Van prinsen en prinsessen tot hasjies en Dario Fo

Er was eens… een tijd dat kinderen nog onmondige wezens waren, kleine potjes met grote oren, kleine volwassenen zonder eigen wereld, zonder eigen bewustzijn. Het was de tijd dat ik mijn eerste seksuele fantasieën kreeg bij het lezen over Roodkapje in het bos, de tijd dat Eric Hulsens met rode oortjes over Hans en Grietje hoorde vertellen, de tijd dat er nog opstellen werden gemaakt over « De Herfst » en niet over « De atoomdreiging in het Westen », de tijd dat een kind nog niet aan zijn ouders vroeg in welke mate de Marxistische leerstellingen van toepassing zijn op « Piet Fluwijn en Bolleke », de tijd dat een baby van acht maanden nog niet rondkroop met een sticker « Atoomenergie ? Nee bedankt » op zijn luier. En toen kwam… Jeugd en Theater, later herdoopt in het Brialmonttheater. Hulsens schrijft ingewikkelde theorieën over hoe moeilijk het is voor een kind om kind te zijn, mijn schedel is gaan kalen onder het probleem volwassen te worden, en jeugdliteratuur behandelt nu de krakersproblematiek, het terrorisme, verkrachting en pedofilie.

JEUGD EN THEATER
De geschiedenis van het Brialmonttheater loopt parallel met de ontwikkeling van het toenemende bewustzijn over het kind als volwaardig mens en burger. Het begon zo’n twintig jaar geleden toen Dries Wieme het jeugdtoneel wou vernieuwen. Met enkele medewerkers startte hij « Jeugd en Theater ». Op dat ogenblik was het bestaande jeugdtoneel een vlucht uit de werkelijkheid, een creatie van een schijnwereld op de planken; het kind werd niet ernstig genomen. In een eerst fase diende het kind gevaloriseerd te worden, geen neerbuigendheid meer naar die kleine wezentjes, geen betutteling. Bovendien moest het nu maar eens uit zijn met die imaginaire wereld van sprookjesfiguren. Op de scène kwamen voortaan nog enkel mensen van vlees en bloed. Het lag voor de hand dat hieruit ook de participatie van het kind aan de voorstelling zou voortvloeien. Weg dat romantische beeld van het theater : het kind nààst de acteur, die dus ook maar een mens was, het kind tùssen de decors, die plots enkel wat vastgespijkerde latten blijken te zijn. De kinderen vullen de voorstelling aan met hun fantasie, zij maken de voorstelling.
KRITISCH DENKEN
De tweede fase wil het kind aanzetten tot zelf denken, tot een kritische houding in de wereld van de volwassenen waarmee het, ook in het theater nu, geconfronteerd wordt. Een emancipatiebeweging is dit, resultaat van het 1968-syndroom. In 1971 brengt men b.v. het bekende « Maximiliaan » van het Berlijnse Grips-Theater. Niet enkel de personages zijn herkenbaar maar vooral de situatie die op de scène wordt gespeeld. Vanuit deze situatie wil men jongeren stimuleren tot zelf nadenken, tot het zoeken naar oplossingen, tot het zich bewust worden van wie fout zit en waarom. Net als het Grips zorgt J&T niet voor een oplossing, de klemtoon wordt gelegd op het samen iets doen, praten, discussie. Men tracht samen met de jongeren inzicht te verwerven in het complexe geheel der machtsverhoudingen. Structuren komen nu meer aan bod dan mensen, met het negatieve effect dat echte emotionaliteit naar de achtergrond verdrongen wordt. Karikaturaal, symbolisch toneel waarin de personages voor ideeën of belangengroepen staan maar niet dadelijk als individuele wezens herkenbaar zijn. Uiteindelijk is ook de voorstelling niet meer het belangrijkste gegeven, wel de na-discussie. Bovendien wordt voor pedagogische begeleiding gezorgd : werkmappen omkaderen het theatergebeuren, onder assistentie van een tiental mensen worden werksessies gehouden rond het thema dat in het stuk behandeld werd. Financieel was dit in de jaren zeventig nog mogelijk, inmiddels heeft men die nevenactiviteit wel moeten inkrimpen. Hoewel men nog steeds tracht van elke voorstelling een feest te maken, theater niet los te zien van andere facetten van het werken met de jeugd.
VERBEELDING GEHERWAARDEERD
Zag men 20 jaar geleden de (sterk doorgedreven) fantasiewereld van de scène als een soort escapisme, dan begint men nu die (gezonde) verbeeldingskracht veeleer aan te wenden als een middel om de realiteit te verwerken. Een combinatie van werkelijke situaties en de frisse fantasie van het kind, dat in zijn dromen en spelletjes die realiteit ombouwt tot voor hem begrijpelijke proporties. De grenzen tussen het theater voor volwassenen en het theater voor kinderen zijn vervaagd, enkel de wijze waarop iets dient te worden meegedeeld hangt af van de leeftijdsgroep waarvoor men speelt. Principieel moet goed jeugdtheater dan ook best te pruimen zijn door volwassenen, omgekeerd niét omdat het kind (gelukkig maar) nog niet alle systemen en denkpatronen van de volwassene heeft ingebouwd. « Het jongerenpubliek dient ernstig genomen te worden en niet onderschat » is een stelregel van het Brialmonttheater, dat inmiddels zo ging heten toen eindelijk een vaste speelruimte werd gevonden in de Brialmontstraat 11 te Brussel.
Het Brialmonttheater heeft momenteel een aantal producties lopen of in voorbereiding. Zo o.m. “Wij betalen niet” van Dario Fo, « ’t Loopt mank », de « beestachtige gehandicaptenshow », en « Prins Onbedroefd » over emotionaliteit en de verwerking ervan.
‘T LOOPT SLECHTS LICHTJES MANK
« ’t Loopt mank » is een stuk van Alice Toen, de « huisauteur » van het Brialmonttheater en is dan ook het gezelschap « op het lijf » geschreven. Toch bestaan er zelfs dan nog casting-problemen, ongetwijfeld omdat de meest talentrijke acteurs en actrices nog steeds vanuit de hoogte op het kindertheater neerkijken.
Wat echter dan weer niet wil zeggen dat hier (in het jongerentheater dus) geen talent zou te vinden zijn. Zeker niet ! Van zowat elk jeugdtheater zouden wij een paar namen kunnen citeren, zelfs van het Koninklijk Jeugdtheater, maar het grootste probleem is dat de rollen vaak ongelijk dienen te worden verdeeld. Zo hebben wij veel bewondering voor Alice Toen als schrijfster, maar waarom ze nu per se ook zelf in haar stuk moest figureren dat is een ander paar mouwen. We weten wel dat zij in de jaren vijftig nog als actrice is gedebuteerd, maar we hebben er reeds vroeger op gewezen dat men toen helemaal anders tegen acteren aankeek en dat alleen de allergrootsten met hun tijd zijn meegeëvolueerd.
Een en ander heeft voor gevolg dat o.a, de « rocknummers » (en, geloof ons vrij, het zijn nog « brave » rocknummers) nogal de mist ingaan. De circustoestanden daarentegen zijn heel geslaagd. Uit deze gegevens kan men overigens reeds afleiden dat we hier niet te maken hebben met een traditioneel « rechtlijnig » stuk. Neen, de actie wordt steeds doorbroken, net zoals een aantal taboes dienen doorprikt. Deze inlassingen (die met uitzondering van het nogal stroeve begin zeer organisch zijn ingepast) werken dan ook steeds met het contrastsysteem : vrolijke interludia om een gecreëerde spanning af te reageren of Brechtiaanse liederen om een vervreemdingseffect te bekomen na een scène die er oppervlakkig « grappig » uitziet. Wanneer het echter als versterking van de spanning wordt gebruikt, dan gaat het natuurlijk verkeerd (zoals bij het opera-achtige trio dat volgt op de kennismaking tussen de gehandicapte jongen en de sportfreak).
Samengevat kunnen we echter stellen dat het hier om een « volwassen » stuk gaat over een problematiek die ons allen aanbelangt, op een jongensachtige wijze gebracht door een theater dat zeker onze belangstelling verdient.
Heel wat minder enthousiast zijn we over « Prins Onbedroefd » van datzelfde Brialmonttheater maar dan gericht tot de lagere school. Trouw aan z’n vormingskarakter (al willen ze het woord niet horen) wordt hier wel de nadruk gelegd op emotionele vorming (men kan slechts gelukkig zijn als men ook droefheid heeft gekend), maar de sprookjesaankleding roept terecht verwijzingen op naar het KJT. Het is een Zweeds stuk (van Osten en Lysander) en kreeg dan ook een koele, statische, « Scandinavische » regie mee van Marten Harrie. De stroeve taal doet de rest. Verveling niet uitgesloten, bedoelen we. Vooral in het eerste half uur (dat ons een uur toescheen). Naar het einde toe van het eerste deel en het begin van het tweede komt er toch wat meer vaart in en het zal wel niet toevallig zijn dat op die momenten ook wat meer de realiteit aan bod komt. Maar juist wanneer je denkt dat ze op het goede spoor zitten, wordt weer een langdradige sprookjespassage (over de Zeekoningin) ingeschoven. Terecht neemt deze op het einde haar/zijn pruik af en zegt : « Waar de realiteit begint, houdt het sprookje op », maar dat had ook midden in het stuk gekund. Nu lijkt het wel een slot zoals « er kwam een varkentje met een lange snuit en ’t vertelselken is uit ».
« HOEREN MOETEN NIET ZOVEEL COMPLIMENTEN MAKEN »
Sedert vorig jaar reeds loopt ook een stuk over drugverslaving : « Moeders hasjies is de beste », ook van Fo en dan is er nog het stuk dat het fenomeen vrouw (ik objectiveer opzettelijk) eens van een andere zijde wil belichten « Dialoog van een prostituée met haar klant ».
« Wijven moeten niet zoveel complimenten maken », moet de socialist Major ooit hebben gezegd tot Nelly Maes in het parlement.
Jan Mestdagh stelde vorige week nog de vraag aan Chantal De Smet of zulke taal anno 1981 nog mogelijk was. En zeer tot mijn verwondering antwoordt Chantal : « Ik stel me voor dat mannen die zich socialistisch — of zelfs maar progressief — noemen ook nu nog zo over vrouwen denken ».
Hier zit dus het knooppunt dat het probleem van de inhoudelijke kritiek op « Dialoog van een prostituée met haar klant » in een notedop weergeeft.
Want laten we vooraf wel wezen : dit is géén goed stuk. Afgezien van de inhoudelijke kritiek waarover men dus blijkbaar binnen de linkse beweging van mening kan verschillen, is het stuk als zodanig slecht. Vooral omdat het om te beginnen al geen dialoog is, maar twee monologen naast elkaar. Vervolgens is de taal weer stroef. Een grote verrassing als men weet dat de vertaler Piet Piryns is. Ten derde wordt die stroefheid nog beklemtoond door een zeer koele, statische regie van Gil Lagay.
Overigens kan bij het woordje regie soms een vraagteken worden geplaatst. Lagay heeft zich blijkbaar gewoon voorgenomen een domper te zetten op alles wat maar enigszins tot meer animo zou kunnen strekken. De spiegel als bed b.v. is een uitstekende vondst, maar buiten de voor de hand liggende symboliek wordt er niets mee gedaan. In zo’n spelconceptie kunnen de acteurs het natuurlijk niet waar maken. Mia Van Roy zal in de ogen van Lagay waarschijnlijk uitstekend hebben geacteerd want ze was zo koud als een kikker. Joris Vanden Eynde stond er vaak lullig bij. Buiten de manifeste gebreken van het stuk zal de letterlijke interpretatie van de vorige zin een verdere verspreiding (b.v. naar katholieke scholen toe, want vergeten we bij dit alles niet dat dit begot op de eerste plaats naar de jongeren is gericht !) wel niet in de hand werken.
FASCIST IN BED ?
Maar het stuk zelf dus. Het Brialmonttheater brengt de Nederlandse creatie van deze Italiaanse eenakter van Dacia Maraini, die in het moederland zelfs tot rellen heeft aanleiding gegeven. In de versie van Brialmont is dat moeilijk voorstelbaar, maar er zit misschien iets in, enerzijds omdat de originele versie een explosiever taalgebruik kan hebben gehanteerd en anderzijds omdat de patriarchale maatschappij die het stuk wil oproepen, veel duidelijker in Italië aanwezig is.
Ter illustratie een uitspraak van Dacia Maraini : « Die andere uiterst machtige institutie (naast het huwelijk, n.v.d.r.), dat is dat bepaalde machisme (stoer mannelijk gedrag) dat niets anders is dan een sterke sociale homoseksualiteit. Mannen kennen alleen vriendschap voor mannen, niet voor vrouwen. Vrouwen zijn nooit gelijk. Ze zijn schatten, madonna’s wellicht, maar nooit gelijk. Vrienden (diegenen waar men vertrouwen in heeft) dat zijn mannen… vrouwen worden veroverd ».
Het komt ons voor dat deze typisch fascistische opvatting meer in de bakermat van het fascisme voorkomt dan bij ons (zoals o.m. Raymond van het Groenewoud reeds aanstipte in zijn lied « Italianen » wat hem het scheldwoord… fascist opleverde !).
Waarom als prototype van dit mannenbeeld dan juist een « linkse » wordt opgevoerd is mij dan ook een raadsel. Opnieuw Maraini : « In mijn stuk is de man een bepaalde gauchist, geen ideoloog. Hij is niet rechts. De critici en iedereen hebben me overrompeld met “dat is niet mogelijk, zo’n man die bestaat niet !” Ze beweerden allemaal dat iemand die links denkt niet op die manier zou spreken en handelen. Voor mij was het belangrijk aan te tonen hoe een linkse, zelfs een revolutionair, de vrouwen geweld kan aandoen ».
Jaja, « een communist kan ook een fascist zijn in bed » waar heb ik dat nog gehoord ? Overigens zegt de klant wel dat hij links is, maar nergens blijkt dat uit zijn daden. Zodus… Bovendien komt het acute moedercomplex waarmee hij door Maraini wordt opgezadeld mij stilaan de oren uit. Napoleon is dood, en Freud ook, asjeblief ! Ik wil uiteraard de man zijn historische verdiensten niet ontkennen maar de karikatuurvan zijn ideeën die men ons herhaaldelijk op de scène is het strot ramt, krijg je van mij cadeau.
Tot slot nogmaals Macia Maraini « Het verschil tussen “goede” en “slechte” vrouwen is een puur verzinsel van de man ». Na het zien van haar stuk heb ik de indruk dat het vervolg van haar gedachtengang is : « Alle vrouwen zijn goed en alle mannen zijn slecht ». Als prijs voor deze briljante analyse krijgt ze van mij dan ook een bootticket naar Margaret Thatcher. Zonder retour.
« HELDER ALS GLAS » : DUISTER ALS DE NACHT
Nadat het reeds in de maand oktober (1983) in Antwerpen heeft gelopen, stelt het Brialmonttheater nu het stuk « Helder als glas » van Phil Young voor in de Arcaschouwburg in Gent. Aangezien het nog tot het einde van deze maand te zien is en het gedurende de maand december ook nog Theater 19 in Brugge zal aandoen, is deze laattijdige recensie toch nog nuttig dachten we.
Helaas zal ze echter weinig « mobiliserend » zijn en dat vinden we zelf heel spijtig. Want kijk, « Helder als glas » wil ons de ogen doen openen voor onze blinde medemens en volgens de perstekst zelfs voor de gehandicapten in het algemeen. Lofwaardig dus, maar heb je daarmee meteen ook een goede voorstelling ?
« Bij het maken van het stuk “Crystal Clear” (de originele Engelse titel, red.) werd beroep gedaan op niet minder dan 66 personen en organisaties. Dat er heel wat opzoekingswerk verricht werd voel je aan de voorstelling ». Dat schreef The New Statesman en het was positief bedoeld. Ik zou net hetzelfde kunnen schrijven, maar dan met precies het tegenovergestelde effect.
Ik vind dit namelijk op de eerste plaats een slecht geschreven toneelstuk. Auteur Phil Young had ongetwijfeld lovenswaardige bedoelingen, maar misschien had hij toch beter gewoon voordrachten erover gegeven of zo, want hij beschikt duidelijk niet over de dramatische kracht om dit uit te werken. Het « opzoekingswerk » blijft voelbaar.
En dat niet alleen wat het aanbrengen van de tragiek rond de handicap zelf betreft (een handelaar in schilderijen, gespeeld door Michel Van Dousselaere, wordt blind door diabetes), maar meer nog in de problematiek die het stuk moet schragen. De shift van Berts liefde van de ziende Kitty (Tine Thijs) naar de blinde Suzanne (Noëlla Keymolen) wordt hopeloos slecht aangebracht. Reeds bij de eerste kennismaking met de personages (als Bert nog maar aan één oog blind is). Waarom is Bert apart gaan wonen, weg van Kitty ? Heeft dat iets met z’n angst voor de toekomst te maken ? Houdt Kitty nu nog van hem of niet ? Waarom haalt hij Suzanne binnen ? Uit nieuwsgierigheid voor wat hem ook te wachten staat of omdat hij echt van haar houdt ? Allemaal vragen die niet beantwoord worden. Ik weet het wel, een auteur moet het de toeschouwer allemaal niet inlepelen, maar hier is er zelfs geen pap. Dat blijkt vooral bij de ontknoping (die we niet zullen verklappen want het stuk is op zich al saai genoeg), waar je je dan weer kunt afvragen of Suzanne wel van Bert houdt. Dat blijft allemaal in het duister.
Kortom, het is zo vreselijk onhandig aangebracht dat je het zwakke spel zelfs de acteurs of de regisseur niet kan aanwrijven vinden we. Zij het dat Tine Thijs toch wel érg zwak is. Maar misschien komt dat omdat zij een « ziende » speelt. En daar heeft Young helemaal geen rekening mee gehouden, met al die « zienden » in de zaal…
DE REKENING VAN HET KIND OPNIEUW GEPRESENTEERD
Het Brialmont-theater brengt op dit moment in Arca-Gent (en dat nog tot en met zondag 11 maart) het stuk « Met ezelsoren » van de Fransschijvende Vlaminge Liliane Wouters (Alice Toen zorgde voor de vertaling). In het Mechels Miniatuur Theater wordt ondertussen « De rekening van het kind » van Walter Van den Broeck hernomen en, al handelt « Met ezelsoren » over de lagere school i.p.v. het secundair onderwijs, toch zijn er « merkwaardige » overeenkomsten. Weliswaar wordt er op het einde niet gezongen op muziek van « Land of Hope and Glory » maar dan toch van de « Ode aan die Freude ».
Verder zijn ze er allemaal weer : het Hitlersnorretje van de directeur (André Roels), de verbittering van de geroutineerde leraar (Dries Wieme), de zelfmoord van een kapotgepeste leraar, de ontgoocheling van de beginnende leraar (Dirk Tanghe), het bekladden van de vakbondswerking (in de persoon van Erik Wouters), de progressieve lerares (Chris De Volder), de oude breister (Alice Toen). En voor de rest de schoolreis, de moeilijke leerling, de koffie, de Belgische vlag en het applaus op het einde.
André Roels was niet zo’n stijve hark als gewoonlijk, Dries Wieme ontgoochelde een beetje, Dirk Tanghe was erg onzeker en nerveus. Erik Wouters had een ondankbare rol, Chris De Volder was natuurlijk en Alice Toen onopvallend.
Sommigen vonden dit stuk beter dan dat in het MMT, anderen vonden het amateurstoneel van het laagste allooi. Zelf situeer ik me tussen deze twee uitersten. Met dit resultaat voor ogen ben ik immers inderdaad misschien te streng geweest voor het MMT. Maar de waarheid is dat je van het MMT na Rita, Pa, Reservoir e.a. wat meer mocht verwachten dan wat er uit de bus is gekomen. Bij het Brialmont-theater is het net andersom.

Referenties
Johan de Belie, Van prinsen en prinsessen tot hasjies en Dario Fo, De Rode Vaan nr.49 van 1981
Ronny De Schepper, ’t Loopt slechts lichtjes mank, De Rode Vaan nr.48 van 1981
Ronny De Schepper, « Helder als glas » : duister als de nacht, De Rode Vaan nr.48 van 1983
Ronny De Schepper, De rekening van het kind opnieuw gepresenteerd, De Rode Vaan nr.11 van 1984

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.