De musicus als nowhere man

Op een debat voor Radio 3 (“de musicus als nowhere man”) wees Johan Huys, voormalig adviseur van minister Dewael, er reeds op dat alle “klassieke” orkesten met verschillende statuten werken (bedienden, ambtenaren enz.). Maar zelfs zonder de problemen van de freelancers te willen wegmoffelen, dient erop gewezen, aldus Huys, dat de vraag naar een statuut vooral afkomstig is vanuit de popmuzikanten, want dat klassieke muzikanten sociaal gezien eigenlijk nog goed af zijn. De uitzonderingen zijn misschien juist de solisten en de beoefenaars van kamermuziek, die qua structuur eigenlijk nog het meest met popmuzikanten kunnen worden vergeleken. Vandaar allicht dat op het ministerie ene Koen Wauters zich nog ooit over dit probleem heeft ontfermd? (Of althans deed alsof…)

Robert Groslot wijst erop dat de meeste musici een vast inkomen hebben, ofwel als orkestlid, ofwel als lesgever, en dat het freelancen er bovenop komt. Het probleem is dan alleen maar dat door de sociale lasten er geen financiële stimulans overblijft om het te gaan doen. Hij vraagt zich af of men optreden ook niet als werken voor een werkgever kan beschouwen, waarop Johan Huys hem er uiteraard op wijst dat dit juridisch nu reeds het geval is, want daar draait het bij die popmuzikanten juist om. Denken we maar aan de “gevallen” Rum, Urbanus, Johan Verminnen, Will Tura, De Kreuners, die allemaal zwaar beboet werden wegens achterstallige belastingen, gewoon omdat de organisatoren verzuimd hadden de nodige bijdragen te betalen. Het onrechtvaardige zat hem dan juist in het feit dat men dat tekort op de rug van de artiesten verhaalde. Ook Wannes van de Velde is daardoor meer dan een jaar uit circulatie geweest: “Dat was de periode dat ze Eddy Smets bij zijn botten hadden, de orkestleider, én Marco Remes, én André Coucke, die twee zijn trouwens kort na elkaar plotseling gestorven toen, van de zorgen misschien wel, van hun hart of zoiets.” (Humo)
Wiet Van de Leest: “Er bestaat in België een wet die dateert van rond 1969 waarin staat dat de organisator van een optreden onze werkgever is en dat die de bijdrage voor sociale zekerheid moet storten. Dat is meestal niet gebeurd, zodat de kas nu die achterstallige bedragen komt opvorderen. Het is echter niet mogelijk, zeggen zij, om al die jeugdklubs e.d. waar we optreden af te lopen, zodat er maar één mogelijkheid overblijft, nl. die bedragen te innen bij de artiest zelf, die dan het statuut krijgt van zelfstandige. Zo zijn ze systematisch die bedragen beginnen te innen, bij de bekendste namen eerst. Het enige verweer dat de artiest heeft, is dat hij alle adressen zou opgeven waar hij ooit heeft gespeeld en dan zou men de bedragen daar kunnen gaan ophalen. Maar dat kan natuurlijk niet. Het grote probleem is trouwens dat van de informatie. Niet alleen zijn de wetteksten niet bekend bij de artiesten zelf, maar ook mensen waarvan men zou mogen veronderstellen dat ze ze kennen, blijken er niets van af te weten. Als ik mij bijvoorbeeld bij het ziekenfonds ging aanbieden, kreeg ik als antwoord: mijnheer, gij zijt niets.”
Volgens Robert Groslot bestaan die praktijken ook in de klassieke muziek. Dat weet Huys ook wel en hij wijst hem dan ook op zijn recht, zelfs zijn plicht om een ander contract te eisen. Groslot dan weer: “Dat is economisch toch niet haalbaar?” En inderdaad, dat vindt Huys ook: “Ik ben geen voorstander van dat systeem, hé, ik schets alleen maar hoe de situatie wordt beschouwd van overheidswege. Men zegt dus dikwijls: de situatie is onduidelijk, maar dat is helemaal niet waar. De onduidelijkheid komt eigenlijk voort uit een over-duidelijkheid, een beetje zoals in de onderwijswetgeving, die voortdurend wordt bijgestuurd, zodat niemand nog weet hoe ze nu eigenlijk in elkaar zit. Ik weet wel dat men nu bij het ontwerpen van een nieuw statuut denkt in de richting van de vrije keuze van de uitvoerend kunstenaar en dat men kombinaties van verschillende statuten zou mogelijk maken. Dat wil dus zeggen dat men voor bepaalde aktiviteiten zelfstandig zal kunnen zijn en voor andere zou een regeling uitgedokterd worden die een zekere bescherming biedt, maar die toch flexibel genoeg is om de veranderende situatie te volgen. Dat is iets wat bij musici nogal eens gebeurt namelijk. Men kan b.v. als orkestmusicus beginnen, men krijgt dan de kans als solist op te treden en als dat goed lukt, dan gaat men op die weg verder. Omgekeerd gebeurt ook wel eens.”
Paul Evrard: “Ik heb dat eens nageplozen voor mijn muzikanten. En dan blijkt dat die wet van ’69 gewoon een uitbreiding is van de wet van ’47 over arbeiders- en bediendenovereenkomsten. En verder gaat die wet niet. In Nederland b.v. bestaat er ook zo’n wet, maar daar heeft men er ook formulieren voor en 90% van de jeugdclubs heeft die formulieren in huis. Daarom ook dat de gages in Nederland lager liggen dan hier. In België worden die bedragen er namelijk bijgeteld. Het is dus geen voorheffing, maar een bijrekening. Bijgevolg gaan de jeugdclubs nog meer verlies lijden en dan gaan ze ook minder organiseren. Ofwel werk je onder de prijs en betaal je toch nog al die belastingen zoals het hoort, zodanig dat er praktisch niets meer overschiet. Het is eigenlijk niet leefbaar en daar zit precies de knoop.”
Waarom richten de artiesten geen PVBA op die als werkgever fungeert?
Paul Evrard: “Dat is precies de poging die wij ondernomen hebben met Sofa, maar dan in de vorm van een vzw. Die poging is echter mislukt bij gebrek aan middelen en ook door een gebrek aan inzet van de artiesten zelf, want langs de ene kant klagen ze allemaal, maar langs de andere kant zit 99% van hen heel de week op kafee. Ze klagen terecht, maar je mag hen niets vragen om daar nu eens konkreet wat aan te doen. Persoonlijk heb ik een heleboel ministeries plat gelopen, zodat het bijna allemaal in orde was: ik ging dat BTK-project krijgen. Je moet dan echter die mensen huisvesten, je moet een bureau hebben, meubelen, schrijfmachines enz. En dan was er maar één oplossing – en die werd ons dan ook beloofd – dat waren de leegstaande gebouwen van de BRT op het Flagey-plein. Maar uiteindelijk is het allemaal op niets uitgelopen...”
93 wiet van de leest in broebelkeWiet van de Leest: “Ik behoor tot die 1% van Vlaamse muzikanten die hun tijd niet in de cafés slijten, maar het heeft weinig zin een PVBA op te richten met zoveel mogelijk muzikanten, want dat zijn allemaal nogal verschillende wezens. Je hebt er die constant stoned of met een fles whisky in hun zak kopen, je hebt er ook die een soort muziek maken waar anderen zich dan hoegenaamd niet kunnen achterstellen, zodat men in het geheel niet efficiënt kan werken.”
Paul Evrard: “Eigenlijk willen wij gewoon een alternatief teaterburo zijn en zouden de vakbonden en ziekenfondsen de problemen van de artiesten moeten behartigen, maar precies hierin kruipt zoveel tijd dat er nog weinig tijd over blijft voor andere zaken. Ik tracht al jaren een gewetensbezwaarde te krijgen. Via dat BTK-project dacht ik ook een socioloog, een jurist, een maatschappelijk werker en noem maar op te werk te stellen, die met een zekere belangstelling voor muziek al die wetten eens zouden uitpluizen om na te gaan wat we kunnen doen. Maar dat is dus niet doorgegaan en nu gebeurt er niets; Die wantoestand blijft bijgevolg bestaan, zodat ook de optredens beginnen terug te lopen.”
Jan Corbet van SABAM: “Ik zie toch een mogelijkheid, hoor, want binnen dat tijdelijk kader heeft de regering toch iets gedaan voor de beeldende kunstenaars. Zij hebben daar een jurist of twee samengebracht, een ekonoom ook, een sociaal assistent, een boekhouder zelfs, en Vlaamse beeldende kunstenaars die problemen hebben met sociale wetten of met om het even wat kunnen daar terecht. Dat bestaat dus op het ministerie van Nederlandse Cultuur en dat functioneert. In dat verband vind ik het jammer dat van syndicale kant er weinig voor deze mensen gedaan wordt. Maar een conditio sine qua non voor de kunstenaars is natuurlijk dat zij zich aansluiten, want je kan van de vakbonden moeilijk verlangen dat ze zich inspannen voor mensen die niet aangesloten zijn. En dan blijkt dat er weinig artiesten gesyndiceerd zijn. De afkeer van om het even welke partij is vandaag bij jonge kunstenaars wel groter dan vroeger.”
Paul Evrard: “Maar artiesten moeten wel beschermd zijn tegen ongevallen en hospitalisatie. En ze zouden moeten kunnen gaan stempelen b.v. als ze niet optreden. Er stelt zich eenvoudig het probleem van het levensminimum, zeker op dit ogenblik! In andere tijden kan men misschien zeggen: ze moeten maar een andere job zoeken, maar een aantal van mijn artiesten hebben dat geprobeerd maar dat lukt natuurlijk niet zo gemakkelijk gezien de huidige economische toestand.”

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.