De Italiaanse film

In 1895 legde de Italiaan Filoteo Alberini het patent vast op “zijn” projector. Op het gebied van seks is Italië van oudsher gespecialiseerd in naaktheid “sec”, in blootheid die niet “functioneel” is in een of andere erotische context. De Italiaanse censuur stond hier nogal tolerant tegenover. Alhoewel er in Italië ook een “artistieke” beweging zou ontstaan (“Film d’Arte Italiano”, 1908) zijn het toch vooral spektakelfilms, die er worden gedraaid en aanleiding geven voor dat soort nuditeiten. De invloed van bepaalde spectaculaire opera’s (“Aida” of “Samson et Dalila” b.v.) is hierin duidelijk voelbaar. In 1912 zorgen “Quo vadis?” en “Gli ultimi giorni di Pompei” van Arturio Ambrioso ervoor dat massascènes en monumentale decors in de film worden geïntroduceerd. Maar het is vooral in 1914 Giovanni Pastrones “Cabiria”, die geschiedenis schreef. De film werd zogezegd gedraaid naar een scenario van Gabriele d’Annunzio, terwijl deze enkel de namen van de hoofdpersonen bedacht en de tussentitels schreef. Het is nog altijd een massafilm, maar nu wordt ook een ander opera-gegeven overgenomen, namelijk de diva. De muziek van “Cabiria”, de zogenaamde “sinfonia del fuoco” is overigens van Ildebrando Pizzetti.

Belangrijker wellicht is dat Pastrone de uitvinder is van de travelling (verplaatsen al rijdend) door de camera op een “carello” te plaatsen. En zo gaat men steeds maar verder. Zo is er het panoram(is)eren (draaien op de as) en de panotravelling, een combinatie van de twee. Maar eigenlijk moet men toegeven dat de travelling reeds door de cameramannen van Lumière was uitgevonden namelijk toen ze filmden vanop een rijdende trein of vanuit de lift van de Eifeltoren.
In 1918 kwam er iemand op het lumineuze idee een film te draaien, “My Italian Cousin”, met in de hoofdrol niemand minder dan de beroemde tenor Enrico Caruso. Aangezien het echter een stomme film was, kende hij niet bijster veel succes…
FASCISTISCHE FILMS
In Italië was Benito Mussolini (1883-1945) in 1922 aan de macht gekomen na zijn mars op Rome. Hij zal zich actief met de film bezighouden, want hij was van oordeel dat “La cinematografia é l’arme piu forte” (de cinema is het machtigste wapen). Zo richt hij b.v. Cinecità op. Toch is de film “Messalina” in 1923 nog eerder zo’n grootse spektakelfilm à la “Cabiria”, zonder fascistische ondertoon. Hierin komt een spectaculaire wagenrace voor die blijkbaar model heeft gestaan voor “Ben Hur”.
Daarna wordt “Gli uomini che mascalzoni” van Mario Camerini gedraaid en richt Benito Mussolini het festival van Venetië op. Dat is niet echt toevallig, want zijn oudste zoon Vittorio (1916-1997) was de belangrijkste Italiaanse producent uit die tijd. Zijn firma heette “Luce” en had als symbool een arendsblik. Zowel Rossellini, de Sica, Fellini als Antonioni dienden bij hem hun eerste filmpjes en scenario’s in en hij draaide ook de zogenaamde “witte telefoons”, dat zijn lichte komedies die evenwel toch een fascistische ondertoon hebben. Nu probeert men een beetje te doen alsof de kleine Mussolini er ook niet kon aan doen dat hij de zoon van zijn vader was, maar als men zijn biografie erop gaat navlooien dan blijkt hij toch wel erg doelbewust geëngageerd te zijn geweest in de fascistische partij. Zo is hij b.v. in Ethiopië als vrijwilliger gaan vechten. Hij was zelfs de jongste vliegenier van heel het Italiaanse leger! (*)
In 1930 werd de eerste opera met geluid (!) verfilmd, “Aida” met Giovanni Martinelli. Als film werd het een flop, want de operazangers waren niet vertrouwd met het medium en hun voor de zaal bedoelde gebaren kwamen op het doek overdreven over.
In 1933 kreeg Pirandello, die een bewust lid was van de fascistische partij (net als Marconi en Agnelli), van hem de opdracht om het scenario voor een film te schrijven. Pietro Pastore, de midvoor van Lazio Roma, kreeg de hoofdrol in deze fascistische kunstfilm, “Acciao”, die werd geregisseerd door Walter Rutman. De zoon van de Duce had de voetballer gekozen “omwille van zijn schoonheid”.
In Italië draait Mario Camerini in 1937 “Il signor Max” met Vittorio de Sica, waarbij hij zowel het fascistische regime als de artistocratie en de legerleiding op de korrel nam, wat hem niet in dank werd afgenomen. Carmine Gallone daarentegen, de latere regisseur van de Don Camillo-films, draaide in datzelfde jaar “Scipio l’Africane”, die werkelijk onverhulde fascistische propaganda is. De manier waarop Scipio zijn Romeinse legioenen toespreekt b.v. is zuiver Mussolini. De toespraak eindigt trouwens met het fameuze zinnetje: “Het is mooi en zoet om voor het vaderland te sterven.”
Nog een fascistische film uit dat jaar is “Condottieri” van een zekere Luis. Ook hier neemt men als oogverblinding wel een historische setting (de middeleeuwen), maar met een soort van Mussolini-groet leggen ze een eed van trouw af aan het vaderland. Ook de eerste speelfilm vanRoberto Rossellini werd gesponsord door het propagandacentrum van de Italiaanse marine. En daarna maakte hij nog twee films in dienst van het fascisme: Un pilota ritorna (1942) en Uomo dalla Croce (1943).
NEOREALISME
Met “Quatro passi fra le nuvole” van Alessandro Blasetti en scenarist Piero Tellini (1917-1985) kregen we in 1941 een voorloper van het neorealisme. Het is immers pas in 1943 dat criticus Umberto Barbaro voor het eerst de term neorealismo gebruikt om de vooroorlogse films van Carné aan te duiden. Datzelfde jaar verschijnt in het tijdschrift “Cinema” het neorealistische manifest:
– weg met de naïeve en gemaniëreerde conventionaliteit;
– weg met fantastische en groteske producties;
– weg met reconstructies van historische feiten en romanbewerkingen;
– weg met de retoriek.
Alhoewel het neorealisme later een “linkse” richting zou worden (maatschappijkritiek), kon dit manifest toch makkelijk in het fascistische Italië verschijnen, omdat de fascisten zich eigenlijk ook bij deze slogans konden aansluiten.
Nog in 1941 gaat “Ossessione” als sombere film van Luchino Visconti wél in tegen de eisen van de fascisten. De hoofdrol in deze film werd vertolkt door Clara Calamai (1915-1998), de grote ster uit die tijd, die kort daarvoor ophef had veroorzaakt door haar blote borsten te tonen in “La cena delle beffe” van Alessandro Blasetti.
Ook Silvana Mangano, een ex-Miss Rome die nu aan de kost kwam als model, had reeds tal van dergelijke figurantenrolletjes vertolkt, toen ze in 1949 plotseling wereldberoemd werd door haar verschijning in zwarte kousen en een met modder bespat short in “Riso amaro” (“Bittere rijst”) van Giuseppe de Santis. Niet alleen vernieuwde zij hiermee het beeld van de Italiaanse erotiek, zij vestigde tevens de aandacht op zich van producer Dino de Laurentiis die haar tot vrouw nam. Mede omdat zij als glamourster toch overschaduwd werd door Sophia Loren en Gina Lollobrigida, stuurde hij haar in de richting van de “ernstige” film (Pasolini, Visconti, de Sica…).
In “Ladri di biciclette” koos Vittorio de Sica voor zijn neorealistische film de metaalarbeider Lamberto Maggiorani voor de hoofdrol. Die dacht dat hij daarna wel in de film aan de kost zou komen, maar uiteindelijk stierf hij in 1983 op 73-jarige leeftijd in armoede.
In 1951 delen “Miracolo a Milano” (Vittorio de Sica) en “Fröken Julie” (Vilgot Sjöberg) de eerste plaats in Cannes. “Belleze in bicycletta” (1951) van Carlo Campogaliani gaat zogezegd over een soort van Giro d’Italia voor vrouwen. Het is echter een typisch Italiaanse film, zowel wat het gezwets als het machismo betreft, zodanig dat het wielrennen zelf maar bijzaak is.
In 1952 is “Processo alla citta” van Luigi Zampa (1905-1991) één der eerste Italiaanse films die de link tussen politici en mafia aanklaagde. Een jaar later is er “Stazione termini”, een film van Vittorio de Sica met Jennifer Jones en Montgomery Clift. Wanneer de sociale toestand in Italië wat beter wordt, gaan zelfs de neorealisten immers opnieuw de meer romantische toer op. Resultaat b.v. deze Italiaanse “Brief Encounter” die zich weliswaar in Rome afspeelt, maar toch voornamelijk in het Engels werd opgenomen, aangezien het een liefdesgeschiedenis tussen nogal gesofisticeerde buitenlanders betreft.
PEPLUMFILMS
“Pane, amore e fantasia” (Luigi Comencini, 1917-2007) en “Viaggio in Italia” (Roberto Rossellini) zijn goede, sociaal geïnspireerde films, maar zij kunnen de massa’s niet lokken.
1954 is ook het succesjaar van Rossano Brazzi (1916-1994). Hij is dat jaar te zien in “Three coins in the fountain” en in “The Barefoot Contessa”. Maar het zijn niet enkel de Italianen die naar Hollywood trekken, in 1951 zakken de Amerikanen af naar de leegstaande Romeinse Cinecittà-studio’s om er “Quo Vadis” met Peter Ustinov als keizer Nero te draaien. Het monstersucces deed de studio’s weer op volle toeren draaien en met wat de Amerikanen hadden achtergelaten aan decors en rekwisieten werden zogenaamde peplumfilms gedraaid. Films van Vittorio Cottafavi, Riccardo Freda en Mario Bava rond Hercules, zijnde Steve Reeves, waarin de mannen grotere borsten hadden dan de vrouwen, zoals kenner Patrick Duynslager terecht opmerkt. Even terecht voegt hij daar trouwens aan toe dat in tegenstelling tot de Amerikaanse peplumfilms de Italianen zich ver verwijderd hielden van bijbelse onderwerpen (daarvoor was het Vaticaan te dichtbij, aldus Peplum Patrick) en zich daarom concentreerden op mythologische thema’s. Zoals ook niemand minder dan Sergio Leone deed met “Il Colosso di Rodi” uit 1960 en in zekere zin (**) ook met “Sodom and Gomorrah” uit 1962 (het Oude Testament verfilmen mocht blijkbaar wél). De films werden overigens ook steeds in een Engelse versie uitgebracht, waarbij de Italiaanse medewerkers niet zelden Amerikaanse namen bedachten om ook op die markt door te breken.
Tussen 1955 en 1975 trok meer dan een half miljard Italianen jaarlijks naar de bioscoop, met piekjaren van zevenhonderd miljoen toeschouwers, meer dan alle Europese zalen momenteel samen!
FEDERICO FELLINI
Federico Fellini begon zijn filmcarrière als scenarioschrijver voor ondermeer Roberto Rossellini en Alberto Lattuada. Hij zette samen met Michelangelo Antonioni de tweede Italiaanse filmrenaissance in. In tegenstelling tot het Italiaanse neorealisme van de jaren ’40, stelt de nieuwe lichting Italiaanse regisseurs het individu centraal en niet de samenleving als maatschappelijk gegeven. Vooral “La Strada” (1954) brak met het klassieke neorealisme door te focussen op een simpel boerenmeisje dat verkocht wordt aan een circusartiest voor een bord pasta.
Alle typische Fellini-ingrediënten zijn reeds aanwezig in zijn debuutfilm “Lo Sceicco Blanco” uit 1952. Die ingrediënten zijn volgens Alberto Moravia “de gek in zijn rollende kooi, de oorverdovende optocht van de infanteristen, het Romeinse plein in de nacht, de fontein, de prostituées, de dikke en de dunne en de vuurspuwer”. Eén van deze personages, met name het hoertje Cabiria (gespeeld door Giulietta Masina), zal in 1957 het onderwerp worden van een “eigen” film, “Le Notti di Cabiria”.
In 1960 ontmoet Annie Girardot op de set van “Rocco e i Suoi Fratelli” van Luchino Visconti de Italiaanse acteur Renato Salvatori (1933-1988). Even later treden ze in het huwelijk. In Cannes is de Gouden Palm voor “La Dolce Vita” van Federico Fellini. Journalist Marcello Rubini (Marcello Mastroianni), uitgeput door de vereisten van zijn beroep en de eisen van zijn minnares Emma (Yvonne Fourneaux) brengt de nacht door bij Maddalena (Anouk Aimée), de dochter van een rijke industrieel. Daarna ontmoet hij de Zweedse filmster Sylvia (Anita Ekberg), waarmee hij de beroemde scène in de fontein van Rome draait. Haar vriend Lex Barker (“hij heeft ooit nog Tarzan gespeeld”) kan daar niet mee lachen. Daarop probeert Emma zelfmoord te plegen. Het mislukt, de zelfmoord van zijn vriend Alain Cuny lukt echter wél, nadat hij eerst zijn twee kinderen heeft vermoord. Marcello vlucht naar een wilde party waar hij de eerste in de filmgeschiedenis is om een befscène te draaien. Ik weet niet of dit bij Nadia Gray (1924-1994) is, die hij daar ontmoet en ophef maakt met een striptease op muziek van een hitje uit die tijd, “Patricia”. De “echte” muziek van deze film is uiteraard van Nino Rota, maar ook Adriano Celentano maakt een opgemerkte verschijning met een versie van “Ready Teddy”. Het Vatikaan is “not amused”.
Fellini draait in 1963 “Otto e Mezzo” met Marcello Mastroianni, Claudia Cardinale, Anouk Aimée, Sandra Milo, Rosella Falk, Barbara Steele, Mario Pisu, Guido Alberti, Madeleine LeBeau, Jean Rougeul. Een regisseur tracht in een kuuroord tijd en inspiratie te vinden voor een nieuwe film. Niet alleen zijn echtgenote en minnares verstoren zijn zoektocht naar inspiratie, maar ook de diverse actrices die om rollen komen bedelen en de lastige critici die hem op de hielen zitten zorgen ervoor dat het scenario niet vordert. Vlak voor de opnamen besluit de regisseur om de zoektocht naar inspiratie en de vele obstakels tot onderwerp van de film te maken. Ook de eigen jeugdherinneringen, dromen en fantasieën van de regisseur komen in deze schildering van een creatief gedachtenproces bovendrijven. Deze film over gebrek aan inspiratie werd paradoxaal genoeg een van Fellini’s rijkste en meest meeslepende films, vol indringende scènes en beelden en verrassende, groteske personages. In 1964 draait Federico Fellini “Giulietta degli Spiriti” met in de hoofdrol de Joegoslavische Sylva Koscina (1933-1994). In 1974 opent Federico Fellini de festiviteiten in Cannes met “Amarcord”.
SPAGHETTIWESTERNS 43 once upon a time in the westIn 1969 ging de film “Once upon a time in the west” van de Italiaanse regisseur Sergio Leone in première. Leone heeft slechts zeven films geregisseerd, maar desondanks wordt hij gezien als een van de grootste filmmakers aller tijden. Dit komt vooral door zijn invloed op films van anderen. Zo wordt Leone gezien als de vader van spaghettiwestern, enerzijds omwille van het land van herkomst, maar anderzijds ook omdat de “bolognaisesaus” rijkelijk vloeide. Leone’s films mochten dan minder expliciete maatschappijkritiek bevatten dan b.v. een “Soldier blue”, ze waren op hun manier toch ook erg effectief, aangezien ze de rauwe realiteit toonden. Als Cooper in “High noon” b.v. met een hele gangsterbende afrekent, dan vloeit er nochtans geen druppel bloed. Kogels blijken mooie ronde gaatjes in lijven en hemdjes te maken en men verwacht als het ware dat op elk moment een dode weer tot leven kan komen. Leone daarentegen toonde schotwonden zoals ze zijn: diep, vuil en vreselijk bloederig. Clint Eastwood in Humo: “Amerikaanse westerns moesten in die tijd gehoorzamen aan de zogeheten Hays Code. Zo mocht je de cowboy die schiet en degene die getroffen neervalt nooit in één en hetzelfde shot laten zien. Maar Sergio trok zich daar geen zier van aan en filmde de schietpartijen gewoon in één take. Dat was revolutionair – zijn shoot-outs waren tegelijk hondsbrutaal en ongelooflijk opwindend.”
MICHELANGELO ANTONIONI
“Zabriskie Point” van Michelangelo Antonioni (1912-2007) uit 1970 is de drugfilm bij uitstek, mede dankzij de aanwending van de muziek van Pink Floyd en het acteertalent van Mark Frechette, Daria Halprin, Paul Fix, G.D.Spradlin, Bill Garaway, Kathleen Cleaver en Rod Taylor. Frechette (°4/12/1947) gaf zijn honorarium aan een commune en “moest” nadien een bankoverval plegen om weer aan geld te geraken. Drie jaar later wordt hij opnieuw gevat bij een bankoverval (in beide gevallen viel er een dode), ook weer in Boston, en werd hij tot vijftien jaar cel veroordeeld. Hij stierf op 27/9/1975 door een “ongeluk” in de gevangenis: bij een workout kwam een gewicht op zijn lichaam terecht…
In de niet‑verbale logica waarnaar Antonioni evolueerde in zijn laatste films (Zabriskie Point, Professione: Reporter, Il mistero di Oberwald) speelt de geluidsband een belangrijke rol. In “Zabriskie Point” maakt een vreemdeling een studie in het land van de agressieve, materialistische, snelle Amerikaanse levensstijl. Het snelle levensritme is niet alleen vertaald in de montage door de vele ellipsen, maar ook in de muziek. De merkwaardige afwisseling van langgerekte, veelzeggende stiltes met geluidsexplosies hebben zo hun specifieke effect. In “Zabriskie point” begeleidt de autoradio bijvoorbeeld het levensritme van flower‑power girl Daria. Een van de mooiste scènes van de film toont Daria op het moment dat ze zopas de dood van Mark vernam langs de radio; met haar rug naar de camera, starend naar de wind in het verlaten, prachtige landschap.
“Cinema Paradiso” van Giuseppe Tornatore had ook zijn aanhangers. Brigitte Fossey’s rol werd echter door regisseur Giuseppe Tornatore uit “Cinema Paradiso” weggeknipt om veertig minuten te winnen, aangezien de Italiaanse pers erg negatief op een eerste visie had gereageerd (te langdradig).
“Fiorile” van de Taviani-broertjes schildert het verhaal van het Benedetti-kapitaal. Alhoewel de naam wel niet toevallig zal gekozen zijn, is het op de eerste plaats toch een fictief verhaal. Helemaal fictief is alvast het begin: hoe één van de voorvaders van deze kapitalist aan de haal gaat met de schatkist van het Napoleontische leger dat Toscane is binnengevallen.
Als beste acteur in Venetië werd Fabrizio Bentivoglio uitgeroepen. In “Un anima divisa in due” van Silvio Soldini speelt hij een veiligheidsagent die uit liefde voor een zigeunerin, Maria Bako, steeds meer zigeuner wordt, terwijl zij precies de andere richting uitgaat.
De beste vrouwelijke bijrol in Venetië was voor Anna Bonaiuto voor haar rol als moeder van een doofstomme jongen in “Dovo siete? Io sono qui” van Liliana Cavani.
PIER PAOLO PASOLINI EN BERNARDO BERTOLUCCI
In 1974 droomt Pier Paolo Pasolini, die nog nauwelijks een jaar te leven heeft, van “Il Fiore delle Mille e una Notte”. Het is een reeks episodes uit het legendarische boek die in schijnbare willekeur in elkaar overgaan en soms halverwege worden afgebroken, waarbij erotiek, magie, realisme en poëzie elkaar afwisselen. Pasolini legde voor de opnamen van dit laatste deel van zijn ‘trilogie van het leven’ (na ‘Decamerone’ en ‘Canterbury Tales’) 10.000km af door Ethiopië, Jemen, Irak en Nepal op zoek naar ongerepte landschappen en authentieke natuurgezichten.
Met “Salo” tekent hij bijna letterlijk zijn doodvonnis. De martelingen in de schoenen schuiven van het fascisme is immers een wat al te gemakkelijke oplossing voor het tonen van ’s mans macabere fantasieën.
Pasolini was eigenlijk een dichter die samen met Bernardo Bertolucci in de film stapt (met “Accatone” in 1961). Met zijn moeder (Pasolini was zoals men weet homofiel) woonde hij immers in het appartement boven de Bertolucci’s. De vader van Bernardo had daar blijkbaar voor gezorgd. De jonge Bernardo keek, na zijn schrik te hebben overwonnen, erg op naar Pasolini. Nadat hij de Meester had geassisteerd in “Accatone” draaide hij zijn debuutfilm “La Commare Secca” (1963) trouwens naar een verhaal van Pasolini. Daarna vindt Bertolucci in Jean-Luc Godard een nieuwe goeroe en Pasolini hult zich in een boos stilzwijgen. Misschien is dat trouwens wel de verklaring voor het merkwaardige feit dat Pasolini tégen de beweging van mei ’68 was. Officieel vond hij dat allemaal maar “fils à papa”. Daar is misschien wel iets van aan, maar dat hij van de weeromstuit voor de oproerpolitie ging supporteren, omdat dit “de zonen van de armen” waren, dat is dan weer wat overdreven!
Ter gelegenheid van “Novecento” – Pasolini was al lid van de Italiaanse communistische partij en Bertolucci werd lid van de PCI ten tijde van de Culturele Revolutie in China, omdat hij op die manier afstand wou nemen van zijn maoïstische vrienden (***) – verzoenen Pasolini en Bertolucci zich, maar nog voor de film afgewerkt is, wordt Pasolini vermoord door een jonge homofiel, Pino Pelosi (toen 17). Hij zegt dat Pier Paolo te veel eisen stelde (cfr. “Salo”), anderen zeggen dat de moordenaar slechts een radertje is in een (politiek) complot.
“The last emperor” (Bernardo Bertolucci) was de enige film die al zijn nominaties (negen) in een oscar wist om te zetten. Later verscheen in 1994 ook nog “Little Buddha” van Bernardo Bertolucci, waarin, naast zanger Chris Isaak en Bridget Fonda, Keanu Reeves, het lievelingetje van Tom Lanoye, de titelrol vertolkte. In “Stealing beauty” van Bernardo Bertolucci (1996) brengt Liv Tyler (de dochter van Aerosmith-zanger Steve Tyler) het hoofd op hol van een aantal oude knarren zoals Jeremy Irons en zelfs Jean Marais.
ETTORE SCOLA
“Padre Padrone” van de Taviani-broertjes haalt het in Cannes in 1977. “Una Giornata Particolare” van Ettore Scola met Marcello Mastroianni en Sophia Loren (en Alessandra Mussolini als haar dochtertje!) krijgt de Gouden Palm dus niet. Jury-voorzitter Roberto Rossellini krijgt zoveel kritiek te verwerken dat hij vijf dagen na het Festival overlijdt.
Voor “Le Bal” (1983) doet Ettore Scola een beroep op de acteurs van het Théâtre du Campagnol o.l.v. Jean‑Claude Penchenat. Deze film gaat terug op een toneelvoorstelling (1981), door sommigen een ‘balletpantomime’ genoemd, vermits er geen woord gesproken werd. Eerst was gedacht aan Marcello Mastroianni en Jean‑Luis Trintignant voor de “hoofdrollen”, maar Scola gaf de voorkeur aan de relatieve anonimiteit van de acteurs van het Campagnol. Ten slotte gaat het om de geschiedenis van iedereen, zoals die door de omstandigheden van de tijd bepaald wordt. Een constante zijn de danszaal en de ‑vloer. In deze ruimte wordt het leven in zijn voortgang gepresenteerd, de generaties die elkaar opvolgen tijdens het Front populaire (1936), de oorlog (1940), de bezetting (1942), de bevrijding (1944), de Amerikanen (1945), de oorlog van Algerije en de rock (1956), mei 1968 tot en met het bal hier en nu (1983). “Le Bal” is een studie in relaties en menselijk gedrag, een bindmiddel zijn de zaal en de muziek.
Nadat enkele jaren eerder de oscar voor de beste niet-Engelstalige film reeds naar “Mediterraneo” (Gabriele Salvatories) was gegaan (inderdaad een knappe film over Italiaanse soldaten die in de Tweede Wereldoorlog verbroederen met Griekse eilandbewoners), was er in 1994 de intimistisch mooie en erg deugddoende “Il postino” van Michael Radford met een prachtige prestatie van de onmiddellijk na de opname overleden Massimo Troisi als de postbode, die ontdekt hoe men met poëzie zelfs de mooiste vrouwen kan versieren. Voor het eerst werd nog eens een niet-Engelstalige film als beste film genomineerd sedert Bergmans “Kreten en gefluister” uit 1973. Dit gold ook voor de muziek van de Argentijn Luis Bacalov, maar precies op z’n hoogtepunt werd hij zowaar van plagiaat beschuldigd door zijn Italiaanse collega Sergio Endrigo.
ROBERTO BENIGNI
“Il postino” vestigde ook een populair record in het bioscoopbezoek in de VS, tot hij begin ’99 werd overtroffen door “La vita è bella” van Roberto Benigni. Ook déze film werd als beste film genomineerd. Terecht, want regisseur (en scenarist en hoofdacteur) Benigni heeft hier toch wel een huzarenstukje uitgehaald door een komedie te situeren in een uitroeiingskamp tijdens de Tweede Wereldoorlog. Benigni heeft niet getracht grapjes te maken over het kampleven zelf (daarvoor was de realiteit uiteraard veel te gruwelijk), maar door het verhaal te vertellen van een vader die voor zijn zoontje deze vreselijke waarheid tracht te verbergen door er een spel van te maken, kan Benigni zijn publiek tegelijk ontroeren en aan het lachen brengen. Dat het zeker geen Hollywood-productie is geworden, moge trouwens blijken uit het einde van de film, dat ik hier niet willen verklappen voor de zeldzame filmfreak die deze film nog niet zou gezien hebben, maar waarvan ik alvast toch kan zeggen dat het niet rooskleurig is over de hele lijn.
Roberto Benigni stamt uit de typisch Italiaanse traditie van humoristen, zoals Toto, Sordi en Dario Fo, die hij echter wel heel opvallend vergeet te vermelden in het interview met Fernand Denis van La Libre Belgique (16/2/1994). Zelfs zo dat Denis hem op dat moment (het is bij de release van “The son of the Pink Panther”) vraagt waar dan wel zijn politiek engagement gebleven is. Daarop antwoordt Benigni dat hij wel degelijk ooit politiek geëngageerd was (zijn eerste film heette “Berlinguer, I love you”), maar dat hij nu niet meer gelooft in “rechtstreekse boodschappen”. Toch verduidelijkt hij zijn politieke standpunten later nogmaals aan Jan Temmerman in De Morgen van 16/10/1998: “In tegenstelling tot iemand als Nanni Moretti ben ik niet zo ontgoocheld in de huidige linkerzijde. Moretti is heel verstandig en politiek natuurlijk veel meer onderlegd dan ik, maar ik ben wel degelijk een grote fan van de linkse regering. Zelfs als zij dingen doet waar ik niet bepaald van hou, hoef ik maar aan het alternatief te denken. Alleen al de gedachte aan Berlusconi is voldoende! (…) Umberto Eco heeft een boek geschreven over de voortekenen van het nieuwe nazisme en het nieuwe fascisme. Het is niet zo dat mensen op straat lopen te brullen dat ze alle joden willen vermoorden. Op die manier zou het fascisme makkelijk te herkennen zijn. Maar zo werkt het niet. En trouwens, de voortekenen kunnen verschillend zijn en op het moment zelf niet altijd als dusdanig te herkennen. In mijn film is er bijvoorbeeld die scène met de drie mannen en het grapje van dat groen geschilderde paard. Het lijkt misschien onschuldig, maar in het verlengde daarvan liggen de concentratiekampen. Het is een voorteken, maar op het moment zelf vaak moeilijk in te schatten.”
In “Best of Youth” (La Meglio Gioventu, 2003) leiden twee broers, Nicola en Matteo, hetzelfde leven tot ze de psychisch gestoorde Giorgia ontmoeten. Zij bepaalt hun verdere lot en dat brengt de Italiaanse cineast Marco Tullio Giordana meeslepend in beeld. Zes uur film, die zo voorbij is, over een generatie die de wereld probeerde te verbeteren. Bekroond in Cannes en aangekocht door de beste Amerikaanse verdeler voor de VS! Cinema op zijn best.
In “Il Cuore Altrove” (A Heart Elsewhere, 2003) stelt men de vraag of liefde blind is. Antwoord in dit verrassend Italiaans liefdesverhaal over Nello, de verlegen zoon van de kleermaker van het Vaticaan die in Bologna dan toch de vrouw van zijn leven vindt. Zijn Angela is beeldschoon en blind en heeft andere plannen dan Nello. Veteraan Pupi Avati brengt dit ongewoon liefdesverhaal klassiek maar toch pittig in beeld.

Ronny De Schepper
(met dank aan JvS, Edward Van Heer en Patrick Duynslaegher)

(*) Ik heb een video-opname van het Jazzfestival van Comblain-la-Tour, waarbij “de zoon van Mussolini” piano speelt, maar dat is Romano (1927-2006). Romano was ook diegene die getrouwd is geweest met de zus van Sophia Loren en bijgevolg ook de vader van het huidige extreemrechtse europarlementslid Alessandra Mussolini, die er zich steeds op beroemt dat ze tante mag zeggen tegen La Loren.
(**) De eigenlijke regisseur was de Amerikaan Robert Aldrich. Leone heeft echter wel degelijk een tijdje aan de film meegewerkt. Het is niet helemaal duidelijk of hij uit eigen beweging uit de film stapte of werd ontslagen.
(***) Er bestaat nog een andere versie van: “Toen de studentenbeweging in ‘68 opkwam die de linkse partijen en vooral de KP contesteerde, heb ik rond mij zo’n anti-communisme gevoeld dat ik dadelijk lid ben geworden van de partij. Voor mij was het één van de manieren waarop de bourgeoisie haar anti-communisme trachtte weg te moffelen. Dat duidelijk burgerlijke anti-communisme duurt voort. Ik voel het rond mij vooral onder hen die in ‘68 een tweede jeugd hebben gevonden. In ‘69 kon ik dat niet meer verdragen. Op dat punt heb ik me om redenen van eerlijkheid, consequentie en loyaliteit aan de partij en de kameraden ingeschreven.” In Humo geeft hij tenslotte een verklaring die beide verzoent: “In 1968 was iedereen gek en ik was nog gekker dan de meesten, omdat ik niet eens had meegedaan aan de Revolutie. Ik kon toen voor het eerst in vier jaar weer een film maken, ‘Partner’, en al die tijd had ik voor niets anders aandacht. Pas toen de film klaar was, kon ik weer om me heen kijken en zag ik dat al mijn vrienden op de barricaden hadden gestaan en dat alles veranderd was. Wat ik voorspeld had bij mijn hoofdpersoon uit ‘Prima della Rivoluzione’ was uitgekomen voor mezelf: ik had achter de revolutie aangelopen. En intussen waren mijn idolen en vrienden – Godard in Frankrijk, Bellocchio in Italië – heel extremistische standpunten gaan innemen. Dat waren gauchisten – maoïsten of trotskisten – die al hun kritiek op de Communistische Partij richtten. Uit reactie daartegen heb ik toen het lidmaatschap van de Partij aangevraagd.”

(Zeer) selectieve bibliografie
Jan Temmerman, Waar was u toen Pasolini vermoord werd?, De Morgen 2/11/1995.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s