Vagabond heart

Op 15 april 1991 was Rod Stewart in het kader van zijn Vagabond heart-tour te gast in het Sportpaleis van Antwerpen. Volgens Het Nieuwsblad was deze nieuwe CD “geen wereldschokkende plaat maar een heterogeen werkstuk zonder franjes, met een boodschap van plezier en entertainment. De nieuwe band die hij rond zich verzamelde is op drummer Dave Palmer na, volledig Amerikaans getint en trekt resoluut de kaart van de jonge, professionele spontaniteit. Het verdwijnen van een ouwe getrouwe als gitarist Jim Cregan pakt gunstig uit. De groep, geleid door superbassist Carmine Rojas, waarin Jeff Golub als gitarist uitblonk en saxofonist Jimmy Roberts en Don Teschner (viool, gitaar en mandoline) glansrollen vertolkten, doorstond de test moeiteloos. Dankzij de backing-vocals van Dorian Holley en Darryl Phinnessee en de blazers van Nick Lane en Rick Braum bleef het geheel boeien. Toegegeven, Stewart is geen original maar dat heeft hij ook nooit beweerd.”

Serge Simonart in Humo ziet het enigszins anders: “Het is een akelig gegeven dat, hoe rijker popsterren worden, en bijgevolg hoe méér risico’s ze zouden kunnen nemen, hoe minder risico’s ze nemen, en hoe meer ze op veilig spelen. Rod Stewart is daar geen uitzondering op. De voorbije jaar deed Rod carrière-gewijs de ene faux pas na de andere. Het absolute dieptepunt was het recente Pepsi-duet met Tina Turner (‘It takes two’): een stijlloze en hypocriete carrière-zet, maar vooral: een middelmatig nummer. Rod had voor deze tournee dan ook, niet toevallig net zoals Tina, zijn oude band ingeruild voor een technisch perfect maar charismaloos stelletje Amerikaanse huurlingen. Ook Vagabond heart is een bescheiden vorm van hoogverraad. Een vagebond is Rod allang niet meer en ook Rebel heart, een ordinaire rocker, is qua song en titel een leugen. De plaat is opgebouwd zoals de bijhorende show: ze schippert met marketing-technische berekening tussen nep-glamour en Rods halfhartige omhelzing van zijn roots. Maar de poging om in Rhythm of my heart doedelzakken met bombast te verzoenen, mislukt. The Motown song is zogenaamd een hommage, maar klinkt als een rip off; als vijf incognito-covers in één. En dan zijn er de openlijke covers. Tom Waits’ Downtown train was als single al een vergissing. En Van Morrisons Have I told you lately is een Las Vegas-versie van het origineel. Jammer, maar helaas. Het enige dat op Vagabond heart overeind blijft, is Stewarts stem. Rod is nog niet rot, maar hij ruikt al een beetje.”
In juni ’92 werd Renée geboren, het vierde “officiële” kind van Rod Stewart. Voor moeder Rachel was het uiteraard wel het eerste.
Die andere Tom Waits-cover “Tom Traubert’s Blues” is dan weer afkomstig uit een merkwaardige CD met voor de helft heruitgaven (meestal van oude nummers uit de tijd van The Faces) en voor de andere helft nieuwe opnamen, waarbij een eigen versie van “Ruby tuesday” van de Stones (“Lead vocalist” uit 1993).
Datzelfde jaar was er op MTV “Unplugged and seated”, waarin hij met goeie ouwe Ron Wood vijftien van zijn eigen klassiekers in een nieuw kleedje stak.
Een tijdje later liet Rod vet weghalen van onder zijn kin, zodat hij een baardje kweekte om de littekens te verbergen. Voeg daarbij nog een bril en een stok (omwille van een voetbalongeluk) en de transformatie was redelijk hallucinant… Dat belette hem echter niet om er in september ’94 nog een vijfde kind (Liam) bij te fabriceren!
Bij de zoveelste remake van “The three musketeers” werd de titelsong “All for one and all for love” gezongen door “drie musketiers”, zijnde Rod Stewart, Bryan Adams en Sting. Deze laatste moest hiervoor zijn jarenlange ruzie met Rod Stewart bijleggen.
A SPANNER IN THE WORKS
1995 begint meteen met een wereldrecord voor Rod Stewart. In Rio de Janeiro treedt hij op voor 3,5 miljoen mensen, een half miljoen meer dan de vorige recordhouder Jorge Ben (op dezelfde plaats). Na het concert in Rio liet Rod Stewart zich afvoeren door een ambulance uit schrik door de menigte te worden gelyncht.
Datzelfde jaar viel zijn nieuwe CD “A spanner in the works” in mijn ogen vooral op door het folky “Purple heather”, maar het is nochtans zowat het enige nummer dat Luc Beernaert in Het Laatste Nieuws (we moeten àlle kranten toch eens aan bod laten komen) niet vermeldt in zijn opsomming van hoe “de tot inkeer gekomen rokkenjager op magistrale wijze weer enkele leennummers naar zijn onovertroffen schuurpapieren stem plooit. ‘Leave Virginia alone’ was bij Tom Petty op de plank blijven liggen en wordt door Stewart op het bovenste schap getild. ‘Sweetheart like you’ (what’s a sweetheart like you doin’ in a dump like this?), de versiertruc waar Bob Dylan poëzie in stak en Stewart zijn leven, stond al tien jaar in zijn boekje met te coveren nummers. ‘Soothe me’ van Sam Cooke wordt met een stel tegen elkaar geschurkte gitaren een typische Stewart-rocker en in Tom Waits’ ‘Hang on St.Christopher’ onthult hij een niet vermoede melodie.”
En dan vergeet Beernaert nog “Windy town” van Chris Rea, “The downtown lights” van The Blue Nile en “You’re the star” van Frankie Miller, zodat we misschien wel mogen stellen dat dit de lang verwachte cover-elpee is die Stewart reeds na “Body wishes” in het vooruitzicht stelde.
Op 21 juni 1995 was Rod Stewart overigens nog eens in Gent, maar nu uiteraard niet meer in een jeugdclub, maar in Flanders Expo.
“Daarna wordt het echter lange tijd stil rond Stewart,” schreef ik hier oorspronkelijk, maar dat komt dan vooral omdat de CD “If we fall in love tonight” volledig aan mij is voorbijgegaan. Ik ontdekte ze pas in 2015 toen een vrouw als lievelingsslow voor de top 2000 op Nederland “For the first time” van Rod Stewart opgaf. Ik dacht: dat bestààt helemaal niet, maar dat blijkt dus uit deze CD afkomstig te zijn, een mengeling van heruitgegeven slows uit eigen werk, covers en dus ook totaal nieuw werk. Een ontdekking na twintig jaar!!!
In april 1998 pakt hij dan uit met “When we were the new boys”, een CD die muziek wil brengen zoals met The Faces destijds. Daarvoor grijpt hij terug naar songs als “Cigarettes and Alcohol” van Oasis, “Weak” van Skunk Anansie of “Rocks” van Primal Scream. Tijdens de opnames stierf Ronnie Lane en als “tribute” nam Rod een remake op van “Ooh La La”, dat in de tijd van The Faces door Ronnie werd gezongen.
En alsof de tijd van The Faces helemààl terug is, is hij er kort nadien zowaar de oorzaak van dat voetballer Paul Gascoigne uit de selectie voor het wereldkampioenschap werd geweerd. Stewart was Gascoigne immers tegen het lijf gelopen en ze waren samen in de drank geraakt. Dat drankprobleem was er overigens oorzaak van dat begin 1999 Rachel Hunter haar biezen pakte. Zijn donkerste ervaring, aldus R.S. in G.Q. van oktober 2006: “Earth-shattering”.
Op dat moment zat ook dochter Kimberley met een drankprobleem en ze trachtte daar in mei 2000 wel op een heel erg originele manier vanaf te geraken, namelijk door naakt te poseren samen met Katrina Bronson (de dochter van Charles). Ze werd ook beste maatjes met Paris Hilton, die later overigens haar heel eigen versie van “Do you think I’m sexy” zal opnemen.
“You’ve got your troubles, I got mine” moet Rod Stewart gedacht hebben, want zijn volgende CD “Human” (2001) verkocht zo slecht dat zijn platenfirma hem aan de deur zette.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.