Het Antwerpse theater

Alhoewel ik het theaterleven in Antwerpen nooit op de voet heb gevolgd, heb ik in de loop der jaren toch voldoende aantekeningen gemaakt om tot een rudimentaire geschiedenis van het Antwerpse theater te komen.

Tussen 1829 en 1834 laat de Antwerpse stadsarchitect van Parijse afkomst Pierre Bruno Bourla de naar hem genoemde schouwburg optrekken op vraag van burgemeester Florent van Ertborn. Net zoals bij de Gentse opera was er een ingang voor koetsen voorzien, zodat men bij regenweer comfortabel kon in- en uitstappen. Ook het interieur en de theatermachinerie van beide schouwburgen werd door dezelfde kunstenaars ontworpen, nl.Philastre en Cambon. De Bourla-schouwburg was oorspronkelijk trouwens ook een opera-theater. Alhoewel Bourla in 1860 ook nog het Kattendijkdok ontwierp en de titel van ere-architect meekreeg, moest hij het toch nog meemaken dat in 1865 “zijn” toneelzaal werd afgebroken om ze te vervangen door een in de Second Empire-stijl met veel pluche, verguldsel en krullen. Het is die zaal (van Pieter Dens) die t.g.v. Antwerpen ’93 werd gerestaureerd.
In 1841 voerde de directeur van het Théâtre Royal Français in de Antwerpse Bourlaschouwburg een ballotage-systeem in waarbij het publiek sommige acteurs kon wegstemmen. Deze extreme vorm van “democratie” kwam er omdat voorstellingen te vaak onderbroken werden door gejouw, als er al niet met de voetbankjes voor de dames werd gegooid!
Op 6 oktober 1853 werd in Antwerpen in het Théâtre des Variétés de eerste voorstelling gegeven door het “Nationaal Tooneel”, opgericht uit de samensmelting van twee amateurgroepen, “De Dageraad” en “De Scheldegalm”. In 1855 gaat men reeds “op tournee door Nederland”, d.w.z. men speelt op de kermis van Breda. Van 1860 tot 1862 was Frans van Doeselaer, de “Eerste Komiek” (hoofdrolspeler in komische stukken), directeur.
Toen het NVT op 16 augustus 1874 de nieuwe (maar thans verdwenen) Nederlandse Schouwburg aan de Kipdorpbrug betrok, nam het Nationael Toneel deze naam ook over.
Ook in Antwerpen krijgt in 1903 het gezelschap het predikaat “Koninklijk” toegekend t.g.v. het 50-jarige bestaan.
In 1922 wordt de Gentse germanist Dr.Jan Oscar de Gruyter tot directeur van de Antwerpse KNS benoemd, nadat hij twee jaar eerder tevergeefs getracht had directeur te worden van de schouwburg in zijn eigen stad Gent (enkel Edmond Anseele steunde zijn kandidatuur). In Antwerpen was er ook wel verzet tegen de Vlaamsgezinde houding van De Gruyter, maar nog veel meer tegen het feit dat hij de acteurs “Algemeen Beschaafd” wilde doen spreken in plaats van gekuist Antwerps (ja, er was toen nog geen VTM natuurlijk). Toch bleef hij er directeur tot zijn dood (te wijten aan leverkanker) op 27 februari 1929. Hij werd gerepatrieerd uit Juan-les-Pins, waar hij een rustkuur volgde, om op 11 maart dan toch een indrukwekkende uitvaart te krijgen vanuit de Antwerpse schouwburg, maar hij werd wel in Gentbrugge begraven.
Joris Diels, gehuwd met de joodse Nederlandse actrice Ida Wasserman, stichtte in 1923 het Vlaams Kamertoneel.
In 1925 ging Diels werken voor de Koninklijke Vlaamse Schouwburg te Antwerpen onder leiding van Oscar De Gruyter.
In 1926 richtte Renaat Verheyen “het katholiek toneel-Antwerps Studio” op, waarvan o.a. Anselm van Leent (1911-1982) deel uitmaakte, die daarna toneelmeester en acteur werd bij het Volkstoneel van Staf Bruggen.
Datzelfde jaar verhuisde in Antwerpen het “Nationaal Vlaamsch Tooneel” naar de Bourlaschouwburg en maakte daarmee een einde aan de Franse Opera.
In 1933 werd het NVT in de Bourla vervangen door de KNS.
De K.N.S. verhuist in 1934 naar de Bourlaschouwburg om daar een einde te maken aan de Franse Opera. Eén van de voorstellingen is “Midzomernachtsdroom” met Georgette Hagedoorn als Puck. Ivonne Lex maakt hierin haar debuut als elfje.
In 1935 volgde Joris Diels, op 32-jarige leeftijd, De Gruyter op als directeur van de Antwerpse KNS. Drie jaar later werd hij echter de laan uitgestuurd door het gemeentebestuur. Diels stichtte zijn eigen gezelschap, het Kunstenaarsverbond, en ging vlak in de buurt spelen, zodat zelfs het KNS-personeel de mensen naar zijn theater doorverwees. Nochtans probeerden de nieuwe directeurs Cammans en Gilhuys weerwerk te bieden door het programmeren van blijspelen, maar ook door b.v. de gevluchte Ernst Busch de kans te geven hier een “Dreigroschenoper” te ensceneren. In 1939 werd de ruzie bijgelegd, Cammans en Gilhuys stapten op, de twee gezelschappen fusioneerden en Diels kwam opnieuw aan het hoofd van de KNS. Dat hij aanbleef tijdens de Tweede Wereldoorlog leverde hem na de bevrijding een veroordeling bij verstek op tot 15 jaar gevangenisstraf, ondanks het feit dat zijn eigen (joodse) vrouw verbod had gekregen van de Duitsers om in de schouwburg te spelen. De verantwoordelijke van de Propaganda-afdeling, Philip Vogel, was trouwens afgeschreven door de nazi’s en daardoor kon de programmatie bijna ongestoord verlopen (alleen joodse auteurs en acteurs waren taboe). Dat zegt Dom De Gruyter, die in 1943 bij de KNS debuteerde en er zou blijven tot 1962. In een nieuw proces werd Diels dan ook vrijgesproken, maar hij keerde terug naar Nederland en zou er blijven tot zijn dood in Scheveningen in juni 1992. Dat het allemaal niet zo eenvoudig lag, mag blijken uit het feit dat het juist Diels was die Vandermeulen een contract aanbood in 1940 (dat deze overigens tot 1973 zou uitdienen), toen deze onder de bezetting niet langer voor het NIR wenste te werken.
Paul DouliezOok de vader van Ivonne Lex (pseudoniem van Ivonne Douliez), Paul Douliez, stond bekend als collaborateur. Daarom heeft zij allicht haar naam veranderd (in haar pseudoniem schuilt de naam van haar eerste man, die op haar doodsbericht naast haar minnaar Frans Maas werd vermeld). Haar vader was dirigent bij het omroeporkest van het NIR en werd na de bevrijding ter dood veroordeeld, maar de straf werd niet uitgevoerd. Haar moeder daarentegen, Hélène Van Herck, was gekend als actrice. In 1936 ging het echtpaar uit elkaar.
Hélène Van Herck leefde van 20 juli 1908 tot 22 december 1993 en was al die tijd slechts aan één gezelschap verbonden, met name de KNS. Ze was wél een van de acteurs die in de periode van de Tweede Wereldoorlog Joris Diels, die de directeurspost niet had gekregen, volgde naar de Arenbergschouwburg. Later keerde ze terug naar de KNS tot 1970, toen ze het gezelschap verliet uit artistieke onvrede.
Tijdens de oorlog wordt, door een initiatief binnen de KNS, het KJT opgericht, dat in de Concordia-schouwburg speelt. Na de bevrijding werd het gezelschap door de stad erkend en kreeg het de Huurschouwburg aan de Leien toegewezen. Daarna verhuisde men naar het Koninklijk Kunstverbond en later naar zaal Majestic om uiteindelijk (eind ’69) opnieuw in de KNS te belanden.
In 1946 wordt het Nationaal Toneel opgericht met als standplaats Antwerpen. Eigenlijk komt het er dus op neer dat het Gentse gezelschap opgaat in de KNS.
In 1947 worden ook het Reizend Volkstheater en het Jeugdtheater afdelingen van het Nationaal Toneel.
In 1948 trekt Herman Teirlinck Fred Engelen aan om de Studio van het Nationaal Toneel te leiden. Engelen zou Teirlincks opvattingen over de triadische opleiding van de tonelist (de cultuur van het lichaam en van de stem die via de algemene en de vakliteratuur uitmondt in de cultuur van het spel) uitdragen tot in Zuid-Afrika. De school paste hiermee in de traditie van Konstantin Stanislawski, bekend van zijn improvisatie-oefening “de stoel” (alhoewel Teirlinck zich, althans in geschrifte, wel afzette tegen “de dictatuur van de regisseur”). Met diens opvattingen over een zo groot mogelijke inleving en identificatie van een acteur met z’n rol (cfr.The Method van Lee Strasberg) stond dit regelrecht tegenover de vervreemdingstheorie van Bertolt Brecht, die Teirlinck maar zijdelings kende via Fred Engelen en Walter Tillemans.
De beweging der kamertheaters startte in de jaren vijftig. In Gent richtte Dré Poppe in 1950 “Toneelstudio 50” op (het latere Arca), in Antwerpen was het in 1951 Tone Brulin met “Theater op zolder” (later het Nederlands Kamertoneel) en in Brussel stichtte Jan Walravens samen met Bert Parloor en Staf Knop in 1953 “Het Kamertoneel”. Een behoefte aan maatschappelijk en politiek engagement, maar vooral aan nieuwe artistieke mogelijkheden, was de grote motor bij de meeste van deze gezelschappen, b.v. bij Frans Buyens’ “satiriek” theater, “De Koperen Haan” (hij gaf toen eveneens een “satiriek” tijdschrift uit, “De Satan”).
In 1952 is er een beroemde KNS-versie van “De dood van een handelsreiziger” met Gaston Vandermeulen in de hoofdrol. Een jaar later gaat de KNS trouwens op tournee door Zuid-Afrika. Aan Luc Philips wordt een visum geweigerd omdat hij communist zou zijn. Philips in De Morgen van 20/11/1998: “Ik ben nooit lid van die partij geweest. Ik heb er wel sympathie voor gehad, zeker kort voor de oorlog. Weet je, in België weten ze van de kleine man alles. Toen ik bij het leger ging, wisten ze welke gezindheid ik had. Ik was links, en dat is niet veranderd. Ik wil geen verraad plegen tegenover mezelf, ik blijf die overtuiging toegedaan. Het is ook de rode draad door mijn carrière: de kleine man die aspiraties heeft in het leven en graag vooruitkomt, maar gemanipuleerd wordt en een slachtoffer is.”
Tot 1955 werd elk seizoen in de KNS afgesloten met een komediantenrevue. De acteurs hadden er dan zo’n 30 stukken op zitten en eindigden met een billenkletser, bij voorkeur in het dialect. Vaak parodieerden ze de serieuze stukken uit het seizoen. Vast onderdeel was dat de acteurs met ter plekke verzonnen improvisaties mekaar op het verkeerde been probeerden te zetten.
De beroemdste helden van de Komediantenrevue zijn zonder twijfel Slisse en Cesar. Deze twee wereldberoemde Antwerpse vrienden zijn tijdens deze jaarlijkse revue ontstaan en waren zo populair dat ze elk jaar terugkeerden, steeds volgens hetzelfde stramien: Slisse die les gaf aan de simpele Cesar. Zo had je de zwemles, de kookles, het autobrevet en – uiteraard – de onvergetelijke tafeltennisles. Hun populariteit nam elk jaar toe, en zelfs in die mate dat Jeroom Verten en Jos Gevers op het idee kwamen om er een heel stuk over te schrijven.
De rest is geschiedenis.
In 1957 schrijft Herman Teirlinck “Wijding voor een derde Geboorte” en in 1958 zijn “Dramatisch Peripatetikon”, waarin hij zijn visie op de dramatische kunst als een essentiële samenwerking van auteur, regisseur, acteurs, decorateur enz. formuleert. Een toneeltekst is niet langer een partituur, maar een scenario voor de acteur, die belangrijker is dan de auteur. Hij is de schepper. In ideale vorm maakt hij ook zijn eigen teksten. Teirlinck onderscheidt vier spelkategorieën: de esthetische (Teirlinck was de eerste om in België met een lichtorgel te werken), de religieuze (daartoe behoort o.m. het koor als schakel tussen mensen en heelal), de sociale (de gemeenschap die opgeroepen wordt in een schouwburg, vgl. “Music-Hall” van Van Ostayen) en de primitieve (het dragen van maskers). “Toneel moet niet de realiteit nabootsen maar is een uitbeelding van ideeën met eigen middelen. Vandaar dat het gemakkelijk gemeenschapstoneel wordt, omdat de toeschouwers zich gemakkelijker vereenzelvigen met symbolen dan met figuren.”
In 1960 neemt Fons Goris de leiding van Studio Herman Teirlinck over. Een van de pas afgestudeerden, de West-Vlaamse Lydia Billiet, vertrekt naar de DDR voor een engagement bij het Berliner Ensemble.
In 1961 neemt Walter Tillemans in de KNS de regie van Brechts “Krijtkring” van Fred Engelen over. Zelf vertrekt Engelen naar Zuid-Afrika.
In 1963 wordt Bert van Kerkhoven (1906-1984) directeur van de KNS. Deze selfmade-man (na lessen aan de Arbeidershogeschool was hij als journalist bij de NIR terechtgekomen, waar hij na zijn verzetsperiode tijdens de oorlogsjaren zelfs hoofd van de nieuwsdienst werd) bracht de minimum speelduur van de stukken van twee op drie weken. Hij was ook de eerste directeur van een repertoiregezelschap om acteurs uit de kamertheaters te rekruteren. Hij gaf schrijfopdrachten aan Vlaamse auteurs en probeerde met allerlei acties de arbeiders en bedienden naar het theater te lokken. Na het beëindigen van zijn loopbaan in 1969 (beslissing die hij reeds had genomen, vooraleer het afvoeren van een stuk van Claus incidenten uitlokte) gaf hij vooral logistieke steun aan zijn echtgenote Jeanne Brabants, die in datzelfde jaar directrice werd van het pas gestichte Ballet van Vlaanderen. Hij was ook een tijdlang voorzitter van de VVTD en de RAT.
In 1967 werd het Nationaal Toneel ontbonden. Het privé-initiatief van Teirlinck bekend als Studio van het Nationaal Toneel wordt een rijksinstelling als Studio Herman Teirlinck. Het RVT wordt door de provincie Antwerpen overgenomen.
Op 1 maart 1968 is er de opvoering van “Man is man” in een regie van Walter Tillemans in de Bourlaschouwburg. Tillemans had het aangedurfd om de anti-oorlogsparabel van Bertolt Brecht, die verhaalt hoe elke brave burger kan veranderen in een moordmachine, te verplaatsen van het koloniale India naar de jungle van Vietnam. De reacties van de “burgerlijke pers” waren dan ook voorspelbaar: “infantiel en jammerlijk gedoe” (Gazet van Antwerpen) en “walgelijk” (De Nieuwe Gazet).
In 1969 richt minister Frans Van Mechelen de kleinkunst-afdeling aan de Studio Herman Teirlinck op en Ivonne Lex sticht “TIL” (Toneelgezelschap Ivonne Lex). Ivonne Lex heeft zelf ook een dochter die aan het T.I.L. is verbonden: Catrien Hermans, evenals haar (d.i.van Lex) minnaar Frans Maas, waarmee overduidelijk wordt hoezeer T.I.L. een familieaangelegenheid is…
In Temse sticht Marc Lissens in 1970 theater Oberon. Eén van zijn acteurs, Luc Meirte, zal later beroepsacteur worden. Eerst bij het EWT, nadien (in 1991) bij het Echt Antwerps Theater.
Vanaf het seizoen 1972-73 kan men aan de Studio Herman Teirlinck ook een musicalopleiding volgen.
In 1972, het jaar van “Mistero Buffo”, nam Domien De Gruyter (1921-2007) de directie over van de KNS.
Op 26 december 1972 ging het toenmalige NVT-De Waag van start in ’t Natiepeerd met “Mazelen” (Walter van den Broeck).
12 oktober 1974: minister Rika De Backer opent het Merksems Kamertheater, waarvan de eerste artistieke directeur Walter Merhottein is.
Op het einde van dat jaar studeert Jaak van Schoor in Amsterdam af als eerste Vlaamse doctor in de theaterwetenschap. Zijn verhandeling ging over (hoe kan het ook anders) Herman Teirlinck. Een leuke anecdote is dat hij op een bepaalde avond zozeer over Teirlinck had liggen zeuren dat hij toen er ’s nachts op de deur werd geklopt, zijn vrouw geruststelde met de woorden: “Laat hem binnen. ’t Is Teirlinck, hij doet geen kwaad.” Het gebonk hield aan en toen de vrouw ten einde raad riep “wie is daar?” kwam het antwoord terstond: “Teirlinck!” Meteen was van Schoor klaarwakker, maar spoken bestaan niet, zelfs niet in sproken, want het was ene Alex Teirlinck die met zijn motorfiets tegen een paal was gereden en hulp nodig had.
15 juni 1975: het theaterdecreet zorgt voor een revolutie, vooral op het vlak van professionalisering.
In 1980 wordt de Bourla-schouwburg gesloten en de betonnen “appelsienkist” in gebruik genomen. Dankzij burgemeester Bob Cools die tijdens de winter de temperatuur in de lege Bourla op peil laat houden, gebeuren er toch geen onherroepelijke dingen.
In 1982 was er o.a. Adam en Eva in het Aards paradijs (Frans Ceusters) en Samuel, o Samuel (Ivo Michiels), maar het viel mij op dat het vooral soloproducties waren die hoge toppen scheerden: Bert André speelde “De Contrabas” van Patrick Süskind, in een regie van Julienne de Bruyn en Toon Brouwers en een decor van Marc Cnops. Een andere monoloog was die van Jaak Vissenaken als “De vrije madam”, geschreven door Rudy Geldhof en geregisseerd door Annelies Vaes. Ook de KNS kwam af en toe gevat uit de hoek (“Moeder Courage” en “Wat een leven, Jeanne“).
In oktober ‘83 neemt Marc Van Eeghem, pas afgestudeerd in Studio Herman Teirlinck, de rol van Raf Troch over in “Sidi Bel Abbes” naast Ben van Ostade.
Voor het seizoen 1984-85 schreef René Swartenboeckx “De lege cel” naar een waar gebeurde moord op zijn vriend Johan Depoorter die werd neergestoken door de Turkse gastarbeider Ysuf Kelman. Uiteindelijk bleek dit te draaien om de “eer” van diens zus Immihan Kelman. Marcel de Bie regisseerde de theaterbewerking voor het KJT met Mieke de Groote, Jos Dom, Dirk de Batist, Ivo Pauwels, Liliane Raeymaekers, Anny Geeraerts, Maria Bossers en Lutgarde Pairon.
Luc Philips bracht de monoloog “De tuinman van de koning” van Walter Van den Broeck en Cas Baas schreef een toneelversie van “De ontaarde slapers” van Ward Ruyslinck voor het RVT. Hij voert ook de regie en speelt zelf mee, naast Suzanne Juchtmans, Guido Horckmans en Ray van Campenhout.
Op 4/2/1986 wordt Ivonne Lex door het Antwerpse gemeentebestuur (SP-CVP) aangesteld als opvolger van Domien De Gruyter. Ze werd verkozen boven 14 andere kandidaten, waaronder Erik Antonis (toen nog directeur van De Warande), Toon Brouwers (dramaturg KNS), Pol Dehert (Arca), Robrecht De Spiegelaere (Malpertuis), Jaak Van de Velde (Arena) en Walter Merhottein. Deze laatste kreeg als troostprijs wel de opvolging van Joost Noydens in het KJT toegewezen. Lex werd immers gesteund door de SP, zodat de CVP met Merhottein ook iets moest krijgen. Rudi Van Vlaenderen in “De Morgen” (15/2/1986): “Het is gemakkelijk voor de SP om vanuit de oppositie voordrachten met Jack Lang te organiseren, om studiedagen uit de grond te stampen, als de SP daar waar ze een zekere macht heeft, blijk geeft van corruptie. Dat stemt tot wantrouwen. Al lang is de socialistische beweging niet meer rood van overtuiging, nu kan ze rood worden van schaamte.”
Ook binnen de SP werd gereageerd en dan nog door niemand minder dan Luc Van den Bossche. Op een studiedag noemde hij het “een slechte beslissing die een stuk dynamische ontplooiing op het vlak van de cultuur hypothekeert.” Hij werd echter van repliek gediend door Jos Van Elewijck.
Met deze benoeming werd mevrouw Lex ook de eerste vrouwelijke directeur van een A-gezelschap.
In de KNS zelf passeerden in 1991 nog amper 40.000 mensen langs de kassa, terwijl er dat in 1981 nog 109.000 waren en in 1977 (Dom.De Gruyter) zelfs 141.912! (Vergelijk: in 1953 waren het er nog 499.889)
Ondertussen aanvaardde Walter Tillemans toch opnieuw de leiding van de KNS, die hij dan samensmolt met zijn eigen Raamtheater. Reeds in februari stelde Bert Verhoye echter vast dat hij zwaar in het rood ging. Dat zou allemaal nog niet zo erg zijn als het ook nog goede producties zouden zijn, maar vooral Wim Van Gansbeke was ongenadig voor Tillemans. “Anderzijds,” schrijft Verhoye, “blijft het Raamtheater, vooral door de inbreng van getalenteerde KNS-acteurs als Julienne De Bruyn en Frank Aendenboom wel zeer hoog scoren. Alsof de stadsschouwburg wordt leeggezogen om een vzw op peil te houden.” Alhoewel sommige beweringen niet helemaal klopten (Aendenboom en De Bruyn speelden reeds in 1981 in “Play Macbeth” in het Raamtheater!) reageerde burgemeester Cools toch met te zeggen dat Tillemans er best nog niet te zeker van zou zijn dat zijn contract automatisch zou worden verlengd en de CVP-schepen van cultuur Wellens sprak van de “vertillemansing” van de KNS. Om de vernedering voor te zijn, zegde Tillemans dan maar zelf de samenwerking tussen KNS en Raamtheater op en koos hij uiteraard voor zijn eigen theater. Hij werd hierbij gesteund door de voorzitter van de RVB, Hugo Morrens. Niet zonder knipoog nam hij dan ook afscheid van de KNS met “De ingebeelde zieke” van Molière.
Maar het mocht niet baten. Dat bleek o.a. toen begin ’93 de nieuwe adviesraden voor het eerst werden gesplitst over “Nederlandstalige dramatische kunst, kunstencentra, muziektheater en dans”. Reeds bij het eerste advies was het prijs: zo moesten het KJT en het MMT ongeveer de helft van hun subsidie inleveren, ondanks het feit dat de resp. directeurs, Walter Merhottein en Manu Verreth, voor de CVP nog steeds deel uitmaken van de Raad (de derde CVP’er is Staf Pelckmans, de afgevaardigde van FeVECC, de federatie van de Culturele Centra). Ook Arca, het Raamtheater en de KNS deelden dat lot.
Tillemans slaagde er niet in aan de afbouw door Ivonne Lex een halt toe te roepen. Uit een studie die schepen Anthonis liet uitvoeren, bleek weliswaar dat in het seizoen ’94-’95 60.000 mensen de schouwburg bezochten, maar daarbij waren er 22% vrijkaarten en niet minder dan 55% waarvoor grote kortingen werden toegestaan. Tegenover 85 miljoen overheidssubsidie (40 van ’t Stad, 35 van de Vlaamse gemeenschap en 10 van de provincie) stond dan ook maar 18 miljoen eigen inkomsten, zijnde 12%. Tillemans werd opgevolgd door Frans Redant, de dramaturg van het NTG. Redant was niet bij de eigenlijke kandidaten, net zo min als Eric Antonis en in tegenstelling tot Boris, de hond van Bert Verhoye, die echter uiteindelijk niet over het geschikte diploma bleek te beschikken. In een opiniestuk in “De Morgen” en “De Scène” en in een brief aan burgemeester Cools had Redant zijn opvattingen uiteengezet. Aangezien hij zich vooral tegen de afschaffing van het gezelschap kantte, werd hij meteen de “kampioen” van Bob Cools, die hiermee binnen de SP de “progressieve” vleugel, geleid door Jan Calewaert, wist te beletten het stadsgezelschap van de hand te doen en het als vzw verder te laten bestaan.
In zijn afscheidseditoriaal noemde Tillemans Redant “een bekwaam en integer man”, maar in november 1994 was het al hommeles, toen in KNS alweer een “stuk” van Jan Christiaens op het programma stond, zij het dat het deze keer een bewerking van Voltaires “Candide” betrof. Het werd opgevoerd in een regie van Walter Tillemans, maar dus reeds onder het beheer van Frans Redant. En meteen was er al herrie. Redant schrapte namelijk eigenmachtig drie scènes. Christiaens en Tillemans (die wegbleef op de première) waren razend, maar Redant verdedigde zich met als argument dat hij Tillemans er al lang op gewezen had dat het stuk in zijn totaliteit langdradig was en dat hij een paar coupures moest maken. Toen Tillemans dit vertikte, greep Redant “in het belang van het gezelschap” zelf in. Onder Frans Redant zou trouwens de curve van de terugloop omgebogen zijn, maar daarvoor wordt alweer ander referentiemateriaal gebruikt, namelijk de “gemiddelde zaalbezetting”. Die zou in het seizoen ’95-’96 gestegen zijn naar 360 stoelen. “Geleerde vrouwen” en “De kersentuin” haalden meer dan 11.500 kijkers.
In mei ’97 slaagde ex-KNS-acteur Luc Perceval erin Frans Redant ten val te brengen door met toestemming van de Raad van Bestuur, geleid door de SP’er Calewaert, op een fusie met de KNS aan te sturen. Redant, die zijn ontslag na drie van de contractueel bepaalde zes jaar, uit de pers moest vernemen, reageerde met Piet Van Eeckhaut onder de arm te nemen. Dat moest dus op een interne SP-afrekening uitdraaien. Het had me al moeten opvallen dat Frans Redant (evenmin als zijn voorganger Walter Tillemans) niet meer welkom was op de CSC-werkgroepen…
In een lezersbrief in “De Morgen” van 17/5/1997 reageert L.Struye, zakelijk leider van de KVS, met: “Dat Blauwe Maandag Compagnie na een eerste mislukte poging om de KVS in te palmen (in de jaren tachtig al), systematisch het rijtje afgaat, heeft veel van een goedkoop en oervervelend soap-scenario.” Ook Franz Marijnen en Jean-Pierre De Decker hebben het toen voor hun collega opgenomen (in hun persmededeling zeggen ze wel verheugd te zijn dat er een einde is gekomen aan de “Elfstedentocht” van BMC), minister Luc Martens daarentegen toonde zich verheugd over de samenwerking. Bij de overeenkomst zouden ook Guy Joosten, Jan Decleir (Studio Herman Teirlinck) en Gerardjan Rijnders (Toneelgroep Amsterdam) betrokken zijn. Het was de bedoeling dat Barbara Wijckmans (eveneens SP) het rijtje zou volmaken als nieuwe intendant van het KJT, maar dit nieuws lekte voortijdig uit (wellicht omdat haar opvolger in het Cultureel Centrum van Hasselt, Paul Lambrechts, eveneens kandidaat was) en daarom trok Wijckmans zich boos terug.
Uiteraard was dat maar voor de galerij en enkele dagen later werd Wijckmans in triomf binnengehaald. Omdat Luc Perceval nog niet onmiddellijk vrij was, nam Ilse Uitterlinden het directeurschap ad interim waar voor het seizoen 97-98.
En dan was er de bloedige maar heldhaftige strijd van de Antwerpse toneelscholen, waarbij de tegenstelling tussen de “strekking Decleir” en de “strekking Van der Groen” kon worden samengevat als: een rol spelen (Decleir) tegenover een personage zijn (Van der Groen). Luc Van der Kelen formuleerde daarover in Het Laatste Nieuws van 25/5/2000 de volgende bedenking: “Eigenlijk vraag ik me al weken af of het in de kwestie van de Antwerpse toneelscholen en hun gebuisde voorzitter Beysen nog mogelijk is een genuanceerde mening te hebben zonder door de club van het correcte denken, geleid door Tom Lanoye en consoorten, meteen te worden ingedeeld bij het rechts-conservatieve Vlaanderen dat de kunstenaar niet de vrijheid zou gunnen waarop een kunstenaar recht heeft. (…) Gisteren sprak ik met een prominent lid van de raad van bestuur van de Antwerpse Hogeschool, die de haast Wagneriaans aandoende tragedie vanop de eerste rij heeft meegemaakt. Hij had hetzelfde gevoel. Het had iets van een sekte, zei hij me, waarin alle technieken van de dramaturgie en de intimidatie werden gebruikt. Hij heeft geen ongelijk. Als van 18-jarige studenten, voor ze worden ingeschreven, wordt nagegaan of hun persoonlijkheidsstructuur wel overeenstemt met die van hun lesgever, hoever staan we dan nog van Orwells 1984?”

Ronny De Schepper

Selectieve bibliografie
KRÖJER, Maxim P.S. (ed.), Theater A-Z, Antwerpen, Boekengilde Die Poorte, 1959.

9 gedachtes over “Het Antwerpse theater

  1. beste mensen graag had ik zoveel mogenlijk informatie gekregen over acteur en regisseur Marcel de Bie hij is nl mijn vader heb hem spijtig genoeg maar enkele jaren mogen kennen en vind nergens iets van hem terug ik hoop dat julliee mij kunnen helpen met artikels stukken die hij speelde die regisseerde foto’s van hem zowel gewoon als uit toneelstukken eventueel verhalen van mensen die met hem werkte enz

    alvast bedankt hoop gauw iets te horen

    met vriendelijke groeten saskia

    Like

  2. beste mensen
    hier saskia terug om mij even een beetje beter voor te stellen ben de dochter van arnouts hedy zij heeft ook mee gespeeld in stukken die hij regiseerde en heeft samen met hem romeo en julia gespeeld
    ik hoop dat deze informatie een beetje kan helpen

    met vriendelijke groeten saskia

    Like

    1. Gans toevallig kom ik op deze webstek terecht. Het artikel van het Antwerps Theater is, voor zover ik kan beoordelen puik werk, dat ik zou kunnen aanvullen met enkele details, maar dat zijn borrelnootjes. Marcel De Bie heb ik even gekend op het Koninklijk Conservatorium te Antwerpen, afdeling Toneel en Voordrachtkunst. In die klas zaten ondermeer Arnold Willems en de al lang overleden Kor Van der Goten en Simonne Peeters (Lily & Marleen). Marcel was een blonde onopvallende man die als mijn herinnering juist is, een tijd in het Koninklijk Jeugdtheater (toen nog in de Huurschouwburg) gespeeld heeft. Ik praat over de periode rond 1955. Helaas, meer weet ik niet.

      Like

      1. Op dit moment niet, Saskia, maar er ligt hier nog een heleboel informatie om te doorploegen, dus je weet maar nooit… En verder, als andere mensen zich geroepen voelen…

        Like

  3. In het boek van Lieve Eeckhaut en Johan De Paepe, ‘Op het puntje van je stoel, 50 jaar Koninklijk Jeugdtheater’, uitg KJT 1993, staat op blz 152 een kort portret van Marcel De Bie met foto. De eerste zinnen over ‘Marcel, De bezige bie’ : ‘Geboren in Mortsel in 1936 studeerde hij af aan de Studio Herman Teirlinck in 1962 en trad hij datzelfde jaar in dienst bij het KJT, toen nog onder directie van Corry Lievens. Hij zou er ononderbroken werkzaam zijn, vooral als regisseur, tot in 1989 toen hij na een kortstondige ziekte overleed. Marcel De Bie speelde een belangrijke rol bij de oprichting van het EWT-theater te Deurne. Hij was er actief als acteur en regisseur en tot 1975 zelfs als directeur. (…)’. Achteraan geeft het boek een overzicht van het gespeelde repertoire en daarin verschijnt De Bie als ik goed gekeken heb voor het eerst als regisseur in het seizoen 1965-1966 van ‘Hannes en het Wonderbeest’ van Georges Riquier. In het seizoen 1988-1989 regisseerde hij nog ‘Verdwaald in het Toverwoud’ van David Wood. Voor meer informatie kan je hopelijk terecht in HETPALEIS (vroeger KJT), EWT, Vlaams Theater Instituut… Als je hierboven vermeld emailadres nog klopt, stuur ik je graag een kopietje van de genoemde bladzijde. Vriendelijke groeten, Erik Zwysen.

    Like

  4. Ik heb Marcel De Bie zeer goed gekend. IN 1969 speelde ik onder zijn regie in DE STRAAT ZIJN WIJ in het toenmalige jeugdtheater. In 1970 werd ik lid van het gezelschap dat toen KJT als naam droeg. Ik zou er 15 jaar blijven tot ik koos voor mijn eigen gezelschap het echt Antwaarps teater. In 1971 had ik samen met Marcel een verkeersongeluk. Na een repetitie voerde hij me naar huis in zijn sportwagen ( we woonden achter mekaars hoek.)
    De wagen slipte en we reden in op een bestelwagen. Ik was bewusteloos en Marcel heeft mij uit zijn brandende auto gesleurd en dus gered.
    Marcel heeft ook de regie gevoerd van mijn eerste bewerking van een sprookje : Klein Duimpje. Onze fantasie had raakpunten en ook mijn tweede bewerking :De Bremer Stadmuzikanten heb ik samen met hem gerealiseerd. In zijn EWT heb ik één productie gespeeld “Als een vrek” van Jan Poisson.
    Toen ik het KJT verliet had ik minder contact met hem.
    Van zijn ziekte heb ik niks geweten. Marcer was voor velen een wat vreemde, geheimzinnige man. Onvoorspelbaar soms maar bij momenten hadden wij een goede verstandhouding.
    Met plezier geschreven, Ruud De Ridder

    Like

    1. hey ruud , bednkt voor je reactie , heb je mss nog documentatie of foto’s over of van hem dan mg je deze altijd door sturen naar angel1978saskia@live.be of arnouts saskia fabiolalaan 111 2627 schelle
      mss dat de naam arnouts hedy u ook ng iets daar heb je ook nog met op de planken gestaan , ze is mijn mama
      grtjs saskia

      Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s