Een boekje open over bibliotheken

Internet: de wereld aan je voeten. Enkele keren klikken en je vindt wat je zoekt. Tot voor enkele jaren moest je je antwoord iets verder zoeken. In de bibliotheek b.v. Vanaf het ogenblik dat de mens notities begon te maken, voelde hij ook de behoefte om ze bij te houden. Het archief was geboren. En eigenlijk ook de bibliotheek, al kunnen we die term misschien beter bewaren voor boeken en archieven die ook geraadpleegd kunnen worden. En dan nog liefst door zoveel mogelijk mensen…

Ongeveer tegelijk met de val van Constantinopel in 1453 krijgen we het ontstaan van openbare bibliotheken, al is er wat dat betreft geen verband. Ontegensprekelijk is er echter wél een onlosmakelijk verband met de uitvinding van de boekdrukkunst. De kunst van het drukken met losse letters, werd vanaf de 11de eeuw reeds in China beoefend met aardewerken, tinnen en houten letters. In West-Europa werden vanaf het begin van de 15de eeuw diverse pogingen ondernomen een bruikbare techniek te ontwikkelen om teksten door druk te vermenigvuldigen. Het oudste gedateerde drukwerk, een aflaatbrief, verscheen in 1454 in Mainz en wordt toegeschreven aan Johannes Gutenberg. Toch is het mogelijk dat Laurens Jansz. Coster in Haarlem al eerder met losse drukletters werkte. Vast staat dat in 1477 de eerste drukkerij op de Britse eilanden werd gevestigd, namelijk die van William Caxton.
In de eerste helft van de 16de eeuw werd het boek een massaproduct. Dirk Martens (1446-1534) van Aalst introduceerde de boekdrukkunst in de Zuidelijke Nederlanden en publiceerde o.m. werk van Erasmus, Thomas More (“Utopia”) en de reisverhalen van Columbus. Beroemde drukkers in de Nederlanden waren b.v. de families Plantin, Blaeu, Elsevier en Enschedé.
In 1559 verschijnt de eerste uitgave van de “index librorum prohibitorum”, een lijst van boeken, samengesteld door de Congregatie van de Geloofsleer, die door gelovigen enkel mits toestemming van de kerkelijke overheid mogen gelezen worden. Aangezien de meeste mensen het natuurlijk vertikten die toestemming te vragen (je moest als gewone leek al gek zijn!) en die mensen tegelijk toch wel bang waren voor de excommunicatie die er anders automatisch op volgde, betekende dit wel een ferme streep door de rekening van tal van auteurs, vaak van erg populaire romans. De lijst zou, weliswaar geregeld aangepast, blijven bestaan tot 1966!
DE VERLICHTING
De eerste bibliotheken waren duidelijk gericht op de hogere sociale klasse. Kerk- of dorpsbibliotheken waren wel voor iedereen toegankelijk, maar zij bevatten meestal alleen maar onberispelijke, zeg maar saaie werken. Bovendien was het analfabetisme op dat moment nog erg groot.
Volgens de filosoof Leibniz bestonden er een aantal mogelijke combinaties van werelden die elk een dosis goed en kwaad bevatten en God heeft uit deze mogelijke combinaties volgens hem de beste genomen. Vandaar de parodie van Voltaire in “Candide”: “Tout va pour le mieux dans le meilleur des mondes.” Dit zogenaamde Verlichtingsoptimisme vond weerklank in de opvatting dat wetenschappelijke vooruitgang de duisternis en achterlijkheid van het verleden zou kunnen overwinnen (“verlichten”).
Eén van de praktische gevolgen was in Engeland de oprichting van “Charity Schools” (onderwijs voor de armen). Maar zelfs in het onderwijs voor kinderen uit de midden- en hogere klassen werd er nog altijd weinig aandacht besteed aan literatuur. Daar komt slechts een een kentering in tegen het einde van de eeuw.
Een andere vorm van “volksopvoeding” was het ontstaan van kranten en tijdschriften (b.v. “The Spectator” van Addison en Steele). Toch ontstaat er bij de burgerij ook reeds een zekere angst: opvoeding van de lagere klassen kan de eigen belangen schaden. Daarom propageren de zogenaamde utilitaristen “nuttige” lectuur. Voor de neopuriteinen waren dit dan meer specifiek religieuze geschriften.
De verlichte geesten waren wel onverbeterlijke optimisten. Zo dachten zij dat de onstuitbare groei van de sentimentele “Modeliteratur” in Duitsland enkel en alleen te wijten was aan het ontbreken van goede alternatieven. Men stimuleerde dus de ruimere verspreiding van Hogere Literatuur, maar wat bleek? Het volk moest hiervan niet weten.
EEN VOORBEELD: ENGELAND
In Engeland waren er tussen 1800 en 1824 zeer hoge boekprijzen wegens de concurrentie van de uitleenbibliotheken, de hoge lonen en de technologische achterstand. In 1819 kwam daar nog bij dat door de Stamp Act (dagbladtaks) dagbladen (meestal partijgebonden) nog meer beperkt werden tot de hogere klasse. Linkse bladen richten dan ook leeszalen voor arbeiders op (Newspaper societies). Maar ook goedkope familietijdschriften met “fatsoenlijke” inhoud kennen aanvankelijk een groot succes.
Tussen 1825 en 1831 kwam er wel een matiging van de prijzen, maar toch lagen ze nog te hoog voor de arbeidersklasse. In dat jaar beginnen de linkse bladen dan ook de Stamp Act te overtreden, zodat de taks noodgedwongen naar omlaag wordt gehaald en in 1855 zelfs tot de afschaffing ervan zou leiden. Dit geeft aanleiding tot de opbloei van de befaamde Britse zondagspers, maar weer dient aangestipt dat naast linkse bladen ook pornografische en schandaalblaadjes van deze “hausse” profiteerden.
In 1850 wordt in Engeland na veel verzet van de conservatieve Tories en clerus een wet goedgekeurd die voorziet in de oprichting en subsidiëring van een aantal openbare bibliotheken.
In de daarop volgende jaren krijgen we de eerste pogingen om goedkope literatuur op de markt te brengen (cheap railway novels met sensatieliteratuur; opvoedende werken in goedkope uitgaven; Amerikaanse import). Als in 1861 de zogenaamde paper duty wordt afgeschaft, kunnen ook klassieke Engelse schrijvers in goedkope herdrukken verschijnen. Rond die tijd situeert zich ook het ontstaan van jeugdtijdschriften (avonturenverhalen) en literaire supplementen bij periodieken. De uitvinding van de rotatiepers (1873) en van de zetmachines (1884) speelde daarbij natuurlijk ook een belangrijke rol.
In België werd in 1860 het “Leesgezelschap der Wevers” opgericht: de eerste arbeidersbibliotheek. Het analfabetisme in België was in die tijd het grootst in Oost-Vlaanderen (60,12%). De kleine provincie Luxemburg kwam er het beste uit (met 36,55%) en van de Vlaamse provincies was Antwerpen (maar toen nog erg verfranst uiteraard) met 47,16% er het beste aan toe.
In Engeland verplicht in 1883 de “factory act” elke fabriek (theoretisch!) een aantal uren te besteden aan het onderwijs van de tewerkgestelde kinderen. Maar nogmaals: literatuur is in zo’n geval niet de eerste bekommernis. En als ze wél werd onderwezen dan waren het steeds dezelfde teksten en moest men vooral veel memoriseren, wat niet bepaald de populariteit in de hand werkt.
In 1912 richt de C.A.O. de “Centrale voor Aankoop der Socialistische en Vakbondsbibliotheken” op. Merkwaardig is dat er op dat moment 49 volksbibliotheken bestonden, waarvan 24 in Vlaanderen tegenover slechts 15 in Wallonië. Na de oprichting van deze aankoopdienst komt hierin snel verandering. Tien jaar later zijn er reeds 200 bibliotheken, waarvan… 147 in Wallonië! Hiervoor wordt in totaal 65.000 fr steun uitgekeerd, tegenover 682 fr bij de oprichting. Als reden voor dit onevenwicht wordt aangegeven dat de Vlaamse afdelingen hun boeken in Nederland moesten aankopen en dat ze hierbij werden gehinderd door de stijgende wisselkoers. Datzelfde jaar (1921 dus) regelde de wet Destrée ook de betoelaging van het bibliotheekwezen, zodat de C.A.O. de verdere ontwikkeling van dit fonds kon overdragen aan de boekhandel-uitgeverij “De Wilde Roos/L’églantine”. Van de 700 erkende bibliotheken behoorden overigens slechts zo’n 35 tot de socialistische strekking. Vandaar de oproep van de C.A.O. om zich ook actief met de officiële bibliotheken te bemoeien.
In 1936 wordt de wet op het betaald verlof goedgekeurd. Dat jaar valt ook “De Wilde Roos” uiteen, zodat de C.A.O. opnieuw een “Dienst der Socialistische Bibliotheken” opricht, o.m. met de medewerking van Ger Schmook.
In 1954 verschijnt het eerste nummer van het socialistische bibliografische tijdschrift “Lectuurgids”, uitgegeven door het in 1952 opgerichte Nationaal Bibliotheekfonds, dat nog altijd de politiek aankleefde van de uitbouw van de openbare bibliotheken i.p.v. de zuilenbibliotheken. Uiteindelijk zou het nog duren tot 1978 alvorens het decreet met betrekking tot het Nederlandstalig Openbaar Bibliotheekwerk tot stand kwam.
In Vlaanderen waren het vooral de morele quoteringen van pastoor Joris Baers in “De Boekengids”, die een belemmering vormden voor de verspreiding van hedendaagse literatuur. Toen Gerard Walschap als inspecteur van Openbare Bibliotheken op een vergadering van de Hooge Raad der Bibliotheken in juli 1941 door Baers verweten werd zijn eigen en andere “slechte” boeken op te dringen, verdedigt Walschap zich met volgend cijfermateriaal: van alle Nobelprijswinnaars tussen 1901 en 1929, wier werk in het Nederlands werd vertaald, mag volgens de katholieke kwotering slechts de helft worden gelezen, van de andere helft zijn “slechts de mindere werken” toegelaten. Van vijfendertig van de allergrootste auteurs uit de “Geschiedenis der Wereldletterkunde” van Margadent komt niet de helft voor in het lectuurrepertorium van Baers. Een paar van de gewraakte namen: Erasmus, Rousseau, Balzac, Baudelaire, Stendhal, Gide, de Maupassant… (Jos Borré, “Gerard Walschap, rebel en missionaris”, Dedalus, 1990)
Hubert Lampo bevestigt deze rampzalige invloed in “De Standaard der Letteren” van 30/10/1997: “Ik durf zelfs stellen dat de moeilijke start van uitgeverij Manteau (met o.a. Boon, Van Aken, Daisne en hemzelf, RDS) volledig op rekening komt van die censuur. Ik weet waarover ik spreek want ik ben nog inspecteur bibliotheken geweest. Toen hadden we zo’n 1.500 bibliotheken die een potentiële markt voor de uitgeverij betekende. Maar op enkele socialistische of liberale bibliotheekjes na waren het katholieke instellingen die zich lieten leiden door de morele quoteringen. Daar zat je met je oplage. Erger nog: je kon als uitgever toen niet eens een verkoopsprognose maken. Pas toen pastoor Baers rond 1960 verdween, is die situatie rechtgetrokken.”
Overigens was het toebedelen van een postje als bibliothecaris (Daisne, Lampo, Walschap) een eerste vorm van “subsidiëring”. Niet toevallig is Louis Paul Boon altijd wrevelig gebleven t.o.v. literair historicus Julien Kuypers, die hem dergelijke aanstelling in 1948 had geweigerd.

Referentie
Ronny De Schepper, Een boekje open over bibliotheken, Nitro november 1998

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.