De Japanse film

In Japan draaide Kinugasa Teinosuke in 1926 “Kurutta Ippeji” (“A page of madness”): na een zelfmoordpoging als gevolg van de dood van haar baby wordt een jonge vrouw opgenomen in een instelling voor geestesgestoorden. Haar man, die niet van haar wil wijken, verzorgt en observeert haar als verpleger. Beetje bij beetje geraakt hij betrokken in het getormenteerde leven van de waanzinnigen en speelt hij een rol in een opstand in het asiel. Met deze film stond Teinosuke aan de wieg van de “art film” in Japan, toch geraakte de film verloren en werd pas in 1978 herontdekt. Hij werd meteen getoond op het Filmgebeuren, dat in 1994 de film nogmaals vertoonde, deze keer met live-muziek door het Blindman Kwartet.

In 1951 draaide Keisuke Kinoshita de eerste kleurenfilm in Japan (in Fujicolor). “Karumen kyoko ni kaeru” (“Carmen keert terug naar haar land”) gaat over de striptease-danseres Carmen, die met haar collega Maya terugkeert naar haar geboortestreek en de boeren daar van de wijs brengt met staaltjes van haar kunnen.
Met zijn film “Ugetsu Monogatari” (verhalen bij regen en maan) won de Japanse regisseur Kenji Mitzoguchi (1898‑1956) de zilveren leeuw in het filmfestival van Venetië (1953). Het begint een bewerking van twee verhalen uit de gelijknamige verzameling spookgeschiedenissen van de Japanse auteur Akinari Ueda (1734‑1809). Genjuro, een arme pottenbakker in het Japan van de 16de eeuw, wil kost wat kost een rijk man worden. Hij geraakt in de ban van de beeldschone adellijke dame Wakasa. Zij koestert een grote bewondering voor zijn werken maar zij blijkt echter een geest te zijn. Zijn schoonbroer Tobei, de boer, wil een machtig samoerai worden. Zijn droom wordt werkelijkheid, maar spoedig beseft hij hoe hoog de prijs wel is die hij hiervoor moet betalen. Daarna volgt er nog een bewerking van een vergelijkbaar verhaal van Guy de Maupassant.
In het sociale leven van het middeleeuwse Japan speelden badhuizen een belangrijke rol. Sommige daarvan waren halve bordelen en de meisjes ervoor moeten bij gebrek aan voldoende spontaan aanbod soms met geweld van het platteland weggeroofd worden. De film “Het badhuis van de zeven zaligheden” van Tan Ida uit 1968 handelt over een bende die niet alleen verse meisjes door razzia’s aanwerft, maar die bovendien de oudere, “afgedankte” meisjes nog eens doorverkoopt. De man achter de schermen is een hoge samoerai die tenslotte door een soort Japanse Robin Hood wordt ontmaskerd, uiteraard pas na een aantal spectaculaire gevechten. Door een aantal nevenintriges en de goed gedoseerde mengeling van actie en erotiek is het een film geworden die het zien waard is. Speciale vermelding verdienen de fraaie kleuren en de schitterende decors. Ook op erotisch gebied is er voor elk wat wils. Naast de in deze context onvermijdelijke verkrachtingen zijn er leukere dingen zoals een lesbische liefdesscène, een groot aantal blote schoonheden in het badhuis, een uitvoerige vrijpartij in de vrije natuur en bovendien een zelfbevrediging van een jong meisje dat stiekem wordt gadegeslagen door een van de ridders zonder vrees of blaam.
De Japanse regisseur Nagisa Oshima scoorde in de jaren zeventig een schandaalsucces met “Het Rijk der Zinnen” (”Ai no corrida”). Dat kwam merkwaardig genoeg niet omdat voor het eerst in een “normale” film de hoofdacteurs elkaar echt penetreerden (tenzij die “eer” de Nederlandse film “Blue movie” toekomt), zoals tot dan toe enkel in een pornofilm gebeurde, al wordt dat ook wel eens beweerd van films waarin een echtpaar in het dagelijkse leven eveneens een paar is in de film. Dat is dus een echt paar dat echt paart. Kim Basinger en Alec Baldwin in “The Getaway” b.v. Maar of dat nu waar is of niet, in tegenstelling tot bij Oshima wordt dat aan de kijkers niet expliciet getoond. Nee, Manu Ruys vatte het in “De Standaard” als volgt samen: “Er is naakt en er is seks-sadisme. Wie het onderscheid niet aanvoelt, ontbeert een gezond en evenwichtig oordeelsvermogen en werpt zich beter niet op als woordvoerder van de openbare opinie.”
Dit blad had zich wel heel expliciet in het onderwerp vastgebeten. Zo kopte Maria Rosseels met letters die men bij Het Laatste Nieuws was gaan lenen: “Noem het kind bij zijn naam: pornografie”. En in Duitsland was men het klaarblijkelijk daarmee eens, want in het rapport om de inbeslagname te justifiëren staat letterlijk “dat aan het gezicht van de vrouw te merken is dat seksuele praktijken plaatshebben”.
Oshima keert zich met deze film echter juist tégen de pornografie. Ondanks (of misschien juist dankzij) het feit dat deze film eindigt met de dood van de geliefde (gebaseerd op een echt gebeurd feit uit 1936, wanneer de jonge geisha Sada met het afgesneden geslacht van haar minnaar werd aangetroffen) wil het een vitalistische ode zijn aan de seksuele moraal in het nog niet verwestelijkte Japan, waar monogamie niet de dwingelandij was, die volgens Oshima juist aan de oorsprong ligt van de vlucht in de pornografie. Zijn filmbeelden willen dan ook herinneringen oproepen aan de tekeningen van Utamaro en Hokusai.
Ook legt Maria Rosseels de link met sadisme en vindt dat de naam Sada voor het vrouwelijke hoofdpersonage niet toevallig is gekozen. Merkwaardiger is wel dat Rosseels ook wel toegeeft dat de film verschilt van de doorsnee-porno, maar naast “de esthetische kwaliteiten” is er een onderscheid dat de film juist “slechter” maakt dan die porno, zodat “de directeurs van pornozalen de film van Oshima niet lusten; het publiek dat die bioscopen frequenteert wil, naast de seks, ook nog een romantisch (desnoods gecamoufleerd) verhaal. En dat zit er bij Oshima niet in. De non-stop seks wordt vlug eentonig.”
Anderzijds houdt Maria ons wel (als enige!) op de hoogte van wat we allemaal missen: het bevredigen van een oude bedelaar en een lesbische scène die met twaalf minuten werd ingekort. Op de koop toe geeft ze ons ook nog wat erotische cultuur mee. Aangezien het verbod op het tonen van schaamhaar toen nog geldig was, herinnert ze ons eraan dat dit teruggaat op een eeuwenoud taboe: “Ook in het keizerlijke China gold het tonen van schaamharen als obsceen, en de dure courtisanes, aan wier naakt-dansen niemand aanstoot nam, waren dan ook keurig onthaard.”
Hetzelfde verhaal werd dertig jaar later verteld in de kortfilm “La véritable histoire d’Abe Sada” van Noburo Tanaka. Deze kortfilm vormde een onderdeel van “Roman Porno”, een bundeling van vijf erotische Japanse kortfilms van de gespecialiseerde firma Nikkatsu. Ondanks het feit dat de bedoeling puur commercieel is, levert het toch een aantal picturale pareltjes op. Het is duidelijk dat de regisseurs (buiten Tanaka ook nog Seijin Suzuki en Tatsumi Kumashiro) in de leer gingen bij de rijke traditie van de Japanse erotische prenten. Met name deze film van Tanaka (de twee overige zijn ook van zijn hand) onderscheidt zich van die van Oshima, door meer de nadruk te leggen op het sadomasochistische karakter van de relatie tussen Sada en haar meester Kichi.
De distribiteur bracht de volgende film van Oshima uit onder de titel “Het Rijk der Passie”, omdat hij dacht van op die manier nog eens langs de kassa te mogen passeren. Ondanks de misleidende titel bleek alras dat het hier om een “zuivere” kunstfilm ging (eigenlijk betekent de titel “Ai no borei” letterlijk “Het spook der liefde” en dat zegt veel meer over de film, die inderdaad over een vermoorde rikshatrekker gaat, die in het huis van zijn echtgenote, tevens moordenares, en haar minnaar komt spoken; ah ja, die mens moest voortaan immers zijn riksha zelf trekken!) en de belangstelling daarvoor bleek zo gering dat men de film nog zelden te zien krijgt.
“Ran” (Akira Kurosawa, 1985) is een aanpassing van “King Lear”. Zijn “Kumonosu-jo” (Troon van bloed) uit 1957 was dan weer een verwijzing naar “Macbeth”.
In 1970 wordt het boek “A dog of Flanders” (1872) van de Britse schrijfster Louise La Ramé (maar zij noemde zich De La Ramée of nog: Ouida) in Japan bewerkt tot een televisieserie van 52 afleveringen. Het is een gigantisch succes, wat ertoe leidt dat horden Japanners afzakken naar Antwerpen om er het beeld van het weeskind Nello en zijn hond Patrasche te komen bewonderen. Dat staat er echter helemaal niet, het boek zal zelfs pas in 1987 voor het eerst in het Nederlands verschijnen. Dan doet men maar een beroep op Studio Vandersteen, meer bepaald op Paul Geerts die in “Het dreigende dinges” (1984) echter een verkeerd beeld geeft. Nello wordt erin afgeschilderd als een droevig ventje en Patrasche als een onooglijke straathond. Terwijl Nello in de Japanse versie juist zeer levenslustig is en Patrasche een (zij het goedaardige) stoere loebas. Toch is het beeld in Hoboken geïnspireerd op de Vandersteen-versie.
In Hollywood waren er vóór de Japanse serie reeds drie films verschenen: in 1924 met Jackie Coogan, in 1935 met Frankie Thomas en in 1960 met David Ladd (de zoon van Alan). Zijn zus Cheryl speelde mee in de jongste versie (uit 1999) waarin Jeremy James Kissner de hoofdrol vertolkt. Ook Antje De Boeck, Jaak Van Assche en andere Vlaamse acteurs spelen hierin mee. In 1975 verschijnt er ook nog eens een tekenfilmversie.
De Japanse regisseur Nagisa Oshima scoorde in de jaren zeventig een schandaalsucces met “Het Rijk der Zinnen” (“Ai no corrida”). Dat kwam voornamelijk omdat voor het eerst in een “normale” film de hoofdacteurs elkaar echt penetreerden, zoals tot dan toe enkel in een pornofilm gebeurde. Eerlijk gezegd, ik ken sindsdien ook geen andere film uit het gewone circuit waarin dat te zien is. Dat wordt wel eens beweerd van films waarin een echtpaar in het dagelijkse leven ook een paar is in de film. Dat is dus een echt paar dat echt paart. Kim Basinger en Alec Baldwin in “The Getaway” b.v. Maar of dat nu waar is of niet, in tegenstelling tot bij Oshima wordt dat aan de kijkers niet expliciet getoond. Nu goed, ook los daarvan was “Het Rijk der Zinnen” zeker het zien waard (behalve voor Maria Rosseels die in “De Standaard” uitriep: “Dit is porno!”). De distribiteur bracht de volgende film van Oshima dan ook uit onder de titel “Het Rijk der Passie”, omdat hij dacht van op die manier nog eens langs de kassa te mogen passeren. Ondanks de misleidende titel bleek alras dat het hier om een “zuivere” kunstfilm ging (eigenlijk betekent de titel “Ai no borei” letterlijk “Het spook der liefde” en dat zegt veel meer over de film, die inderdaad over een vermoorde rikshatrekker gaat, die in het huis van zijn echtgenote, tevens moordenares, en haar minnaar komt spoken; ah ja, die mens moest voortaan immers zijn riksha zelf trekken!) en de belangstelling daarvoor bleek zo gering dat men de film nog zelden te zien krijgt.In Japan was in de jaren tachtig het zangeresje Yukiko Okada erg populair. Toen ze 18 was (toegegeven, redelijk oud om nog van een Lolita te spreken, maar haar gedrag wijst wél in die richting), werd ze verliefd op de 42-jarige acteur Toru Minedishi, die ze tijdens tv-opnames had ontmoet. Die had echter wel wat anders aan zijn hoofd en wees haar af. Daarop sneed ze eerst haar polsen over, toen ze tijdig gevonden werd, draaide ze dan maar de gaskraan open, maar toen ook deze poging verijdeld werd, sprong ze dan maar uit de zesde verdieping van het kantoor van haar manager. Op enkele maanden tijd doken 34 jongeren, meestal meisjes tussen 13 en 19 jaar, haar achterna…
Japanners zijn altijd al bezeten geweest van jonge meisjes. Zo zijn er de “chikan”, mannen die zich aftrekken op de overbevolkte treinen terwijl ze schoolmeisjes bepotelen, en in de jaren negentig kreeg men plots het fenomeen van de “burusera”-winkels, een samentrekking van “burumasu” (de slipjes, of zeg maar liever slips, die schoolmeisjes bij het turnen dragen) en “sera” (de matrozenpakjes die als schooluniform dienen). Vooral gebruikte slipjes gingen als zoete broodjes van de hand. Alhoewel er stilaan tegen “chikans” wordt opgetreden, kon dit allemaal tot nu toe nog min of meer door de beugel. De “kogyaru”-clubs daarentegen worden wel bestreden. Daar kon men voor veel geld meisjes in schooluniform gadeslaan of (voor nog meer geld) “er een koffie mee gaan drinken”). Het is evident dat er voor zoveel geld wel wat meer gebeurde, meestal overigens met de goedkeuring van de meisjes, die met de opbrengst dure kleren en luxe-goederen gingen kopen (heel iets anders dus dan de kinderprostitutie uit armoede in het nabijgelegen Thailand of de Filippijnen).
Die obsessie is niet echt te verklaren, aangezien Japanse (volwassen) vrouwen vaak een “kinderlichaam” hebben (toch in vergelijking met b.v. blanke of zwarte vrouwen). Misschien heeft het echter iets te maken met het feit dat in Japan een zwaar taboe rustte op het tonen van schaamhaar, taboe dat pas rond diezelfde tijd werd doorbroken door Kanako Higuchi in haar fotoboek “Waterfruit” (Asahl Press) en door Obitani Yuri in zijn film “The Hair Opera” (1994). Men zou b.v. kunnen veronderstellen dat men zozeer gewend is geraakt aan geretoucheerde naaktfoto’s van vrouwen zonder schaamhaar, dat dit “de norm” is geworden. Alhoewel men even makkelijk het omgekeerde zou kunnen beweren, zich dan beroepend op de lokroep van het “forbidden fruit”…
De Zilveren Beer was voor “Dorp der dromen” van de Japanner Yoichi Higashi, die ook de Gulden Spoor kreeg in Gent, waardoor-ie uiteindelijk toch in de bioscoop zal terechtkomen (de prijs is namelijk een distributiepremie).
Terwijl op het Gentse Filmfestival “Cyclo” van de Frans-Vietnamese regisseur Tran Anh Hung de grote prijswinnaar was, net zoals in Venetië, was er verder ook nog “Sharaku” van Masahiro Shinoda en “Hoanan Hoanu” van Hou Hsiao Hsien.
Eind 1997 pleegde de Japanse regisseur Juzo Itami zelfmoord op 64-jarige leeftijd. Itami was, na eerst als acteur actief te zijn geweest in films als “55 days at Peking” en “Lord Jim”, vooral bekend van “Tampopo”, een culinair-erotisch hoogstandje. De hoofdrol werd gespeeld door zijn vrouw Nabuko Miyamoto en zijn zelfmoord zou dan ook te maken hebben met een affaire die hij nadien met een jongere actrice zou hebben gehad. In de naweeën van de Diana-affaire werd de schuld voor zijn zelfmoord dan ook bij de hem opjagende tabloids gelegd.
Een andere film die het van oosterse atmosfeer moet hebben, is “M.Butterfly” van David Cronenberg met Jeremy Irons in de rol van René Gallimard, een man die door zijn liefde voor de Chinese diva Song Liling in een spionagekomplot in het China van 1964 terechtkomt. Aangezien de rol van de diva wordt gespeeld door John Lone (bekend uit “The last emperor”) lijkt dit op het eerste gezicht onwaarschijnlijk maar het verhaal is zowaar op waar gebeurde feiten gebaseerd (de Franse diplomaat Bernard Boursicot ontdekte pas op het proces twintig jaar later dat Shi Pei Pu een man was!). Ook hier is het eigenlijke thema: “East is east and west is west and never the twain shall meet”. Gebaseerd op een toneelstuk van David Henry Hwang is het een intiem werkstuk geworden, dat nogal toneelmatig is gebleven, vooral omdat Barbara Sukowa als Jeanne Gallimard een beetje op de achtergrond blijft, net als Ian Richardson als Toulon. De rol van Irons doet een beetje aan die in “Damage” denken, waarin ook politiek en seks worden vermengd, maar als flegmatieke Engelsman slaagt hij er niet in het passionele van de Fransman weer te geven. Wat in “Damage” op die manier juist een interessante tegenstelling was (het was de Franse Juliette Binoche die het vuur aan de lont stak), is hier nu net een belemmering. Opvallend is trouwens dat blonde meisjes in Japan als “exotisch snufje” erg gegeerd zijn (vraag dat maar aan Elsje Helewaut b.v.), maar dat grote borsten anderzijds eerder op de lachspieren werken.

Referentie
Ronny De Schepper, Film met live-muziek, Het Laatste Nieuws 12 oktober 1994

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s