Europees Centrum voor Opera en Vocale Kunst

Het Europees Centrum voor Opera en Vokale Kunst (ECOV) werd in 1983 gesticht door wijlen Karel Aerts, Paul Berckx en Micheline Heyse. Oorspronkelijk hielden zij hun zomercursussen in de Oude Commanderij van Alden Biesen, maar sedert 1991 is dat in het Gentse muziekconservatorium.

Het ECOV is het troetelkind van de Gentse Micheline Heyse, die dan ook erg fier is dat ze na al die jaren in het mooie maar ver afgelegen Alden Biesen eindelijk in haar eigen stad kan neerstrijken. Niet enkel wordt op die manier de bereikbaarheid voor het belangstellende publiek groter, er zijn ook meer faciliteiten op het gebied van infrastructuur. Dankzij de samenwerking met de Vlaamse Opera is het Kunstencentrum Vooruit zelfs langzaam aan het uitgroeien tot een soort van alternatief opera-platform, wat blijkbaar door het talrijk opgekomen publiek ten volle wordt geapprecieerd.
Is Micheline Heyse de administratieve spil van het geheel, dan is de Deen Mikael Eliasen sedert 1986 de artistieke directeur. Hij geeft ook master classes, vooral aan Belgische zangers.
Een andere vaste waarde is Marlena Malas, nochtans één van de meest gevraagde stempedagogen in de Verenigde Staten. Desondanks maakt ze nu reeds gedurende vijf jaar tijd vrij voor het ECOV. De Russische sopraan Galina Visjnjevskaja daarentegen kon zich maar voor één dag vrijmaken voor het ECOV. Toch was deze ster van het Bolsjoitheater zowat de ‘vliegenvanger’ van deze cursus.
Tot slot is er ook nog bewegingsleer en die wordt sedert 1989 gedoceerd door de Britse Bryony Williams. Sedert 1983 is het immers de gewoonte de zomercursus van het ECOV (toen nog het European Opera Centre) te besluiten met een wis en waarachtige opvoering van een opera. Dat eerste jaar was dat “Il Signor Bruschino” van Gioacchino Rossini. De opname hiervan (met het ‘Youth Training Orchestra’ geleid door Ernest Maes) ligt voor het ogenblik spotgoedkoop bij De Slegte, wellicht omdat er een persingsfoutje werd gemaakt op de B-kant. Desondanks is dit frisse operaatje zeker tegen die prijs een aanrader.
In de loop van de volgende jaren noteren we o.a. nog “Gianni Schicchi” van Puccini (1984), “The Medium” van Menotti (1986), “Don Pasquale” van Donizetti (1989), “Xerxes” van Händel (1990) en “Le Nozze di Figaro” van Mozart (1991). Hier waren de critici niet onverdeeld gelukkig met het resultaat en dan vooral niet met de scenische uitwerking door de Amerikaan Chas Rader-Shieber. Zijn zwarte landgenote, de sopraan Bridgett Hooks mag dan nog ongetwijfeld een groot talent zijn, haar lichaamsomvang speelt haar parten. In de master class hadden we het b.v. zeer moeilijk om haar in de rol van een uitgeteerde Mimi uit “La Bohème” voor te stellen. In “Le Nozze di Figaro” was de persoonsverwisseling met haar tengere blanke landgenote Lydia Mila ronduit belachelijk. “Dat zou men zelfs in de Opera voor Vlaanderen niet gedurfd hebben,” was een opmerking die we in de wandelgangen hebben opgeraapt. Eigenlijk werd met “Le Nozze” te hoog gegrepen. De drie en een half uur durende opera hypotheceerde zelfs de individuele zangbegeleiding die toch de voornaamste doelstelling blijft. De leiding van het ECOV heeft hieruit reeds lessen getrokken en volgend jaar zal men opnieuw voor twee kleinere projecten opteren o.l.v. Marlena Malas. Deze zangpedagoge, die we in ECOV 1991 zagen, was in 1992 jammer genoeg afwezig omdat ze moest worden geopereerd voor kanker, maar het jaar nadien was ze al opnieuw op post bij het ECOV.
Nu, het dient gezegd dat niet eender wie toegang krijgt tot zo’n ECOV-cursus. Daarvoor zijn er té veel gegadigden. Dit jaar waren er b.v. meer dan 400 aanvragen. Het spreekt vanzelf dat een strenge selectie dan leidt tot een tamelijk hoog peil reeds bij de aanvang. Tijdens de cursus zelf blijkt dan ook nog eens wie boven de anderen uitsteekt en zo kan het gebeuren dat op het laatste nippertje het lang op voorhand vastgelegde programma helemaal overhoop dient te worden gehaald, omdat sommige leerlingen het harde vak blijkbaar nog niet aankunnen. De vele ‘ziektes’ kunnen toch moeilijk allemààl op rekening van het hete augustusweer geschreven worden?
De zomer van 1994 was nog warmer, maar deze keer hadden de ECOV-cursisten daar geen last van… er was immers geen cursus. Sinds ’92 weigert minister Weckx namelijk een deel van de subsidies (4,6 miljoen uit zijn eigen begroting en 3 miljoen uit de Lotto-pot die daarmee samenhangt) uit te betalen. De reden is dat Weckx het ECOV beschouwt als een vormingsinstelling en dat het ministerie van onderwijs dus maar zou moeten betoelagen. Minister Luc Van den Bossche daarentegen wijst dit dan weer af omdat het ECOV niet beantwoordt aan een aantal normen die op zijn departement gelden: er worden b.v. geen diploma’s afgeleverd en er is ook geen inspectie. Dit laatste vindt ECOV een lachertje: hun leraars zijn de wereldtop, wie zou deze dan inspecteren? Toch garandeert Van den Bossche de continuïteit, wat in de praktijk betekent dat de detachering van Micheline Heyse, die eigenlijk lerares is, verder op rekening van het ministerie van onderwijs komt te staan.
Maar alles hangt dus af van een erkenning door minister Weckx. Voor de Lotto, eigenlijk mede-oprichter van het ECOV, is er op zich immers geen probleem. Daar houdt men zelfs de mogelijkheid open dat de erkenning ook met terugwerkende kracht zou kunnen gelden, zodat de voorbije twee jaar alsnog betoelaagd zouden worden.
Natuurlijk heeft ECOV ook minister Van den Branden aangeschreven, want als er één organisatie is die in aanmerking komt om als Vlaams cultureel ambassadeur te worden erkend, zijn zij het toch wel.
Men kijkt ook in de richting van de Europese Gemeenschap, vooral sinds als gevolg van de grootscheepse buitenlandse toernee met “La tragédie de Carmen” die voor volgend jaar in Frankrijk, Duitsland en Zwitserland werd vastgelegd, uit contacten is gebleken dat er nood is aan een Europese organisatie voor kleinschalige operaprojecten. Die zal eind november worden opgericht met Micheline Heyse als voorzitster. Een openingsfestival in Hamburg schijnt ook al vast te staan, waarbij het ECOV zelf twee producties zal brengen: de reeds genoemde kameropera-versie van “Carmen” en het eigentijdse “Postcard from Morocco”.
De Europese culturele toelagen worden toegewezen in het kader van de actie “Kaleidoscoop”. Die bestaat uit drie programma’s: beurzen voor studenten, grensoverschrijdende evenementen en het opzetten van een network. Voor dit laatste komt de nieuwbakken organisatie dus in aanmerking, maar deze betoelaging wordt toegekend voor amper één, maximum drie jaar en biedt dus weinig toekomstperspectieven.
Een andere mogelijkheid is een subsidiëring binnen het kader van de Europese structuurfondsen, zoals dat voor de opera van Rijsel en Tourcoing het geval is. Dat zou best kunnen, want als rondreizend gezelschap zou men werk kunnen verschaffen, niet alleen aan zangers, maar ook aan technici, regisseurs enz. In dit geval moet de maatschappelijke zetel wel in een economisch minder ontwikkeld gebied gevestigd zijn. Aangezien Gent hiervoor niet in aanmerking komt, zou men overwegen de maatschappelijke zetel elders onder te brengen.
Daarnaast kan ook de opleiding op Europees vlak subsidiëren, maar hier zit men eveneens met het probleem dat er geen diploma’s worden toegekend. Hieruit heeft het ECOV alvast de conclusie getrokken dat men in de toekomst de concertactiviteiten en de opera-opleiding in twee diverse organisaties zal moeten onderbrengen. Op binnenlands vlak zou dat betekenen dat binnen de vernieuwde HOBU-structuur een postgraduaat “lyrische kunst” bij een hogeschool zou worden gevoegd, waar de basisopleiding zang op het programma staat.
Om het voortbestaan van het ECOV te verdedigen, wijst Micheline Heyse er terecht op dat de markt van de operazangers op dit moment oververzadigd is en dat vooral aan de praktische opleiding dus meer aandacht dient te worden besteed. Daarom is de oproep van Bernard Foccroulle om tot een Europees Opleidingscentrum voor Opera te komen, niet noodzakelijk een maneuver dat de plannen van het ECOV doorkruist. Nee, aangezien Foccroulle het veel ruimer ziet (ook opleiding tot management, planning, technische beroepen), kan het ECOV misschien daarin juist een plaats vinden. Dat het dan misschien wel in nauwe samenwerking met een befaamde instelling als de Munt moet gebeuren, kan toch nauwelijks als een bezwaar gelden?

Referentie
Ronny De Schepper, Nieuwe hoop voor ECOV, Het Laatste Nieuws 7 oktober 1994

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s