Johan Pieters: “Moderne componisten zijn vervreemd van hun publiek, maar nog meer van de mensen die hun werk moeten uitvoeren”

SABAM, de Belgische vereniging van auteurs, componisten en uitgevers, heeft zopas (*) een “witboek” laten verschijnen (eigenlijk is het maar een brochure: 24 blz.), waarin zij in naam van haar leden haar verontwaardiging uitdrukt over het uitblijven van maatregelen van overheidswege om het eigen werk, dus van Belgische kunstenaars, meer bekendheid te geven. Vooral het mediabeleid (radio, televisie) wordt op de korrel genomen, daar de BRT een staatsinstelling is. SABAM eist voor haar leden 25% zendtijd op, evenwichtig gespreid over de hele duur van de uitzendingen, en verwijst hierbij naar Canada waar premier Trudeau een wet heeft laten goedkeuren waarin 30% zendtijd werd afgedwongen. SABAM wijst erop dat de kwaliteit van de programma’s daaronder niet heeft te lijden gehad, dar dit de eigen productie ten zeerste heeft gestimuleerd. Ook werd een enorme kapitaalsvlucht aan auteursrechten naar het buitenland tegengegaan. Tenslotte werd op die manier ook meer werkgelegenheid gecreëerd, toch niet onbelangrijk in deze crisisperiode.
Daar de brochure nogal heterogene vraagstukken behandelt, namelijk het toneel, de ernstige en de lichte muziek, hebben wij geoordeeld dat het informatief gezien het beste was de stellingen van SABAM te toetsen aan de mening van drie mensen uit het Waasland die op de diverse terreinen creatief zijn. Voor toneel werd dat dan Johan de Belie uit Sint-Niklaas, voor de lichte muziek Jacques Raymond uit Temse en voor de ernstige muziek één der zeldzame jonge componisten, Johan Pieters uit Kieldrecht.

Johan (Jan) Pieters is een jong componist, musicus, muziekleraar ook, die uit een zeer muzikale familie stamtuit Sint-Niklaas. Jan is een buitenbeentje tegenover zijn collega’s. Bij hem wordt componeren bijzaak, al is dat dan zeker niet pejoratief bedoeld. In zijn pogingen om toch met de mensen in contact te blijven en hen warm te maken voor de ernstige muziek in het algemeen, maar ook voor de eigentijdse Belgische componisten (waarover dus sprake in de SABAM-brochure) die het verdienen, bewandelt hij zelfs andere muzikale paden. Zo is hij o.m. arrangeur en optekenaar van volksmuziek bij Reintje Vos uit Kemzeke. Verder heeft Jan ook nog een Gregoriaans koor in Sint-Niklaas.
– De ernstige muziek vormt in de SABAM-brochure een uitzondering in die zin dat de Belgische componisten weliswaar ook onvoldoende aan bod komen, maar dat dit niet de schuld is van de overheid, die wel degelijk pogingen doet om het talent te stimuleren en te verspreiden.
J.P.:
Ik denk dat ik dat moet bijtreden, want ik ben nogal liberaal van gedachte op dat punt: inmenging van de overheid vind ik niet zo gelukkig. Zij kunnen trouwens ook niet méér doen dan bijvoorbeeld een wedstrijd organiseren. Misschien ook subsidiëring voor platen enz., al beschouw ik dat reeds enigszins als een inmenging. In de Nationale Mediatheek mocht men (alleszins tot voor kort) werk van Belgische componisten gratis meenemen, maar toch bleven die liggen, omdat niemand de muziek kent. Men neemt niet zo maar een plaat mee omdat daar de naam van Louis De Meester of Willem Kersters op staat. Het zou dus meer uit het concertleven moeten komen.
– Dààr heeft men in de brochure dus juist kritiek op. Men zegt dat de vervreemding van de hedendaagse componisten ten opzichte van hun publiek vooral te wijten is aan de festivalpolitiek die de overheid vanaf 1930 gevolgd heeft. Dat betekent: men ging buitenlandse “vedetten” uitnodigen en die dan ook vertrouwde composities (“kassuccessen”) laten uitvoeren…
J.P.
: Het is juist dat men daar geen risico’s wil nemen met nieuwe werken van eigen mensen, maar dat is niet specifiek de schuld van de overheid, dat gebeurt ook privé. En het is ook de schuld van de componisten zelf in die zin dat zij vervreemd zijn van hun publiek door de manier waarop zij schrijven. Dat wil zeggen: ze schrijven iets, laten we zeggen een symfonie, en dan moet die door iemand gespeeld worden. Maar ik vind het een veel betere politiek te zeggen: wat heb ik? In welke kringen heb ik invloed? Waar ben ik zelf actief? En dààrvoor te schrijven. Als men zich natuurlijk al gefrustreerd voelt omdat men voor een strijkkwartet moet schrijvenof zelfs voor een amateurskoor, ja dan!
Dus: men schrijft meestal los van praktische mogelijkheden. Als ik echter kijk naar moderne buitenlanders die toch toonaangevend geweest zijn, dan is mijn favoriet Bela Bartok. Die is in Roemenië en Hongarije rondgegaan bij die volksdansorkestjes en zo, die heeft daar meegespeeld, aantekeningen gemaakt. Dat heeft allemaal een directe aanspraak op Jan Publiek. Dat is muziek die men herkent, waaraan men ook kan deelnemen. Mijn opvatting is dus dat een componist nog eerder voor de uitvoerders moest schrijven dan voor het publiek. Dus niet zozeer omwille van het applaus en de grote bekendheid. Die kan later nog altijd komen, maar men vergaloppeert zich als men zich specifiek daarop afstelt.
Zo moet de componist proberen er op die manier mee om te springen – en de mensen uit de amusementswereld weten dat zeer goed – dat het publiek ook een beetje uitvoerder moet zijn. Als was het maar introvert: als het publiek iets herkent, dan gaat het er toch op in.
– Uzelf hebt de muziek geschreven voor de bekroonde tekenfilm van Johan Dehandschutter…
J.P.
: Toevallig. Omdat men het me heeft gevraagd. Nu blijkt dat mijn bekendste compositie te zijn, alhoewel ik toch niet graag zou hebben dat men dit ook als het meest representatieve van mijn werk zou beschouwen, want bij een film en zeker bij een tekenfilm ben je natuurlijk erg gebonden. Meestal schrijf ik eenvoudige stukjes, b.v. voor een meisje in de klas die me haar poëzieboek geeft. Iemand anders zou daarin iets schrijven, wel ik schrijf daarvoor dan een stukje, dat dan niet zo maar een stukje is, hoor. Maar zal dat kind dat begrijpen? Ik weet het niet. Later op een dag misschien.
En dan schrijf ik ook nog werk voor orgel om uitgevoerd te worden door mijn vrouw of door mezelf. En waar voer je dat nu uit? Wel, in de kerk, hé! Ik moet dus niet klagen dat nog niets van mij op een concert is uitgevoerd, want ik heb nog nooit iets voor een concert geschreven en ik zal het ook niet doen, zolang men het mij niet vraagt of zolang ik niet voel dat er nood aan is. Of misschien eens als ik niet weet wat doen, maar dan zal ik er ook niet over klagen als het niet uitgevoerd wordt.
– Denkt iedereeen er zo over?
J.P.
: Neen. Als je mijn directeur (Albert Delvaux, RDS) zijn mening daarover zou vragen, dan zal je zien dat die erg verbitterd is, wat de inspanningen van de overheid en de BRT betreft. Alhoewel ik vind dat hij het juist erg ver geschopt heeft.
– De vervreemding van de eigentijdse componisten wordt o.m. in de hand gewerkt door het feit dat hun werk uitsluitend op BRT 3 (nu Klara) gespeeld wordt, een zender die door een zeer laag percentage van de bevolking beluisterd wordt…
J.P.
: Toen de zenders elk hun specifieke opdracht kregen, heb ik me toch afgevraagd of het positief is dat elke zender zich nu richt tot “zijn” publiek en dat publiek dus naar de mond praat. Ik vind dat spijtig. Nu, het verwijt dat BRT 3 al te geleerd zou doen, dat gaat de laatste tijd niet meer zo op. Ze doen werkelijk een inspanning om een groter publiek te bereiken. Ik denk aan programma’s als “Ad Libitum” en “Da Capo”. Maar Jan Publiek weet van het bestaan daarvan niets eens af!
– Is 1930 inderdaad een scharnier voor die negatieve evolutie?
J.P.
: Ik denk dat sinds 1930 het concertleven nog maar goed is beginnen leven, vooral in de provincie. En de laatste tien jaar zijn ook de jongeren zich weer sterk voor de ernstige muziek gaan interesseren, zodanig dat zij een groot procent van het concertpubliek uitmaken. Ik vind dus dat we sinds 1930 wel vooruitgegaan zijn, maar het zelf muziek maken is door televisie, radio en noem maar op fel achteruit gegaan. Niet in kwaliteit maar in kwantiteit. Bijvoorbeeld thuis of in vriendenkring muziek maken, een paar strijkers die bijeen komen, twee klarinettisten die een duo vormen of zo, dat zie je niet meer. Vandaar ook trouwens dat componisten vooral aan concerten denken.
Nochtans, als een componist die dingen niet zou verwaarlozen, eenvoudige klaviermuziek en zo, dan zou hij later in de concertzaal op veel meer belangstelling kunnen rekenen. Want zoals de zaken nu staan, is het voor een organisator inderdaad een risico met een modern werk uit te pakken. Al vind ik persoonlijk dat op elk programma tenminste één modern en één Belgisch werk zou moeten voorkomen. Men doet dat reeds elders, maar ja, die landen zijn veel groter, men heeft dus ook meer aanbod. De laatste tijd schijnt daar echter een kentering in te komen. Misschien onder druk van de overheid, ik weet het niet.
Een nadeel is natuurlijk wel dat moderne componisten dikwijls te moeilijk schrijven, zodat ze enkel door beroepsorkesten kunnen worden uitgevoerd. En als dié naar de provincie trekken, dan gooien ze er ook met hun pet naar, nietwaar? Plaatselijke amateursorkesten wagen zich niet aan dergelijke moeilijke dingen, tenzij in het kader van harmonie- en fanfaremuziek. Maar dan is het weer dikwijls maak-muziek, die een beetje naar het commerciële overhelt. Een beetje te veel banale dingen.
– Wat harmonie- en fanfaremuziek betreft, ook hieraan wordt een beetje plaats gespendeerd in de brochure van SABAM. Zij stellen o.m. vast dat op twee Limburgse muziekfestivals er niet minder dan 26 Nederlandse (“Hollandse”) werken werden uitgevoerd op een totaal van dertig!
J.P.
: Het aanbod uit Nederland is dan ook zeer groot. Het is muziek die er goed ingaat met nogal veel show enz. Sterk op effecten belust. Trouwens, als Nederlandse muziekkapellen hier komen spelen, moeten ze het in de eerste plaats hebben van de show. Niet dat ze geen degelijk werk leveren, maar het muzikale aspect ligt wel onder tegenover majorettenkorpsen en noem maar op.
Maar in de provincie Oost-Vlaanderen was het verplichte stuk voor de laatste wedstrijd er één van Marcel Poot. Natuurlijk, sommige harmonieën beschouwen dat dan ook gewoon als verplicht stuk, maar kom, het is toch een begin. We komen immers van ver, nietwaar? Als men ziet dat een harmonie of een fanfare oorspronkelijk diende ofwel om eens goed uit te gaan, ofwel om de belangen van één of andere partij te dienen, dan stelt men nu vast dat er nog altijd twee richtingen zijn, maar dan wel twee totaal andere: ofwel de show verzorgen ofwel wat meer aandacht besteden aan de muziek zelf. En dan mag je toch niet direct verwachten dat zij een stuk van Marcel Poot als liefhebberij gaan spelen! Niet dat het geen knappe muziek is, integendeel.
– Opnieuw ruimer gezien, dus ook wat concertmuziek betreft, komt het Belgische repertoire dan genoeg aan bod in het Waasland?
J.P.
: Ik denk niet dat het beter kan. Als componist van ernstige muziek moet je trouwens niet denken “ik ga me binnen zoveel jaar een prachtige villa bouwen”. Het mag trouwens geen materiële ambitie zijn. Anders hoor je eerder thuis binnen de amusementsmuziek!

Ronny De Schepper

(*) Referentie: Jan Segers, Worden onze auteurs-componisten in eigen land genegeerd? (De Voorpost, 30/6/1978)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.