Sedert de Norman Conquest in 1066 is de Engelse cultuur gedomineerd door de Franse invloed. Toch behield de middeleeuwse Engelse literatuur zijn eigen wortels, vermengd met Franse erfenissen (ook wel geïnspireerd door de Italiaanse vormen). Zo groeide ook de Engelse muziek verder tot het einde van de 14de eeuw tot een stijl welke een samenvloeiing is van Franse en Engelse kenmerken, en ook wel van Italiaanse. De term die men daarvoor gebruikte was “La contenance Angloise”.

Ondanks het feit dat weinig kan terug gevonden worden, kan men toch wel een redelijk beeld krijgen van de Engelse 14de eeuwse muziek, namelijk twee veel gebruikte technieken: de parallelle bewegingen in akkoorden, gekend als discant (welke in de 15de eeuw door de Vlaamse polyfonisten zal worden overgenomen, meer bepaald Dufay en dit onder de naam faux-bourdon) en de herhaling of antwoord tussen de ene zanger en een andere, zoals men terug kan vinden in rondellen.
Mag ik erop wijzen dat de 14de eeuw een eeuw van vernieuwing was en dat men zich daar bewust van was? Het was rond 1320 dat Philippe de Vitry zijn tractaat schreef Ars Nova, verwijzend naar het nieuwe.
Een eerste grote naam, waarbij de oorsprong van vernieuwing in stijl moet gezocht worden, is John Dunstable (1380-1453). Deze componist was musicus, astronoom en mathematicus. Hij verblijft in Frankrijk, als hofcomponist van de Hertog van Bedford, regent voor Engeland in Frankrijk vanaf 1422. Dit verblijf heeft zeker wederzijdse invloeden ondergaan met Dufay en Binchois.
Hij vermengt typische Engelse kenmerken met Franse kenmerken: hij maakt enerzijds gebruik van isoritmie, maar anderzijds komen de Engelse gymel- en faux-bourdontechnieken ook in zijn polyfone schrijfwijze voor. In sommige werken gebruikt hij een cantus firmus, andere zijn vrij gecomponeerd.
Dunstables muziek kenmerkt zich door een zeer soepele melodievorming, een bewustzijn van klassieke harmonie en een verantwoordde en evenwichtige opbouw.
In de tweede helft van de 15de eeuw werd de muziek van de Engelse componisten die het eiland niet hebben verlaten, weinig beïnvloed door de ontwikkelingen op het vasteland. Tinctoris wijst op het gebrek aan vinding en op het conservatisme in de Engelse muziek na Dunstable.
Een handschrift van omstreeks de eeuwwisseling, het Eton Choirbook, geeft een goed beeld van de typische Engelse religieuze muziek van die tijd: vooral teksten ter ere van Onze Lieve Vrou (met een uitgesproken voorkeur voor het magificat), meestal en vijf- en zesstemmige bezetting, een uitgebreide compositie waarin de bezetting en het metrum constant wisselen per fragment, lang uitgesponnen melismen in de melodische lijnen (florid style) en nauwelijk imitatie.
Met de eerste Tudor-koningen Hendrik VII (regering 1485-1509) en Hendrik VIII (regering 1509-1547) werd het contact met het vasteland hernieuwd, wat onder meer blijkt uit de aanwezigheid van vreemde musici (onder andere Vlamingen en Italianen) aan het Engelse hof. De eerste Tudor-componisten van enige allure zijn Robert Fayrfax (1464-1521) en William Cornysh (circa 1468-1523). Fayrfax is een typische vertegenwoordiger van de cantus firmus-mis (zonder Kyrie, zoals gebruikelijk in Engeland). Hoewel de imitatie al een ruimer aandeel toebedeeld krijgt en de melodische schrijfwijze minder “flamboyant” wordt, blijven deze composities (naast missen vooral motetten) typisch Engels voor de grote bezetting (vijfstemmig) en door de wisseling van maat en stemmenaantal. William Cornysh leverde vooral een bijdrage tot de profane Engelse part-song (meestal driestemmig), die nu en dan eens een eenvoudig homofoon lied is met volkse inslag, dan weer aanleunt tegen het Franse chanson uit de 15de eeuw (meer melismatisch en contrapuntisch, soms met canons). Het volkse type bloeide uit onder Hendrik VIII, die zich zelf als componist niet onbetuigd liet.
Het is onder diezelfde Hendrik VIII dat de breuk met Rome in 1534 een feit werd, waardoor de Engelse religieuse muziek uiterard sterk beïnvloed werd. De 25 jaren tussen 1534 en 1558, toen koningin Elisabeth aan de macht kwam, waren voor de componisten een tijd van verwarring en dubbelzinnigheid, waarin onder meer een geleidelijke toenadering tot het protestantisme plaatshad en ook de kortstondige katholieke restauratie onder “bloody” Mary (1558), de echtgenote van de Spaanse koning Filips II, te situeren valt. Ook wanneer het Engels definitief als liturgische taal was gevestigd, werden nog Latijnse polyfone werken gecomponeerd, onder meer voor katholiek gebleven adellijke families. Bovendien verbood Elisabeth het Latijn niet in de scholen.
De belangrijkste Engelse componist in de jaren circa 1520-1540 was John Taverner (circa 1495-1545), wiens Latijnse composities (missen en motetten) vermoedelijk ontstonden door de breuk met Rome. Hij was de eerste Engelse componist die in de mis een profane cantus firmus gebruikte.
Met toenadering tot het protestantisme werd het Engels als liturgische taal gepropageerd. In 1544 beval aartsbisschop Thomas Cranmer de zetting van Engelse gezangen aan onz not a syllabe. Dit was het begin van een repertorium in het Engels, dat naderhand ook werd uitgebreid met meerstemmige, meestal homofone psalmzettingen (onder meer Thomas Tallis, circa 1505-1585).
Daarnaast ontstonden typische Engelse genres als de service en het anthem, te vergelijken met de gezangen voor de mis (en het officie) en met het motet in het Latijnse liturgie. De bloeiperiode van deze composities is te situeren onder het bewind van Elisabeth (1533-1603). De veelzijdigste componist was ongetwijfeld William Byrd. In zijn anthems – de Engelse term verwijst naar “antifoon” – komen in de Elisabethaanse periode twee types voor, namelijk het full anthem en het verse anthem. Het full anthem is volledig gedacht voor koor, terwijl in het verse verse anthem koorfragmenten afwisselen met gedeelten voor solisten, die begeleid worden door instrumenten (orgel of strijkers). Zijn belangrijkste navolgers waren Thomas Morley (1557-1602), Thomas Tomkins (1572-1656), Thomas Weelkes (1576-1623) en Orlando Gibbons (1583-1626). Door de mogelijkheden die de afwisseling van soli en koorgedeelten creëerde, groeide het verse anthem uit tot een ware “dramatische scène”.
De barok dringt eigenlijk langzaam door in Engeland en dan voornamelijk in de toneelmuziek (maskmusik).
Muziek en theater zijn altijd innig vervlochten geweest. Zo leverde b.v. John Dowland (1563-1626) muziek voor stukken van Shakespeare. Dowland, die katholiek was, is overigens ooit eens ingeschakeld in een katholiek complot om koningin Elisabeth te vermoorden: als luitspeler zou hij bij haar in dienst moeten treden; zijn kandidatuur werd echter afgewezen. Hij speelde overigens ook niet bij het gezelschap van Shakespeare zelf. Dat was eerst ene Robert Johnson (zoals de blueszanger, jawel), gevolgd door het duo Beaumont & Fletcher, Middleton en anderen.
En dan is er boekdrukker John Playford (1623-1686), die in de tweede helft van de 17de eeuw de muziekmarkt beheerste. Hij was begonnen met royalistische geschriften uit te geven, maar toen hij daarvoor eind 1649 in de gevangenis belandde, kwam hij een jaar later terug met “The English Dancing Master” en blijkbaar ging hem dit beter af. Zelfs Mike Oldfield zou hier nog naar teruggrijpen voor bepaalde deuntjes. Toen hij stierf schreef Henry Purcell “Elegy on my friend, Mr.John Playford”.
De grootste componist die Engeland in de barok kent (behoudens de Duitser Händel) is inderdaad deze Henry Purcell (1659-1695). Daar staat men wel onder Franse invloed (bijvoorbeeld de XXIV Violons du Roi worden hier de 24 King’s Fiddlers). Hij schreef toneelmuziek en ook gewijde muziek. Daarnaast schreef hij ook oden en liederen, evenals instrumentale muziek (vooral clavecimbel).
Zoals zovele van zijn collega’s begint Georg Friedrich Händel (1685-1759) als organist, maar in 1703 wordt hij clavecinist bij de opera van Hamburg. Toch is het vooral na een reis door Italië (waarbij hij o.m. Corelli en Domenico Scarlatti ontmoet) dat hij zich op het schrijven van opera’s gaat toeleggen (“Rodrigo”, “Agrippina”). “La Resurezzione” schreef hij b.v. met het oog op een fastueuze opvoering bij de markies Ruspoli. Onwetend (?) als hij was over de pauselijke jurisdictie bracht hij voor Maria Magdalena Margherita Durastanti op de scène, maar hij liep meteen tegen de lamp, voor de tweede voorstelling moest hij haar reeds vervangen door een castraat. Het vijftigkoppige orkest werd geleid door de oude Corelli.
In 1711 voert Händel met “Rinaldo” deze traditie van de Italiaanse opera in in Engeland. Als de Hannovers daar aan het bewind kwamen, vonden ze in Händel als het ware een “landgenoot”.

Zeer selectieve bibliografie
Wilfrid Mellers, Words and music in Elizabethan England, in The Age of Shakespeare (The Pelican Guide to English Literature, vol.2), p.386-416

2 gedachtes over “De vroegste geschiedenis van de Engelse muziek

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s