Van 16 tot 28 september vindt in de Minardschouwburg weer het Festival van het Amateurtheater plaats. De inzet is de “Gentse Mokke”-trofee voor de beste productie van het jaar. De geselecteerde theaters zijn Klokke met “Bloed en Liefde” van Godfried Bomans, het Multatulitheater met “De Naam”, De WAANzin met “Wachtend op Godot” van Samuel Beckett, La Barraca met “Seks in Sakhalinsk”, De Leiezonen met “Winter onder de tafel” en Krakeel met “Eclipsed”. Over de meeste van die theaters kun je hier wel iets vinden, maar hieronder ga ik wat dieper in op La Barraca, een theater dat ik een tijdlang heb gevolgd…

“La Barraca” WAS de naam van de groep van Federico Garcia Lorca, de Spaanse toneelschrijver die in 1936, nauwelijks 37 jaar oud, bij Granada werd vermoord door aanhangers van generaal Franco. “La Barraca” IS nu de naam voor een groep van een twintigtal actieve toneelliefhebbers uit het Gentse die in de eigen regio op hun honger naar goed niet-professioneel theater zaten. De oprichting viel immers samen met de mindere periode die het Multatuliteater even moest doorworstelen. En bij de andere Gentse amateurgroepen vierden nog altijd Bompa en Slisse & Cesar hoogtij, al probeerden mensen als Frank Van Laecke of André Vermaerke om het niveau wat op te krikken (b.v. met De Urne).
Toch ontbrak er nog iets aan: de laatste tijd is het immers “in” om tegen “boodschappen” te zijn (“die worden elders gedaan” is de geijkte “grap”), maar La Barraca repliceert: “Tegen de huidige tendenzen in willen wij de boodschappen niet alleen voor rekening van de post en de koerierbedrijven laten…”
Etienne De Ruyck is zowat de woordvoerder van het gezelschap. Samen met Winnie Enghien, Jan Van Dyk en Lieven Hostens stond hij aan de wieg van La Barraca. Allen hebben hun sporen reeds verdiend in het amateurtheater, terwijl Winnie Enghien eerst als dramaturg bij Arca en op dit moment als productieleider bij de drama-afdeling van de BRT en Jan Van Dyk bij De Vieze Gasten ook professioneel met theater bezig (geweest) zijn. Lieven Hostens heeft ondertussen afgehaakt om zijn weg te zoeken binnen het professionele milieu. Zo heeft hij samen met Jean Van der Biest eerst “De Ridders van de Seine” gesticht en nadien de theaterboot “Jozef K.” ingericht. Ondertussen is ook dat al een “boatel” geworden (aan de Voorhoutkaai, d.i. vlak achter mijn deur).
In de stuurgroep werd Hostens vervangen door Yvette Ruckebusch. In het jubileumjaar werd de stuurgroep nog uitgebreid met Frank Maegerman, Barbara Beel, Guido Cornelis en Luc De Jonghe.
In mijn archieven vond ik nog een vraaggesprek met Etienne De Ruyck, vlak na de stichting van het gezelschap. De eerste vraag betrof de naam. Die leek mij allerminst lukraak gekozen.
Etienne De Ruyck: Inderdaad. We hebben doelbewust naar een vrij ernstige naam gezocht, zeker voor een amateurgroep. Ik ken er ook die “De Povere Leute” heten en toch goed theater brengen, maar wij zochten eerder iets dat ook behoorlijk klonk, zonder dat het meteen ook de grote luxe zou suggereren. Daarom dachten we aanvankelijk aan “La Strada”, omdat we eigenlijk zo’n beetje van de straat komen, maar toen bleek dat iemand ons reeds voor was. Nu wilde het toeval dat ik bij de Brugse groep Parterre “Het huis van Bernarda Alba” van Federico Garcia Lorca regisseerde en dat ik me dus volop aan het documenteren was over deze schrijver. En zo stelde ik vast dat we eigenlijk zowat in hetzelfde ideeëngoed zaten, laten we maar zeggen de linkse, progressieve strekking, zonder meteen etiketten te willen plakken. Bovendien bestond die groep van Garcia Lorca ook uit amateurs, namelijk studenten die met heel povere middelen moesten werken. Vandaar dat we uiteindelijk voor de naam “La Barraca” hebben geopteerd.
– Wat programmatie betreft wil “La Barraca” geen platgetreden paden bewandelen?
Etienne De Ruyck: Ons principe is dat wij gezamenlijk een programmatie uitwerken, maar dat het toch in eerste instantie de regisseur is die moet geloven in zijn stuk. Wij hebben allen al te veel negatieve ervaringen gehad als we bepaalde interessante stukken met hand en tand moesten verdedigen bij het bestuur van de amateurverenigingen waar we werkten. Dat probleem wilden we dus op voorhand reeds van de baan. Ieder van ons heeft zijn eigen ideeën en die willen we graag uitwerken met onze “leden”, al gebruik ik dat woord niet graag.
– Dat wil ik best geloven, want wat betekent het eigenlijk?
Etienne De Ruyck: Luister, wie bij ons wil komen, is welkom. En als wij morgen iemand tegenkomen waarmee we het wel zien zitten, dan kunnen we daar eens mee praten. Dat wil echter niet zeggen dat we de andere groepen gaan afschuimen! Ik wil alleen maar zeggen dat het niet direct onze bedoeling is om debutanten van de straat te rapen. Dat is misschien de enige pretentie die we hebben. Als we immers daarmee zouden beginnen, dan vrees ik dat we het niveau naar beneden zouden halen.
Bij de stukken die ik heb gezien waren er toch ook veel die vaak onvoldoende niveau haalden. “Roulette” van Pavel Kohout was wellicht het meest politieke stuk van hun nog jonge repertoire. Toch is de opvoering in een regie van Lieven Hostens geen succes geworden. De euvels van het “traditionele” amateurtheater werden immers, ondanks de goede bedoelingen, niet omzeild. Daarmee bedoel ik dan de zogenaamde “realistische” speelstijl, die precies omwille van het beperkte talent van amateurs juist erg “theatraal” overkomt.
Regisseur Winnie Enghien wilde het naturalistische stuk van Henrik Ibsen “Kleine Eyolf” dan weer heel doelbewust “getheatraliseerd” brengen. Omwille van het nogal tragische gegeven (de titelfiguur is een gehandicapt knaapje wiens dood als catalysator dient voor de verhouding tussen zijn beide ouders) paste de enscenering net niet in de “rage” om tragedies als komedies te spelen en omgekeerd, maar toch holde er een komisch personage (gespeeld door Kris Holvoet) doorheen om de spanningen wat te ontladen. Ook werden er twee verschillende versies van het slot gespeeld, waarbij de toeschouwer die versie kon kiezen, waarnaar zijn voorkeur (en dus ook zijn voorkeur voor één van de twee antagonisten) uitging. Ondanks een aantal onvolkomenheden was dit toch al een stap vooruit ten opzichte van het nogal houterige “Roulette”, al was het maar omwille van de prestatie van Benedicte Delefortrie, het boegbeeld van het gezelschap.
Daarna speelde La Barraca “Four roses from Bourbon Street” in een regie van Etienne De Ruyck als vervanging van “Kwartet” van Heiner Müller dat, in een regie van Jan Van Dyk, diende te worden afgevoerd, omdat men niet tijdig klaarkwam. In de plaats kwam dan maar “Four roses from Bourbon Street”, vier eenakters van Tennessee Williams. Het werd een regelrechte fiasco. Zelfs een onmiskenbaar talent als Griet Pauwels kon niet verhinderen dat de bal hier totaal mis werd geslagen. De acteurs werden aan hun lot overgelaten en misten het talent om met eigen riemen te roeien.
Het tweede seizoen startte met “En…/Of…” van Judith Herzberg, geregisseerd door Jan Van Dyk. Net als Enghien wilde Van Dyk opnieuw een poging doen om een geforceerde tekstzegging te vermijden. Maar in plaats van de meer ingetogen speelstijl die Enghien zijn mensen oplegde, opteerde Van Dyk integendeel voor een karikaturale benadering. De tekst die aan de basis van de voorstelling lag, sloot deze interpretatie inderdaad reeds in zich. Soms waanden we ons immers in een absurd theaterstuk. Maar dan wel een van het goedkope soort. Inclusief doorzichtige truuks waarvan je onvermijdelijk denkt: dat kan ik ook. Door de karikaturale aanpak werd de onderliggende bedoeling (een analyse van een driehoeksverhouding) nog meer in de verdrukking gebracht en alweer lag de verveling dus op de loer. Is het dan toch volop kommer en kwel? Welnee, men kan nu blijkbaar over betere acteurs beschikken: zowel Marnix Van Hamme als Patrice Hugaert en Cecile Beeusaert leverden immers aanvaardbare prestaties. Enkel Griet Deroo in een zwijgende rol herinnerde ons er even aan dat ook op dit vlak nog tal van gevaren op de loer liggen.
Daarna heb ik het gezelschap een tijdje uit het oog verloren (ik kreeg geen uitnodigingen meer en wat ik gezien had, zette me nu niet bepaald aan om zelf in mijn zak te tasten), dat betekende dus dat ik “Leonce und Lena” van Georg Büchner (in een regie van Etienne De Ruyck) niet heb gezien. Daardoor heb ik ook het optreden van… een majorettenkorps gemist, evenals Marianne De Greve (Leonce), Piet Van Gotta (president, huismeester), Ann Haenebalcke (Lena), Tony Blanchaert (Valerio), Hilde Verbeke (gouvernante), Brigitte Maes (Rosetta) en… Gerda Serbruyns als politieagente!
Daarna werd dan toch nog “Kwartet” opgevoerd, maar dan wel in een regie van Guido Cornelis.
Ook “Pasen” van August Strindberg heb ik niet gezien, maar dat is minder verwonderlijk, want die voorstellingen werden afgelast nadat bekend was geraakt dat de regisseur, Oswald Kielemoes, kandidaat was voor het Vlaams Blok bij de parlementsverkiezingen, die nota bene de geschiedenis zouden ingaan als “Zwarte Zondag” (1991). In 1993 werd Kielemoes voor die partij trouwens afgevaardigd naar de filmcommissie en de Raad voor Advies voor Nederlandstalige Dramatische Kunsten. Bij de filmcommissie werd hij in ’94 vervangen door Jef Elbers. Dat Kielemoes niet “zo maar” VB-lid was, maar wel degelijk een militant, bleek eind ’97 toen hij een actie leidde tegen de tentoonstelling in de Openbare Bibliotheek t.g.v. tien jaar “Verkeerd Geparkeerd”, de jongerenafdeling van de homobeweging.
Etienne De Ruyck: Toen we besloten het stuk “Pasen” van August Strindberg te programmeren, gingen we op zoek naar een regisseur. In samenwerking met onze koepelorganisatie F.V.S.T. (Federatie van Vlaamse Sociaal-Progressieve Verenigingen) vonden we de heer Kielemoes, scandinavist en Strindberg-kenner, bereid de regie op zich te nemen. Tot onze grote verbazing moesten we nadien vaststellen dat de heer Kielemoes zich verkiesbaar stelde op de lijst van het Vlaams Blok. Als democratisch-pluralistisch amateurgezelschap, willen en kunnen wij ons niet verbinden met deze partij, haar principes en alle personen die deze vertegenwoordigen. Het feit dat de heer Kielemoes ons nooit informeerde over zijn politiek engagement, wetende hoe extreme standpunten van zijn partij haaks staan op de geest van onze organisatie, beschouwen we zelfs als een vorm van infiltratie en misbruik van vertrouwen.
– Misschien is het misverstand gegroeid uit het feit dat jullie een tijdlang het Vlaamse Culturele Centrum “Roeland” hebben bespeeld…
Etienne De Ruyck: Maar de toenmalige beheerders wilden juist meer de pluralistische of zelfs de progressieve toer opgaan en waren met dat doel voor ogen op zoek naar waardevolle initiatieven. Het was natuurlijk wél toeval dat wij ons net op het goede moment zijn komen aanbieden. Al dient aangestipt dat zowel Winnie Enghien als ikzelf goede relaties hebben met Jo Decaluwe van Arca, die in feite instond voor de programmatie van Roeland.
Ondertussen hebben er echter geen voorstellingen meer plaats in zaal Roeland, omdat deze zaal onder de sloophamer zou gaan en La Barraca besloot dat seizoen met het poëzieprogramma “Poëzie in woorden” in De Rode Pomp.
Het volgende seizoen hielp La Barraca mee aan de uitbouw van de Tinnenpot tot een volwaardig theater en mocht dit dan ook openen met “De Obaldiades”, drie eenakters van René de Obaldia in een regie van Etienne De Ruyck. Begin 1993 regisseerde Jan Van Dyk daar zijn eigenzinnige versie van “Raspoutin” en hij mocht ook het volgende seizoen openen met “De verzamelaar” van John Fowles. Daarna kwam Winnie Enghien nog eens aan de beurt met “Korczak en de kinderen” van Erwin Sylvanus, maar eerst was het in februari 1994 nog de beurt geweest aan twee eenakters van Arne Sierens (in een regie van Guido Cornelis): “De soldaat-facteur en Rachel” met Ronny Hollevoet en Denise Van de Wittenboer en “Het vermoeden” met Roger Christiaens, Frank Nauwelaerts en Erna De Ruyver. Alhoewel ik deze laatste persoonlijk kende uit de dictieklas van Griet Pauwels (net als Karin Provyn, de vrouw van De Ruyck, trouwens), ben ik er toch niet naartoe gegaan.
Na “Nôh-spelen” van Yukio Mishima (regie Etienne De Ruyck) stond in het Clausjaar ook “Bruid in de morgen” (regie Winnie Enghien) nog eens op het programma, om te besluiten met “De kus van de spinnevrouw” van Manuel Puig, tevens het debuut van Ronny Hollevoet als regisseur.
Het volgende seizoen werd geopend met “Torbant, het verloop van zijn ondergang”, een vergeten stuk van de Nederlander George Kool (regie Etienne De Ruyck), gevolgd in maart 1996 door “Heldendeugd” van Pjeroo Roobjee in een regie van Geert De Rodder.
Sedert mei 1996 werd eindelijk een eigen ruimte gevonden: het vroegere zaaltje van het studententheater Cascando aan de Gentse Muinkkaai!
Toen La Barraca daarmee een tweede adem had gevonden en ik hetzelfde had gedaan bij Het Laatste Nieuws, kon ik de draad weer opnemen. De openers “De typisten” en “De tijger” (twee eenakters van de Amerikaan Murray Schisgal in een regie van Jan Van Dyk en Etienne De Ruyck) en de monologen van Denise Van den Wittenboer en Iris Van Hamme (voor Denise is dat dan “Laura” van Carel Donck, terwijl Iris zich over “Trianon Grijs” van Joseph Bush buigt) en “Een kwestie van aanpassen” (opnieuw een Tennessee Williams door Etienne De Ruyck), gingen nog aan mij voorbij maar met “Variaties omtrent eend”, het stuk van David Mamet in een regie van Jan Van Dyk, was ik weer mee. Enfin, ’t is te zeggen… Want de daarop volgende monologen (“Laura” van carel donck en “Trianon grijs” van Joseph Bush in een regie van De Ruyck) en het atelierstuk “Mrs.Klein” van Nicolas Wright (regie Van Dyk) gingen toch weer de mist in. Meer zelfs, “De Belgica”, de geslaagde reconstructie van de dagboeken van zuidpoolreiziger Adrien De Gerlache door Winnie Enghien, miste ik eveneens, net als het daaropvolgende “De minnaar” van Harold Pinter (regiedebuut van Bernard De Rycke).
Maar dan kwam “Magie Rouge” van Michel de Ghelderode. Als Adémar Martens werd deze honderd jaar geleden in Elsene geboren. Net zoals bij Emile Verhaeren of Jacques Brel heb je hier duidelijk te maken met een Fransschrijvende Vlaming, dit wil zeggen dat zij als voertaal weliswaar het Frans gebruiken, maar dat de geest van hun werk op en top Vlaams is. “Magie Rouge” is het verhaal van de vrek Hieronymus. De naam zegt het al: ook Jeroen “Hieronymus” Bosch is niet veraf. Het farcicale karakter doet echter ook aan Pieter Brueghel denken, terwijl een aantal bloedige moorden refereren aan niemand minder dan William Shakespeare. Dat zijn heel wat grote namen, maar La Barraca maakte zich sterk dat zij dit fantasierijke, barokke werk, “vol obsessies, irrationele angsten en onderdrukte gevoelens” op een dergelijke manier naar voren zouden kunnen brengen dat de toeschouwer geheel genezen en ontspannen naar buiten zou komen. Blijkbaar waren veel mensen heel erg aan dergelijke genezing toe, want de première was op voorhand uitverkocht en ook voor de volgende voorstellingen was het drummen.
Het is Etienne De Ruyck zelf die regisseert, samen met Barbara Beel. Als acteurs komen Vincent Coen, Luc Dejonghe, Xavier Demeulemeester, Hans Meganck en Valerie Van Caeneghem opdraven. Zoals gewoonlijk bij amateurs is de kwaliteit van het acteren zeer heterogeen (men moet immers roeien met de riemen die men heeft), maar Xavier Demeulemeester maakt in de hoofdrol een uitstekende beurt. De vormgeving is van Jean-Paul Van Haute en Manu Noterdaeme.
Ook “De koning komt voorbij” van Sybren Polet, waarbij Jan Van Dyk reeds met de tweede generatie van La Barraca (o.a. dochter De Ruyck) werkte, en “Comme madame”, de bewerking die Dirk van den Broeck maakte van het waar gebeurde gegeven dat we datzelfde seizoen ook reeds in Arca konden zien als “Sister my sister” van Wendy Kesselman en vroeger als “Les bonnes” van Jean Genet, heb ik dan toch opnieuw gezien.
Het volgende seizoen begon men in oktober met verteltheater, meer bepaald “De dame met het hondje” van Tjechov. In november-december volgde dan “De architect en de keizer van Assyrië”, de surrealistische klassieker van Fernando Arrabal.
Iedereen vierde het jaar daarvóór de honderdste verjaardag van Federico Garcia Lorca. Iedereen… behalve La Barraca! Maar in maart en april 2000 werd dit ruimschoots goedgemaakt met een omvangrijk project dat de werktitel “Federico’s Andalusische Vertellingen” meekreeg en waarin diverse aspecten van het werk van de Spaanse dichter, toneelschrijver en musicus aan bod kwamen.
En het seizoen werd in mei afgesloten met “In de eenzaamheid van de katoenvelden” van de jong gestorven Franse schrijver Bernard-Marie Koltes (1948-1989). Het stuk dateert uit 1986 en werd gecreëerd door zijn boezemvriend, de bekende regisseur Patrice Chereau. Het is een praatstuk en op die manier is het een “typische” La Barraca-productie, waar men nog altijd erg veel belang hecht aan het literaire aspect van het theater. Ook de confrontatie tussen twee totaal uiteenlopende personages is een gegeven dat bij La Barraca geregeld terugkeert, denk maar aan “De architect en de keizer van Assyrië” van Fernando Arrabal of “Variaties omtrent eend” van David Mamet. Deze keer worden de zonderlingen gestalte gegeven door Daniel Moons en Marnix Van Hamme. De regie is in handen van Jan Van Dyk.
“Célimène et le Cardinal”, een stuk dat Jacques Rampal enkele jaren geleden schreef en dat een vervolg wil zijn op “De misanthroop” van Molière, werd uitgesteld tot het voorjaar 2001.
Terwijl “Kat op een heet zinken dak” werd hernomen bij het “grote” NTG, konden liefhebbers van Tennessee Williams ook terecht bij het “kleine” La Barraca op de Muinkkaai, voor drie eenakters van deze Amerikaanse auteur. Het was niet de eerste keer dat La Barraca aandacht heeft voor Tennessee Williams, precies tien jaar geleden brachten zij reeds een gelijkaardige voorstelling met vier dergelijke korte stukken. Eén daarvan, “Moany’s jongen huilt niet” uit 1934, dat toen werd gebracht door Griet Pauwels en Ronny Hollevoet, stond trouwens ook nu weer op het programma, maar met andere acteurs. Het is inderdaad opvallend hoe vaak men bij La Barraca op andere mensen een beroep doet. Wellicht omdat men ook wel weet dat dit het zwakke punt is. Toen ik merkte dat bij het Festival van het Amateurtheater er niets geselecteerd was van La Barraca zei één van de juryleden me: “Ze hebben goede intenties, maar ze kunnen ze meestal niet waarmaken.” Deze keer is er echter toch een goede vooruitgang merkbaar. Ze zijn er nog niet, maar men is op goede weg.
De sterkte van La Barraca zit eerder achter de schermen. Het eenheidsdecor van Harm De Bruycker bijvoorbeeld en vooral de muziek van Peter Quasters. Met een verschillende toets voor de drie stukken en toch een eenheid behoudend, net zoals ook de thematiek van Tennessee Williams een eenheid vertoont. Daarnaast spelen ze immers ook nog “I can’t imagine tomorrow” en “The case of the crushed petunias” (1941) dat in de vertaling “Geknakte bloemen” ook de titel werd voor dit project. Net als tien jaar geleden is Barraca-goeroe Etienne De Ruyck ook nu weer de regisseur, maar voor het vrij recente “I can’t imagine tomorrow” (1971) tekent Daniel Moons. In de programmabrochure staat zelf dat de oudere Tennessee Williams niet meer zijn vroegere niveau haalt en deze tekst illustreert dat ook wel. In de perstekst ontkennen de mensen van La Barraca ook niet dat zij blijkbaar een speciale band hebben met Tennessee Williams. De verklaring die zij daarvoor geven is ontwapenend: “Zijn portretten van geknakte mensen die fantaseren van een ander bestaan zal ons wel iets doen, zeker?”
Het is ook verheugend vast te stellen dat meer en meer amateurtheaters zich de laatste tijd ook aan kindervoorstellingen wagen. Dat jaar was dat voor het eerst ook het geval bij La Barraca op de Muinkkaai. Met een voorstelling die de naam “Taart!” meekreeg, kunnen we wel spreken van een echte nieuwjaarsproductie. De zusjes Sarah en Barbara Beel bedachten een verhaal over een eekhoorn en een mier, die elkaar op een open plek in het bos ontmoeten, waar overschot van taart een feestmaal betekent voor deze wel zeer uiteenlopende dieren. Toch ontstaat er een band, zodat de onvermijdelijke scheiding hen zwaar valt. Dit is voor de Beel Sisters het aanknopingspunt om kinderen vanaf acht jaar te leren omgaan met afscheid, gemis, verlangen en tal van dergelijke zwaarmoedige begrippen. Volwassenen denken vaak dat deze alleen aan hen besteed zijn en staan er niet bij stil wat voor ravages op dat vlak een verhuis, een vakantie, een echtscheiding bij kinderen kunnen teweegbrengen. Toegegeven, zij komen er wel vlugger overheen dan volwassenen, maar toch…
Op 8 december 2001 volgde dan een collectief project van Ilse De Rauw, Dirk Van Den Broeck, Guido Vanderauwera en Isabel Van Neste. “Un dia perfecto” is een verhaal over een man wiens leven beheerst wordt door twee vrouwen, de ene zijn vrouw, de andere zijn beul. Hij zondert zich af van de wereld terwijl zijn vrouw carrière maakt. In het verlaten huis waar zij wonen, op een desolate plaats, in een onbestemd land, worden deze drie mensen door het toeval van de storm samengebracht. Het verleden van de man, dat leidde tot zijn onmacht en frustratie, lijkt nu werkelijkheid te worden. Na 15 jaar barst het onweer los, in alle hevigheid, de bliksem slaat in, de identiteit van deze individuen kan niet meer verborgen blijven. Maar komt de waarheid aan het licht… zal de zon ooit weer schijnen…? Regie: Dirk Van Den Broeck. Met Ilse De Rauw, Guido Vanderauwera en Isabel Van Neste.

Referenties

Ronny De Schepper, Eigenzinnig theater op schoot, Het Laatste Nieuws 8 oktober 1999
Ronny De Schepper, Tien jaar La Barraca, Periodiek Verschijnsel september 1999

Contactadres: La Barraca, Muinkkaai 16a, 9000 Gent. Reservaties: 09/222.31.64.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.