Het is nu reeds twee jaar geleden dat we in deze Sinterklaastijd het Mechelse Speelgoedmuseum bij onze lezers introduceerden. Sedert maart van dit jaar is ons land een dergelijk museum rijker en wel in het bekende (beruchte ?) Anspach-complex op de grote boulevard in Brussel, waarvan u de spannende avonturen wekenlang heeft kunnen volgen in dit eigenste blad. Is deze soap-opera voor het personeel tamelijk tragisch afgelopen, dan is het gebouw zelf ondertussen nieuw leven ingeblazen.
Zo vinden we op de eerste verdieping van het Anspach Center, zoals het nu heet, het Speelgoedmuseum waar op dit moment (en dat tot 3 januari) een « klein autosalon » plaatsheeft, een tentoonstelling van meer dan 750 speelgoedauto’s schaal 1/43ste : racewagens, taxi’s, legervoertuigen en natuurlijk ook een uitgebreide collectie « Dinkie Toys ». Tegelijkertijd loopt uiteraard ook de vaste tentoonstelling door van het speelgoed dat het museum zelf bezit. Er is echter slechts een klein gedeelte van de 15.000 stuks uitgestald, want het museum kampt — naast met de kinderziekten van een beginnend initiatief — vooral met een acuut plaatsgebrek, aldus de heer Raemdonck die ons te woord staat, nadat we eerder al door zijn schoonzoon zijn begroet. Een familiezaak ?

« We vormen inderdaad een familie van acht personen die feitelijk aan de oorsprong van het museum liggen. Speelgoed verzamelen is reeds sedert twintig jaar ons stokpaardje. Eerst hebben we deelgenomen aan een dertigtal tijdelijke tentoonstellingen, van Rijsel tot Zaventem en van Maldegem tot Luik, maar het was altijd zo jammer om alles steeds weer te moeten in- en uitpakken, waarbij het speelgoed vaak werd beschadigd, zodanig dat wij hebben gepoogd een vaste tentoonstellingsruimte te vinden, wat niet van een leien dakje liep. We hebben ongeveer 250
fucktionarissen ontmoet, maar als die van het budget akkoord ging, dan lag zijn collega van cultuur dwars, of als die het uiteindelijk ook met hem eens was, dan was het weer de verantwoordelijke
voor de gebouwen die het niet zag zitten enzovoorts. Uiteindelijk hebben we echter begrip gevonden bij de Internationale Jaarbeurs van Brussel die in het Anspach Center enkele vormen van animatie wilde hebben. Op die manier heeft een groep enthousiastelingen een vzw gesticht en zich met hart en ziel op dit project gestort.
Sedert de opening op 15 maart zijn we dan in een stroomversnelling terechtgekomen, omdat vele verzamelaars graag hun gespecialiseerde collectie aan de mensen willen voorstellen. Zo ligt het volgende thema, dus voor ná 3 januari, reeds vast, dan zullen we namelijk vooral kleine winkeltjes en « dinettes » (om « koeken-eteke » te spelen) voorstellen. Drie maanden daarna komt het speelgoed aan de beurt dat met een veer wordt aangedreven enz. Kortom, we hebben reeds zoveel thema’s in petto dat we zelfs van plan zijn om een keuzelijst aan onze bezoekers voor te leggen, omdat we zelf niet meer weten wat eerst te nemen.
Wij van onze kant hebben ook nog een aantal andere opties. Het speelgoed beschermen uiteraard, studeren, opzoeken, archiefmateriaal klasseren en vooral zoveel mogelijk openstaan voor het publiek. Ieder die dit wil zou zich in ons materiaal moeten kunnen verdiepen.
We willen ook een groot « levendig » gedeelte hebben, maar voorlopig moeten we ons beperken tot een hoek met — zelf gekochte — legoblokken (die overigens als sneeuw voor de zon verdwijnen) en, al hadden we het niet zo bedoeld, een fort met soldaatjes dat iemand hier had tentoongesteld maar dat door de kinderen ook als speelgoed voor hen is « geclaimd ».
In afwachting hebben we hier alvast een Brusselse tram geïnstalleerd, waarin we via een projectietoestel oude platen van de laterna magica willen tonen, maar voorlopig zijn het nog dia’s van speelgoed die we tonen. In de « vitrine », d.w.z. de vroegere vensters van de tram, gaan we ook speelgoedtrams ten toon stellen, terwijl ook de andere onderdelen zoals de besturing functioneel zullen worden gemaakt. We hebben tal van plannen, maar helaas zijn we met te weinig om ze te kunnen realiseren op korte termijn. Het zijn altijd dezelfde mensen die de handen uit de mouwen moeten steken, een probleem waarmee alle vzw’s wel zullen te kampen hebben.
Zo hebben we b.v. een gepensioneerde die een stoommachine aan het bouwen is, terwijl een andere allerlei figuurtjes heeft uitgezaagd met de exacte kostumes van diverse legereenheden van heel de wereld. Wij zouden ook graag deze speelgoed-skiliften die hier hangen, doen werken enz. Kortom, ik wil niet zeggen dat we ooit de children’s gallery in het science museum in Londen zullen worden, maar het is wel onze betrachting iets in die zin te doen, zonder al te wetenschappelijk of al te technologisch te worden.
We zitten nu nog in een periode die ik « de zaaiperiode » zou durven noemen. De gidsen beginnen nu stilaan van ons te spreken, maar de eerste concrete resultaten daarvan zullen toch pas eerst binnen drie of zes maanden voelbaar zijn. Ook zijn wij nog volop ervaring aan het opdoen wat goede en slechte dagen en langere periodes betreft. Een paar vaststellingen liggen uiteraard voor de hand : vakantie is goed voor ons, maar het weer mag niet te mooi zijn enz. Wij weten ook nog niet hoe de scholen zullen reageren. In dat verband zouden wij b.v. een jeugdatelier willen maken, geleid door een aantal enthousiaste medewerkers, die dat helaas echter kosteloos zullen moeten doen. Op dit moment is er reeds één jongedame die deze taak op bepaalde tijdstippen op zich neemt.
Om ons museum wat meer bekendheid te geven hadden we ook graag een wedstrijd met trapwagentjes georganiseerd hier op de boulevard, maar voorlopig hebben we daarvoor de toestemming nog niet gekregen. Zeker veertig procent van onze bezoekers zijn immers louter toevallige klanten, daarmee bedoelen we vreemdelingen die voor een paar dagen in Brussel zijn en vooral ’s zondags, wanneer alles gesloten is, komen zij dan vaak hier terecht.
Wat niet belet dat er ook minder toevallige contacten zijn met het buitenland. Zo staan we in contact met 261 andere musea waar ook speelgoed te zien is en waarvan er een veertigtal enkel aan speelgoed gewijd zijn. In België zijn er verscheidene plaatsen waar men op kleine schaal aandacht heeft voor het speelgoed, maar zelfs onszelf zou ik nu nog niet als een écht museum willen bestempelen, we zijn eerder nog een tentoonstelling. Om een echt museum te worden zouden we ons archiefmateriaal moeten ordenen. We hebben drie ton archieven, oude tijdschriften, katalogen. We zouden trouwens ook een workshop willen hebben om herstellingen uit te voeren.
Daarnaast is er natuurlijk het Speelgoedmuseum in Mechelen. Daar is trouwens twintig procent van ons speelgoed tentoongesteld. Ik zou niet durven zeggen dat wij aan de oorsprong liggen van dat museum, maar het is wel zo dat wij het waren die naar aanleiding van het folklorefestival de speelgoedtentoonstelling hebben georganiseerd, waaruit dan uiteindelijk het vaste museum is gegroeid.
Hoe dan ook, wij willen dat alle mensen van onze passie kunnen meegenieten, wij vinden het jammer dat er zoveel verzamelaars zijn die hun bezittingen zo afschermen. Dat heeft natuurlijk ook te maken met angst voor diefstal of beschadiging en we moeten eerlijk toegeven dat wij daar bij de opening ook last van hebben gehad. Alweer door geldgebrek hadden wij b.v. geen glas in de vitrines en ik hoef u niet te zeggen hoe makkelijk kleinere stukken speelgoed in de zakken kunnen verdwijnen. Dat weerhoudt ons trouwens ook van sommige initiatieven. We zouden b.v. graag een handelszaak nabootsen, zodat de kinderen « winkeltje » kunnen spelen of een mini-postkantoor waar ze dan naar hartelust kunnen stempelen enz., maar ja…
In ’87 hopen we hier in Brussel trouwens en wereldcongres van speelgoedmusea te houden om te weten hoe iedereen z’n zaken rangschikt (materie, jaartal, fabrikant, weet ik veel), om tot een zekere uitwisseling over te gaan (wij hebben b.v. te veel treinen, maar we zouden best wat poppen kunnen gebruiken, we zouden ook graag speelgoed ten toon stellen dat elders in kelders opgeslagen ligt, b.v. in het Jubelpark), uiteraard ook om over veiligheidsproblemen te praten, maar ook over de « klanten » : zijn dat eerder kinderen of volwassenen ? Welk aantal kan men nastreven, het aantal inwoners in acht genomen enz. Nürnberg heeft b.v. 175.000 bezoekers per jaar voor 20.000 inwoners. Na zeven maanden hebben wij nog maar een kleine 20.000 bezoekers gehaald, maar zoals ik reeds zei, we staan nog in de kinderschoenen. Toch halen we soms al zo’n 300 bezoekers per dag.
Hoe ik daartoe gekomen ben ? Dat is moeilijk te verklaren. Men is verzamelaar of men is het niet (*). Er zijn mensen die postzegels verzamelen of sigarenbanden, maar speelgoed heeft iets meer vind ik. Een zekere charme, naïviteit… Maar als ik dan naar de oorsprong moet zoeken, dan is dat misschien begonnen in 1947 (ik ben nu juist vijftig geworden) met mijn eerste trein, die ik van mijn vader kreeg. Dat was zo’n erbarmelijk naïef geval van een Frans merk en mijn buurjongetje had een mooie, splinternieuwe Marklin gekregen. En toen begon ik daarvan te dromen. Ik had immers het gevoel dat ik iets goedkoops had gekregen en hij iets waardevols, terwijl ik er nu precies het omgekeerde van denk.
Het moderne speelgoed appelleert niet meer zozeer aan de verbeelding als vroeger. Dát is misschien juist wat de kinderen nu het meest ontberen. Vergeten we immers niet dat speelgoed erop gericht moet zijn de verbeelding te ontwikkelen. Wat konden kinderen destijds niet aanvangen met houten blokken ? Dat konden zowel muren als voertuigen zijn.
Wat natuurlijk ook weer niet wil zeggen dat er vroeger geen « gespecialiseerd » speelgoed was. Dit schip hier b.v. dateert van 1910 en kostte toen drie maanden salaris van een werkman, misschien meer. Tot de eerste wereldoorlog kwam bijna al het speelgoed uit Duitsland, het is pas sedertdien dat de nationalistische gevoelens een beetje opgeflakkerd zijn en dat alle landen een eigen speelgoedindustrie zijn beginnen uitbouwen.
Een uitvloeisel daarvan zijn b.v. deze Franse locomotieven die zeer hoog zijn. Ze staan zeer hoog op hun poten zou ik bijna zeggen. Dat heeft natuurlijk te maken met het feit dat de technologie toen nog niet zo ver gevorderd was om op een heel kleine schaal miniatuurtjes te gaan maken, nu heeft men zelfs al treintjes die op een conservenblik kunnen rondrijden. Maar daarnaast moet men vaststellen dat de huizen vroeger ook veel groter waren… miniatuur is dus een relatief begrip. Zelfs sporen van 16,5 mm vindt men nu nog « te groot », die nemen « te veel plaats » in. Zo gaat men bij Marklin zelfs naar schaal 1/220ste voor het moment. Ik weet niet waar ze uiteindelijk zullen uitkomen. Misschien zullen onze kinderen ooit nog eens onder een mikroscoop met de treintjes moeten spelen… »

Referentie
Ronny De Schepper, “Alle mensen laten meegenieten van onze passie”, De Rode Vaan nr.48 van 1985

(*) “Van zodra men van iets twee exemplaren heeft, is men een verzamelaar” (M.V.)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s