Poppers worden doppers


Een typisch voorbeeld van de Babylonische spraakverwarring die er op Europees vlak nog heerst wat het sociaal statuut betreft, is dat van de artiest. In sommige landen worden ze beschouwd als werknemers (in Griekenland b.v.), in andere als zelfstandigen (Portugal). In nog andere landen, en met name in het onze, is er een verschuiving waar te nemen. Zoals vroeger reeds aangestipt, zijn artiesten volgens onze sociale wetgeving werknemers, alhoewel in de praktijk er velen zijn die zich als zelfstandige uit de slag trekken.

Het grote voordeel van het wetsvoorstel betreffende de invoering van het sociaal statuut van de podiumartiesten, ingediend door de SP-volksvertegenwoordigers Jan en Leo Peeters en Patrick Hostekint, is juist dat dit “uit de slag trekken” nu via een “zelfstandigheidsverklaring” zou kunnen worden geofficialiseerd. Verder is het voorstel vooral van toepassing op “onafhankelijk werkende podiumartiesten” en de organisatoren die hen in de hoedanigheid van werkgever engageren. In dat geval blijft de huidige toestand eigenlijk gehandhaafd, alleen worden er een paar verbeteringen aangebracht middels de creatie van een sociaal secretariaat dat instaat voor de inning en de uitbetaling van de bijdragen.
Jan Peeters vindt dat podiumartiesten principieel werknemers moeten blijven, omdat je anders de mogelijkheden creëert om bij grote instellingen (Ballet van Vlaanderen, Vlaamse Opera, Filharmonisch Orkest van Vlaanderen enz.) ook met schijnzelfstandigen te gaan werken. In zo’n geval is de rol van de orkest-regisseur erg belangrijk. Want hij zorgt niet enkel in samenwerking met de bibliothecaris voor de juiste bezetting voor een bepaalde productie, hij moet er ook voor zorgen dat de zieken tijdig worden vervangen. Hij staat overigens ook in voor het instrumentenvervoer, voor stoelen en lessenaars en uiteraard ook voor de aanpassing aan de locatie.
In 1998 was het dan eindelijk zo ver. Jarenlang had de Vlaamse pop met afgunst gekeken naar Holland, pardon Nederland, waar er “een van overheidswege gestimuleerd popbeleid” is, compleet met subsidies, werkloosheidsvergoedingen, enz. Destijds wist Roel Van Bambost (foto) me in dat verband reeds te vertellen: “Er valt daar natuurlijk veel vóór te zeggen, anderzijds ben ik er ook steeds een beetje tegen geweest. Maar in deze tijd is het misschien niet slecht. Ik verklaar me nader. Ik vond dat als je met rockmuziek iets wil zeggen dat je er dan ook een bepaald publiek voor moest hebben en dat het dus zichzelf moest kunnen bedruipen. Dit is misschien wel een beetje een kapitalistische redenering, maar ik vind dat indien iets niet meer populair is, dat indien de mensen er niet meer naartoe komen, dat het dan ook maar moet verdwijnen. Maar! Wat ik dan wel goed vind, is dat men – zoals bij de VARA, geloof ik – jonge groepen een kans geeft gebruik te maken van een infrastructuur: studio’s waarin men demo’s kan vervaardigen die men dan eventueel in programma’s kan gebruiken. Heel veel groepen zijn immers al kapot gegaan aan de enorme investeringen die men moet doen als men van start gaat. Maar of men nu werkelijk werkloosheidsvergoedingen en zo moet kunnen trekken …? Het is natuurlijk wel een oplossing voor alternatieve groepen die moeilijkere muziek maken die niet op het grote publiek is afgestemd. Maar ik vind niet dat de overheid moet opdraaien voor iedere vorm van creativiteit.”
Dat vindt ook Walter Grootaers b.v. Deze verklaarde reeds in de jaren tachtig aan Dirk Dauw in Het Nieuwsblad “dat rock’n’roll in wezen een toonbeeld van vrije economie is en (…) dat de politisering ervan (die onvermijdelijk met subsidiëring gepaard gaat) moet worden vermeden.”
Toch doet Peter De Ridder (SP) in november ’96 een oproep om popmuziek te financieren. Hij verwijst (terecht) naar het feit dat pop enkel is ondergebracht in een potje van amper 1,1 miljoen, waar men dan nog moet delen met andere componisten, filmmakers enz. Hij verwijst ook naar het voorbeeld van Stichting Popmuziek Nederland, dat de moderne niet-commerciële muziek wil ondersteunen. Het gewest zou hier ook een voorbeeldfunctie kunnen hebben t.o.v. provincies en gemeenten. Door het ontbreken van deze steun worden jeugdhuizen immers gedwongen hun verliezen goed te maken met commerciële initiatieven. Hij heeft berekend dat jeugdhuizen die dergelijke muziek brengen daardoor ieder jaar 900.000fr. verlies lijden. In zijn opvatting moet het mogelijk zijn deze jeugdclubs te betoelagen naar analogie met de kunstencentra.
Ook hij wil het geld halen waar het zit (bij Vandenbrande namelijk), maar ook de vijf miljoen voor de studie van de Brugse concerthal wil hij recupereren (toenmalig cultuurminister Luc Martens: uw partijgenoten in Brugge staan nochtans voor honderd procent achter dit project), omdat de uitwerking ervan een investering van 600 tot 1.000 miljoen zou vragen, wat dan weer enkel door een commerciële exploitatie kan gerecupereerd worden. Hij vergelijkt de bouw van deze concerthal met de sportinfrastructuur voor de Olympische Spelen in Los Angeles, die er nu zo goed als ongebruikt bij staat. Tenslotte wil hij aandacht voor de popmuziek als er een nieuw muziekdecreet wordt geschreven.
Het antwoord van minister Martens op De Ridder luidde dat deze “blijkbaar een zeer trouwe luisteraar van Radio Donna” was. Hierop kwam zelfs partijgenoot Joachim Coens tussen om erop te wijzen dat het over niet-commerciële popmuziek gaat. Toch belooft Martens in het nieuwe muziekdecreet rekening te houden met “kleinere ensembles”. Als steun aan de popmuziek verwijst hij naar de brochure van de dienst jeugd. Peter De Ridder gaat akkoord met de verwijzing naar de brochure, maar hij merkt wel op dat het hier slechts één concert per jaar betreft. Ook tegen de steun aan de Ancienne Belgique die minister Martens heeft aangehaald, is hij uiteraard niet gekend, maar “ik heb de indruk dat het hier gaat om één paleis, naast vele lemen hutjes“. Hij spoort Martens aan met de woorden: “Hier heb je de kans een voorloper te zijn.” Dat viel in goede aarde, maar plotseling werd nu de balans omgekeerd: bij het nieuwe muziekdecreet was het al popmuziek wat de klok sloeg en zelfs onze historische orkesten, die toch wereldfaam genieten (*), werden door De Ridder en de zijnen onder vuur genomen.
Tot slot deze bemerking. In “Witlof from Belgium” wordt losweg vermeld dat het rockpubliek in Vlaanderen uit zo’n 50.000 individuen bestaat. Erg interessant natuurlijk (omwille van het ontstellend kleine aantal) maar helaas wordt er niet verder op ingegaan en evenmin verneemt men hoe de auteurs aan dat cijfer zijn geraakt. Alleszins is het duidelijk dat juist omwille van deze beperkte afzetmarkt (vooral dan wat optredens betreft) het gewoon noodzakelijk is dat onze Belgische groepen ook over de grenzen aan de bak komen.

Ronny De Schepper

(*) Anima Eterna, La Petite Bande, Il Fondamento, Collegium Vocale

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.