Louis Prima (1910-1978)

Morgen zou de Amerikaanse jazz-zanger en trompettist Louis Prima honderd jaar geworden zijn, mocht hij op 24 augustus 1978 niet overleden zijn na een langdurige ziekte. De Duitse platenfirma ABC (Ariola) had nog maar net een elpee van hem uitgebracht in een goedkope (200 fr/stuk) reeks. Hierover had ik een artikel geschreven voor Tliedboek en op aandringen van Jan Mestdagh, net als ik een grote fan van Prima, heb dat ik dit artikel bewerkt tot een in memoriam in De Rode Vaan. Hieronder tracht ik beide artikels te combineren en ik heb er nog een stukje van het internet aan toegevoegd (dat bestond uiteraard nog niet in die tijd).

Op 24 augustus 1978 overleed na een langdurige ziekte (hij lag al in coma sedert oktober 1975) de Amerikaanse jazz-zanger en trompettist Louis Prima. Hij werd geboren op 7 december 1910 in New Orleans, uit Italiaanse ouders. Papa Prima zal wel niet aan Louis Armstrong hebben gedacht toen hij alweer naar de burgerlijke stand moest, want Armstrong was toen amper veertien en zat nog in het gesticht waar hij trompet leerde spelen. De andere Louis speelt eerst viool maar toen hij King Oliver aan het werk zag, wierp hij zich met hart en ziel op de trompet. Als beroepsmuzikant debuteerde hij bij Red Nichols and his Pennies. As a bold, talented, ambitious youngster, Prima rose from the rank-and-file of musicians in the now acknowledged great training ground of New Orleans in 1934 and headed for the “Big Time” in the city of New York. After a few weeks of waiting for the right opening, he was finally given the opportunity to debut at the then inconspicuous “Famous Door”. By virtue of the Louis Prima Band becoming a smash hit in the small-but-jumping club, the entire 52nd Street, between Fifth Avenue and Broadway, was renamed “Swing Street”. Thus, a whole new era of music began, with Louis coining such expressions as “swing” and other “hep” sayings like “solid jack,” “crazy man,” and many more. Later, it was decided to name Benny Goodman the King of Swing, but only as a result of a big hit on the song “Sing Sing Sing”, written by Louis Prima – so what does that tell you?
Ondertussen had echter een andere Louis zich in de belangstelling gewerkt: Louis Jordan. In 1942 scoorde deze één van de eerste grote zwarte hits met “Choo Choo Ch’Boogie”. Jordans “jump”-stijl en zijn humoristische aanpak zijn twee aspecten die we bij Louis Prima terugvinden op het moment dat hij de solo-tour begint op te gaan. Wanneer Jordan zijn Tympany Five ontbindt wegens ziekte, is Prima er als de kippen bij om de naam over te nemen. Wel moet ik eraan toevoegen dat de humor van Jordan een dubbele bodem had (*), terwijl Prima het alleen bij entertainment hield.
De eerste hit van Louis Prima dateert reeds van 1945: “Bell bottom trousers” (Majestic), twee jaar gevolgd door “Civilization” op RCA-Victor en “Oh Babe” in 1950 op Robin Rood. Het is echter pas in 1958 dat voor hem de grote doorbraak komt met o.a. “That old black magic”, “Buona sera”, “Oh Marie” en “Just a gigolo/Ain’t got nobody”. Iedereen kent wel “Buona sera”: een traag romantisch begin en dan halfweg het tempo opdrijven en er keihard tegenaan, vooral met saxofonist Sam Butera, trombonist James Blount en drummer Robert Morris (**). Het recept is typisch voor zowat alle Prima-successen, wat niet belet dat ze elk een distinctieve waarde hebben. Als men aan Elvis Presley vroeg where he got the wiggle, zou hij volgens de officiële Louis Prima-website geantwoord hebben: “From Louis Prima, of course.”
De echte verdienste van Louis Prima is echter zijn stem. Je zou gezworen hebben dat je een zwarte hoorde! (Op de foto’s die van hem bekend zijn, ziet hij er m.i. trouwens nogal negroïde uit.)
Vooral in de lage landen heeft Louis Prima een grote invloed uitgeoefend. Op diverse tijdstippen hebben o.a. Salix Alba (“Oh mama”), Two Men Sound (“Feeling better”), Marijn Devalck (“Hopla met de beentjes Marie”) en vooral André Hazes (schitterende versies van “Buona sera”, “Just a gigolo” en “Oh Marie”) geprobeerd hem “na te apen”, waarmee ik uiteraard een knipoog geef in de richting van Louis’ laatste kunststukje, namelijk de rol van King Louie in Walt Disney’s “Jungle Book” (1966).
De Duitse platenfirma ABC (Ariola) had vlak voor zijn dood nog maar net een elpee van Louis Prima uitgebracht in een goedkope (200 fr/stuk) reeks onder de nogal pretentieuze titel “The Story of Rock and Roll” (***). Natuurlijk kunnen ze die belofte niet waarmaken. Tot hiertoe verschenen vijf “afleveringen”: Pat Boone, Lloyd Price, Brian Hyland, Del Shannon en Louis Prima.
Dat Pat Boone historisch belangrijk is geweest omdat hij rock zó afzwakte dat zelfs Pat Nixon er sans gêne kon op dansen, dat zal niemand betwijfelen, maar dat hij juist dààrom (en ook wegens zijn “Vietnam is fun”-liederen) een kwal is, zal ook wel iedereen grif toegeven. Lloyd Price is een zeer knap rhythm’n’blues-performer, maar marginaal in de rockbeweging. Wat Brian Hyland met rock te maken heeft, mag Frieda Linzi weten (die coverde tenslotte toch z’n “Itsy-bitsy enz. bikini”) en Del Shannon vond ik destijds fantastisch, maar helaas is dat verleden tijd, want de manier waarop de (nu) gezapige dikkerd bij Wolfman Jack rondhuppelde, struikelde, zich vastklampte aan de borsten van de nooit ver uit de buurt zijnde gogo-girls, was aandoenlijk. Helaas, “Runaway” mag dan nog in mijn top tien aller tijden staan, de echte rock-boom was toen al lang voorbij en men kan moeilijk stellen dat ook Del Shannon school gemaakt heeft.
Ligt hier dan voor mij Louis Prima. Het mannetje dat de hoesteksten schrijft, levert een wanhopig gevecht om de keuze te rechtvaardigen (de waarheid is te simpel, de Echte Rockers zijn te duur): toen de Industrie zag dat rock niet zo maar een rage was, trommelden ze snel hun “vaste waarden” op en deden die ook rock-nummers opnemen. Het resultaat was desastreus: “Zij waren evenver van rock verwijderd als Engeland van China,” schrijft het hoesmannetje. “Maar,” voegt hij er onmiddellijk enthousiast aan toe: “Louis Prima was een uitzondering: hij kon wél een authentiek rockgevoel overbrengen.”
En heeft hij gelijk? Hij heeft gelijk. Even verantwoorden. Die “vaste waarden” van de platenfirma’s in die tijd kwamen uit het nightclub-circuit. Een nightclub heeft twee tradities: een muzikale, en die is zwart, en een commerciële, en die is Italiaans (“onze show wordt gesponsored door de Maffia”). Dat betekent dat de zangers in dergelijke clubs Italianen waren die “negermuziek” (jazz, blues) zongen. Kun je je voorstellen? Jazeker, want die heren heetten Frank Sinatra, Dean Martin, Al Martino, Perry Como, Tony Bennett en Frankie Laine.
Voor Louis Prima gaat dat ook allemaal op, behalve, die heren noemt men “crooners”, en Prima kan men onmogelijk onder die noemer thuisbrengen. Zijn skat-singing leunt zo dicht aan bij mensen als Louis Armstrong, dat men hem in de BRT-wandelgangen abusievelijk een zwarte noemt.
Minder gelukkig echter is dat Louis ook zijn toenmalige vrouw, de actrice Keely Smith, laat soleren. Dit mens zingt in pure Hollywood-stijl en dit steekt schril af tegen Louis’ ruwe stemgeluid. De achteloze koper krijgt zonder dat dit op de hoes ergens aangeduid wordt niet minder dan drie Keely Smith-nummers te verwerken (van de twaalf). Daarbij ook het wondermooie “I’ll be seeing you”, maar dan wel wondermooi in de a-capella versie van The Five Satins in de film “Let the good times roll” bijvoorbeeld.
Bovendien, als je denkt dat deze elpee tenminste alle hoger genoemde successen van Louis Prima zou bevatten, dan heb je het mis. “De nummers op deze plaat zijn oorspronkelijk opnieuw gebracht in de vroege jaren zestig op het Dot-label.” Dat wil dus zeggen: (1) dat Louis Prima toen al vijftig jaar oud was, (2) dat we alweer moeten vaststellen dat niet de eigenlijke rockperiode (de jaren vijftig) maar de zo dikwijls verguisde twistperiode hier aan bod komt (Louis Prima was o.a. de ster van de twist-film “Twist all night”).
Ondanks die bezwaren is de plaat in een aantal opzichten interessant. Onder de rubriek “niet kapot te krijgen” vallen immers de nummers “The music goes ‘round and ‘round” (al vind ik de versie van de Brit Nat Gonella toch stukken beter), “Hey ba-be-re-bop” (dat echter nergens kan tippen aan het origineel van Lionel Hampton zelf) en een remake van Prima’s eigen “Civilization” dat nu als titel “Bongo, bongo, bongo” meekrijgt, omdat Sophia Loren het zo zong in een typisch kontwiebelend filmpje uit die tijd. Het beste nummer is echter “Brooklyn Boogie”, een eigen compositie van Louis samen met de zwarte bandleader Earl Bostic. Voor mijn part noemt men het “spaghetti rock”, zoals men ook van “spaghetti westerns” spreekt, maar ik hou er wel van.

Ronny De Schepper

(*) Humor was het wapen waardoor hij zowel voor blank als zwart aannemelijk was. De blanken lachten om de grapjes, maar voor de zwarten hadden sommige zinnen een andere betekenis. Zo was “Saturday night fish fry” uit 1951 over een dansparty die uiteengeranseld wordt door de politie eerder sarcastisch dan grappig.
(**) Dat Jimmy Vincent Louis Prima’s longtime drummer was is regelrechte bullshit. Hij behoorde inderdaad als drummer tot zijn band in “the early years” (op Dot en Brunswick), maar zeker niet van zodra Louis op Capitol Records overstapte, waar hij niet alleen zijn grootste successen oogstte maar ook zijn beste (kwalitatief) opnames. Mijn bron is de “The Capitol Recordings” geschreven door Billy Vera in een begeleidende boek bij de BearFamily 8cd box: The Capitol Recordings. Ik zal nu wel niet ontkennen dat op de allereerste opname van “Buona Sera”, “Oh Marie” of “Just a gigolo” op die eerdere platenlabels Jimmy niet gedrumd heeft, want ik kan onmogelijk zeggen hoeveel opnames van die song en van de hand van Prima bestaan. Zoals meestal gebeurde in die tijd, was de eerste “originele” opname een lokaal succes, dat later internationaal werd met een volgende opname met betere kwaliteit en dikwijls andere instrumentalisten. Het waren allemaal geen Elvissen die hun eerste bandbezetting meenamen, en zeker niet in de eerste periode van Prima (jaren veertig) waar de bezetting meestal een band was van tenminste acht man, denk maar aan Benny Goodman of Frank Sinatra: hoeveel opnames heeft die niet van sommige songs, op Columbia/Capitol/Reprise? (Raymond Thielens)
(***) Close readers zullen opmerken dat ik nu het woord “and” voluit schrijf. Enerzijds omdat de naam van de reeks inderdààd op die manier wordt geschreven, maar ik heb anderzijds de gewoonte de schrijfwijze altijd te wijzigen tot “rock’n’roll” omdat dit volgens mij de enige juiste is (dat is officieel niet zo, maar dat is gewoon omdat die spellingscommissie te dom is om te helpen donderen: de “n” komt wel degelijk van “and”, dus er is van vóren een letter weggevallen en ook een van achteren, dus dienen er twee afkappingstekens te worden geschreven, punt uit). Hier heb ik dat dus niet gedaan omdat sommige critici als criterium hanteren dat “rock’n’roll” échte rock’n’roll is (Chuck Berry, Elvis Presley, Little Richard, Jerry Lee Lewis, noem maar op), terwijl “rock and roll” de verwaterde versie is, zoals ik ook in het artikel betoog. Vandaar dus het gebruik van “and”. Nu komt dit onderscheid toevallig eens van pas, maar meestal hanteer ik anders liever de begrippen “rock” (de “echten”) en “pop” (de “verwaterden”).

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s