voor geschikt is. Beter dan het melodrama dat deze gevoelens eerder aandikt (zoals een schilder die meer verf gebruikt) en daardoor vaak op de grens van het welvoeglijke balanceert. Ik denk aan de Franse film “Cela n’arrive qu’aux autres” (over een kind dat verongelukt) en zelfs aan successen als “Kramer versus Kramer” (echtscheiding) en “Love story” (kanker).
THE AGE OF INNOCENCE
Vele jaren daarna kwam “The age of innocence” (1993) als illustratie van het grote succes van de Chinese films met hun trage ritme, hun ingehouden passie en hun grote aandacht voor de vorm en de weerslag daarvan op de westerse filmproductie. De titel wordt in het Nederlands vertaald als “De jaren van onschuld”, wat dus op de leeftijd van de hoofdpersonages lijkt te slaan. Aangezien ze niet zo “onschuldig” blijken te zijn (op uitzondering van Winona Ryder zijn ze trouwens niet eens zo jong), vind ik persoonlijk dat het beter zou vertaald worden als “Het tijdperk van onschuld” en daarmee zou je dan de wereld kunnen omschrijven die door de Eerste Wereldoorlog definitief tot het verleden doet behoren. Hoe dan ook, het is vooral Michelle Pfeiffer, die hier een schitterende acteerprestatie weggeeft, terecht werd ze dan ook genomineerd als beste dramatische actrice. Wellicht is het door haar vertolking in “Liaisons” dat Martin Scorsese op het idee kwam om haar te casten in zijn eerste kostuumfilm, “The age of innocence” naar de roman van Edith Wharton, waarmee ze in 1920 als eerste vrouw de Pulitzer Prize won en die zich afspeelt in het laatste kwart van vorige eeuw. Scorsese beklemtoont het literaire karakter trouwens door Joanne Woodward als “voice-over” te gebruiken.
De film had al in 1992 moeten zijn klaargekomen, maar Columbia was zo enthousiast over de rushes dat Scorsese meer tijd kreeg om zijn film tot in de puntjes af te werken. Dat had hij trouwens nodig want door het overlijden van zijn vader had hij ook veel tijd verspeeld (de film is trouwens aan zijn vader opgedragen). Volgens Julie Burchill past hij in de “safe sex”-films, die een antwoord willen zijn op de rage van de “erotische thrillers”. Films waarin “het” niét wordt gedaan (cfr. ook “The remains of the day” en “The piano” – alhoewel), maar die juist dààrom zo sexy zijn. Pfeiffer, die in de symbolische rode jurk de “outcast” mag spelen, kreeg als tegenspelers Winona Ryder en Daniel Day-Lewis toegewezen. Daniel Day Lewis biedt haar wel degelijke repliek, maar hij is wel een beetje het slachtoffer van het feit dat hij op het einde wél in de toekomst wordt geprojecteerd met een ouder makende make-up. Zijn “onnozel” (lees: onschuldig, of misschien toch niet helemaal) vrouwtje Winona Ryder doen ze dat overigens ook even aan in een totaal overbodig camera-shot. Robert Sean Leonard mag op het einde immers even verschijnen als zoon van Lewis en Ryder! De film werd genomineerd voor een golden globe als beste film en Scorsese als beste regisseur, maar uiteindelijk was het enkel Winona Ryder die er één kon bemachtigen als beste vrouwelijke bijrol.
CASINO
In 1995 volgde dan “Casino” met een zeer lange “documentaire” aanloop, waarbij men reeds lang zou afgehaakt hebben, mocht de film niet geopend zijn met een ontploffing van de wagen waarin hoofdvertolker Robert de Niro zat. Maar zelfs die spanningsboog kan niet worden aangehouden, ondanks uitstekende acteerprestaties van de Niro, Sharon Stone en Joe Pesci. Een hele lange film, die je na afloop uitgeput naar adem doet snakken en je met de indruk achter laat dat je je hele avond hebt verkwist, terwijl er zoveel nuttiger dingen te doen waren en betere films om naar te kijken.
In die val ben ik dan ook niet getrapt bij “Gangs of New York” uit 2002, waarbij het uitzinnige geweld mij snel deed wegzappen. Toch was de film een kassucces en werd genomineerd voor tien Oscars, waarvan er uiteindelijk wel geen enkele gewonnen werd. Maar de film werd wel het begin van verscheidene samenwerkingen met Leonardo DiCaprio en betekende in zekere zin ook de terugkeer van Scorsese zelf na de minder succesvolle films Kundun (1997) en Bringing Out the Dead (1999).
THE INVENTION OF HUGO CABRET
In 2011 draaide hij “Hugo” naar “The Invention of Hugo Cabret”, een Amerikaans kinderboek van auteur Brian Selznick uit 2007, maar net als het boek wil het eigenlijk een hulde zijn aan de Franse filmmaker Georges Méliès (gespeeld door Ben Kingsley). Asa Butterfield is een overtuigende Hugo Cabret (hadden ze voor “Thuis” maar dergelijke child actors!) en Chloë Grace Moretz een nog innemender Isabelle als zijn vriendinnetje, maar de show wordt gestolen door Sacha Baron Cohen als Gustave van de spoorwegpolitie. Hij geeft hier een formidabele imitatie van Arthur Bostrom als officer Crabtree in de televisieserie “‘Allo ‘Allo” (“good moaning!“). De liefde die Scorsese het medium film in het algemeen en Georges Méliès in het bijzonder toedraagt, komt goed over, maar in zijn geheel is de film toch te veel een soort van kinderfilm, een genre dat net iets te licht is voor iemand als Martin Scorsese. Technisch is de film wel een kunststukje (vooral het decor van Dante Ferretti): the opening track shot of the city of Paris ending at the Gare Montparnasse was the very first shot designed and it took one year to complete. It required 1000 computers to render each frame required for the shot. En dan heb ik het zelfs nog niet eens in 3D gezien, zoals het oorspronkelijk was bedoeld!
THE WOLF OF WALL STREET
Oh ja, in tegenstelling tot de meeste personages in de film heeft Hugo Cabret nooit echt bestaan. Dat was merkwaardig genoeg wel het geval met Jordan Belfort, die het onderwerp was van “The wolf of Wall Street” (opnieuw gespeeld door Leonardo DiCaprio). Meer zelfs, hoe ongelooflijk het ook lijkt, de film is zelfs gebaseerd op zijn autobiografie! Eigenlijk was dit een film waarvan ik op voorhand wist dat hij me tegen de borst zou stuiten (ik gebruik opzettelijk deze uitdrukking), maar aangezien Peter Sagan dat op de borst kloppen had gebruikt als één van zijn fameuze overwinningsgebaren wilde ik toch eens weten wat er precies aan de hand was. The chest beating and humming performed by Matthew McConaughey was improvised and actually a warm-up rite that he performs before acting. When Leonardo DiCaprio saw it while filming, the brief shot of him looking away uneasily from the camera was actually him looking at Martin Scorsese for approval. DiCaprio encouraged them to include it in their scene and later claimed it “set the tone” for the rest of the film. That tone included the word ‘fuck’ and its numerous conjugations, that are said 569 times, making this the film with the most uses of the word in a main-stream, R-Rated, non-documentary film. Still, this movie was banned in four countries due to high sexual content (Malaysia, Nepal, Zimbabwe and Kenya). The real Jordan Belfort makes a cameo appearance in the final scene. He is the one who introduces Leonardo Dicaprio at the motivational speaking event. The role of Steve Madden on the other hand was played by Jake Hoffman, Dustin Hoffman’s son.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s