Cabaret: het verschil tussen zedenpreek en satire

Alhoewel ik helemaal niks heb tegen standup-comedians als Wim Helsen of zelfs Raf Coppens of Geert Hoste, toch verkies ik de meer subtiele toets van iemand als Herman Finkers. Vanavond (22.40 uur) is hij het onderwerp van “Kruispunt”, een programma op Nederland 2 dat zowaar over “kerk en samenleving” gaat. Benieuwd wat Finkers daarover te vertellen heeft…

Zowel Koningin Elisabeth als William Shakespeare waren grote fans van Richard Tarlton, die o.a. de komische rollen speelde in de eerste stukken van Old Will. Hij mocht daarbij veelvuldig improviseren, eigen grappen toevoegen en commentaar op het stuk geven. Hij stond als het ware tussen de acteur en het publiek als “opwarmer”. Dat leverde hem in de geschiedenisboeken een vermelding op als de eerste clown. Maar kan hij niet met evenveel recht de eerste cabaretier worden genoemd?
Akkoord, een cabaretier wordt verondersteld kritische commentaren te spuien en het feit dat the virgin queen een fan van hem was, zou er dan kunnen op wijzen dat hij op dat vlak tekortschoot. Maar hadden de narren in het algemeen niet dergelijke functie en konden zij desondanks (meestal) niet van een rustige oude dag genieten? Misschien kon Lizzy best wel tegen een stootje.
Anderzijds sluit Tarlton ook duidelijk aan bij de traditie van de middeleeuwse jongleurs, die niet louter kunstenmakers waren, zoals het woord nu nog zegt, maar die ook rad van tong waren en daarmee de adel en de geestelijkheid op de korrel namen. Aangezien zij geen koninklijke bescherming genoten, liep het voor hen wel vaak slecht af, zoals we o.m. uit “Mistero buffo” konden leren.
Om aan mogelijke vervolging te ontkomen, leidden zij een zwervend bestaan en gingen als het ware geruisloos over in markt- en straatzangers, die niet alleen de Bavo Claesen uit voorbije eeuwen waren, maar die hun verslag van de moord in Zeveneken of het droeve bestaan van het kind van Napoleon de Grote nog altijd met de nodige maatschappijkritiek kruidden, denken we maar aan de Gentenaar Karel Waeri, zoals we die in het begin van de jaren zeventig leerden kennen dankzij Walter De Buck.
Maar ook dat kon natuurlijk niet blijven duren. Het ontstaan van het cabaret wordt dan ook meestal gesitueerd rond de eeuwwisseling, toen de markt- en straatzangers onder dwang van de toenemende politie-verorderingen hun zwerversbestaan opgaven en een onderkomen zochten in de kroegen. Een voordeel daarvan was wel dat ze daar met een meer gemotiveerd publiek te maken kregen, zodat ze in dialoog met dat publiek hun onderwerpen steeds preciezer en vinniger gingen benaderen.
Daarnaast wordt ook vaak verwezen naar het in Frankrijk gegroeide “chanson littéraire”, om meer precies te zijn naar Parijs, waar in 1881 het café-chantant “Le chat noir” werd geopend. Daar leefde ook nog de geest van Pierre-Jean de Béranger, de zanger van de Commune.
De Nederlandse zanger-pianist Eduard Jacobs (1868-1914) bracht de Parijse traditie naar Amsterdam. Hij had een tijdlang als pianist gewerkt in de “Moulin Rouge”, maar dat was een weinig voldoening gevende bezigheid, zodat hij deze compenseerde door geregeld een bezoek te brengen aan “Le Chat Noir”, waar hij Aristide Bruant en andere grootheden aan het werk zag. (Later kwam er ook in Brussel een “Chat noir”, volgens Luc Saffloer bevolkt door een bourgeoispubliek.)
De geboorte van de Nederlandse kleinkunst wordt dan ook meestal gesitueerd in 1895, toen Jacobs zich in een Amsterdamse kroeg in de Quellijnstraat achter de piano zette en er enkele van de liedjes zong die hij in Parijs gehoord had. Het leverde hem een vast engagement op en zo ontwikkelde hij een eigen Nederlandstalig repertoire dat naar het Parijse voorbeeld hoofdzakelijk agressief, hekelend en vooral actueel was. Het beroemde theater Carré zou in september 1906 volgen, maar zou zich oorspronkelijk op revues concentreren.
Met de moord op Jean-Louis Pisuisse (°1880) in 1927 (hij werd neergeschoten door collega Tjakko Kuiper die verliefd was op diens vrouw; ook de vrouw overleed aan haar verwondingen en Kuiper pleegde zelfmoord) had het er even de schijn van dat ook het genre was vermoord (Koos Speenhoff startte dat jaar b.v. het eerste kleinkunst-weekblad maar ging failliet), maar op het dieptepunt van de crisisjaren dertig zorgde Louis Davids ervoor (o.a. met zijn “Kleine burgerman”) dat het Nederlandse cabaret toch opnieuw een hoogtepunt kende. Tegelijk kregen immers ook de jonge Wim Kan en Toon Hermans (1916-2000) belangstelling voor het genre en maakte de secretaris van Louis Davids, een zekere Wim Sonneveld (1917-1974), zijn debuut. En er was natuurlijk Fien de la Mar (1898-1965).
Vrouwelijke cabaretartiesten zijn nooit dik bezaaid ge­weest. In het begin van deze eeuw was het nog minder voor de hand liggend dat vrouwen op de planken stonden. Het hield verband met morele overwegin­gen. Een vrouw op een podium riep, bij sommi­gen, het erotisch getinte beeld op van één of ander animeer­meisje in een donkere kroeg. Volgens de gangbare regels van het “goed fatsoen” betaamde het niet dat vrouwen een podium betraden. Het had dus voorname­lijk te maken met wat zich afspeelde in de hoofden van het geacht publiek.
Fien de la Mar is in die tijd één van de weinige vrouwen die gewoon alle regels en opvat­tingen aan haar laars lapt en toch in het licht van de schijn­werpers treedt. En met succes!
Josephina Johanna de la Mar is een telg uit een geslacht van artiesten. Haar grootvader Karel van de Zee – die zijn naam omvormde tot Charles de la Mar – heeft redelijk wat succes gekend. Van hem komt de bedenking: “Het enige rechtvaardige in de kunst is: als je het niet hebt, dan kunnen ze het je niet geven en als je het wel hebt, dan kunnen ze het niet afnemen.”
Charles is een groot bewonderaar van de enige keizer die Frankrijk rijk was en noemt zijn zoon – Fiens vader – Napole­on. Deze laat zich op zijn beurt leiden door zijn bewondering voor Bonapar­tes vrouw, bij het kiezen van een naam voor dochterlief.
Fien zal opgroeien tot een zelfbewuste en talentrijke vrouw, een krachtdadig, vaak onhandelbaar persoon in het dagelijkse leven en een “monstre sacrée” in het theater waar ze haar tegen­spelers naast haar laat verbleken zodra ze het podium betreedt.
Haar ouders hebben nochtans een andere toekomst voor haar uitgestippeld. Ze hebben er alles voor over om haar als eerste lid van de familie te kunnen laten studeren.
Drie maanden voor ze haar eindexamen moet doen, houdt ze het op de HBS (hoger beroepsonder­wijs) echter voor bekeken en maakt de stap naar het theater. Ze zegt hierover: “Wat heb ik nou aan zo’n papiertje, overtuigde ik mijn ouders, als ik thuiskom ben ik het misschien al kwijt. Vader zag blijkbaar het logische van deze redenering in en ik verliet de school zonder einddi­ploma. Ik wist immers ook wel, dat ik later op de een of andere manier aan het toneel zou worden verbonden. Dat sprak vanzelf! Wat moest ik anders beginnen?”
Ze gaat werken met Louis Davids en speelt samen met haar ouders in de operette “Madorah” (1917). Vervol­gens maakt ze deel uit van het cabaret van Max van Gelder.
Fien is een artistieke duizendpoot die zich in verschillende projecten en genres thuisvoelt. Ze blinkt zowel uit in komi­sche als in dramatische dingen. Telkens ze met iets bezig is, heeft ze echter meer zin om wat anders te gaan doen.
In 1935 richt ze haar eigen cabaretgezelschap op. Daarnaast vindt ze de tijd om mee te spelen in de eerste Nederlandse geluidsfilms ‘De Jantjes’ en ‘Bleke Bet’. Een recensent schrijft over haar: “Haar optreden is zo vol temperament, zo levendig en kleurrijk, zo breed en gul en humoristisch, maar ook met zo’n diep tragisch accent en zo monumentaal van gebaar, dat zij heel het toneel vult met een magische voor­dracht.”
Haar wispelturigheid wordt stilaan legendarisch. Als ze begint met de repetities vindt ze haar rol meestal vervelend en lelijk. Bij de gezamenlijke besprekingen moet ze voortdurend om kleine zaken lachen zodat iedereen het gevoel heeft dat ze hen voor de gek houdt.
Ze is zo nonchalant dat ze dikwijls haar papieren op tram of bus verliest, maar toch blijkt ze steeds haar tekst zonder haperen te kennen.
Ook haar stemmingen wisselen van het ene op het andere moment. Dan maakt ze een lusteloze indruk om er plotseling weer zin in te krijgen en als eerste op de repetities te verschijnen.
Over een recensent die haar complimenteert voor de doorleef­de en doorvoelde manier waarop ze haar rol speelde, zegt ze: “Wat een malle vent. Ik heb maar zo’n beetje gek gedaan.”
In 1940 richt ze een gezelschap op met Martie Verdeni­us – die ook materiaal voor haar schrijft – en een jaar later trekken ze naar een eigen theater dat de naam krijgt van Fiens vader.
Fien etaleert een onmogelijke vedettementaliteit maar werkt inspirerend voor anderen. Aan discipline heeft ze een broertje dood. De drank die ze in grote hoeveelheden tot zich neemt maakt het er allemaal niet beter op. Het gebeurt dat ze vanuit de coulissen moet worden overeind gehouden terwijl ze zingt.
Een monoloog over het gebombardeerde Rotterdam stoot op verzet van de Duitse bezetters en wordt verboden. Nadat Fien aan een verhoor is onderworpen en ze haar verhaaltje heeft kunnen doen, mag de monoloog toch weer op het programma komen.
Vreemd genoeg zorgt een andere tekst, jaren later, voor meer weerstand.
De tekst is een onderdeel van het programma ‘Hoe hoort het eigenlijk?’ en wordt opgevoerd in het AVRO-radioprogramma ‘Bonte Dinsdag­avond­trein’. In deze parodistische kijk op de beide geslachten worden de klassieke rolpatronen omgedraaid. Fien draagt de “broek in huis” en commandeert – al pijpro­kend – haar man, wiens voornaamste bezigheid erin schijnt te bestaan haakwerkjes te vervaardigen.
De reacties blijven niet uit. De voorzitters van plaatselijke katholieke organisaties dreigen ermee niet meer naar de ‘Bonte Dinsdagavondtrein’ te zullen luisteren vanwege “de immorele strekking en de grievende humor ten aanzien van de heiligheid van het huwelijk”. Van de AVRO-directie komt het bericht dat in het vervolg dergelijke scènes “met een homoseksueel karak­ter” achterwege moeten blijven …
Ondertussen blijkt dat Fien niet veel kaas gegeten heeft van het leiden van een theater. Daarom neemt Wim Sonneveld de directeurstoel van de Nap de la Mar-schouwburg van haar over. Dat valt niet in goede aarde bij Fien. Ze voelt zich verkocht en is vol rancune.
Het betekent een keerpunt in haar leven. De zelfvernietigings­drang die altijd al een belangrijk deel van haar persoonlijk­heid uitmaakte, komt sterker tot uiting. Ze vlucht nog meer weg in de drank en frivole escapades.
Als vijf jaar later haar man overlijdt, gaat het met haar nog verder bergaf. Na een mislukte zelfmoordpoging, kan ze haar linkerarm niet meer gebruiken en wordt ze voor haar depressie­ve buien opgenomen in een inrichting voor geesteszieken.
Even vindt ze nog de kracht om aan het werk te gaan. Maar ze blijkt opgezadeld met een vernietigende vervolgingswaanzin die haar tot histerische razernij voert en die haar volkomen onhandelbaar maakt.
In een interview zegt ze: “Iedereen spant tegen mij samen. Niemand begrijpt mij. Waarom willen ze me niet? Ik wil gewoon weer het een en ander doen. (…) Het is een ellende als je vroeger jong en mooi bent geweest, als je succes hebt gehad en de wereld aan je voeten heeft gelegen. Er zijn mensen die mij schrijven: ‘Waar blijf je toch Fien de la Mar, we willen je weer op de televisie zien, kom terug, vroeger was je zo geweldig.’ Ja, vroeger, maar dat is jaren geleden. Het publiek dat mij toen bewonderde en op handen droeg is zelf ouder geworden. Men aanvaardt gewoon niet dat de jaren bij mij ook tellen.”
Op paasdag van 1965 springt ze uit het raam van haar flat. Als iemand haar in het ziekenhuis vraagt waarom ze het gedaan heeft, is haar antwoord: “Om alles.” Enkele dagen later sterft ze.
Fien de la Mar was een opvallende, markante persoonlijkheid. Ze stak met kop en schouders boven haar tegenspelers uit en bezat vele talenten, behalve dat om gelukkig te zijn. Op handen gedragen door haar publiek, was er in haar karakter nauwelijks plaats voor enig harmonisch evenwicht. Voor vele mensen blijft ze echter een volmaakt theaterta­lent.
De meeste teksten van die andere legende, Louis Davids, werden geleverd door Jacques van Tol die voor Wim Sonneveld ook “Ome Thijs” schreef en voor Lou Bandy “Wie heeft er suiker in de erwtesoep gedaan?”, maar voor de 35 liedjes van Davids kreeg hij (op één na) geen “credits”. Waarom is pas min of meer duidelijk geworden in 1992. Toen schreef Henk van Gelder het boek “De spookschrijver”, waaruit blijkt dat van Tol tijdens de oorlog zijn medewerking verleende aan het anti-semitische Zondagmiddagcabaret van Paulus de Ruiter, waardoor hij na de bevrijding drieëneenhalf jaar vast zat in landverraderskampen. Was van Tol antisemiet geworden wegens de behandeling door Davids?
De Duitse bezetting was natuurlijk nefast voor kritisch cabaret. Louis Davids was tevens joods, maar hij heeft het allemaal niet meer moeten meemaken, aangezien hij op 1 juli 1939 stierf aan een astma-aanval. Toch had hij in 1947 nog een “hit”, namelijk “De Voetbalmatch”.
Koos Speenhoff van zijn kant werd lid van de NSB. Hij stierf in 1945 op 76-jarige leeftijd, zodat hij aan vervolging ontkwam, maar toch zette de haatcampagne die erop volgde, de klok weer achteruit.
VLAANDEREN
In Vlaanderen waren er in die tijd nog een echte cabaretzalen. De Antwerpenaar Frans Lamoen (afkomstig uit de Burggracht), die rond de eeuwwisseling door sommigen als eerste Vlaamse “cabaretier” wordt bestempeld, trad in Vlaanderen vooral op tijdens zogenaamde “bonte avonden”.
Tussen de twee wereldoorlogen heeft ook Willy Vervoort in Antwerpen geprobeerd om het Hollandse cabaret na te bootsen, maar het volk vroeg amusement en dat kreeg het ook. Na de Tweede Wereldoorlog leefde dit voort in duo’s als Theo Van den Bosch en Suzy Marleen, Charles Janssens en Co Flower, Jef Burm en Denise Deweerdt. Daarbij zocht de underdog, de gefrustreerde kleine man, via (vaak grove) humor een uitlaatklep voor z’n moeilijkheden, wat soms wel wat maatschappijkritiek inhield, maar dan toch eerder zoals we dat nu b.v. van Urbanus gewend zijn. De “Cyrano” van Anton Peters kwam het echte cabaret nog het meest nabij en die mocht ook soms satire op televisie brengen. Medewerker Jef Burm getuigt echter: “Voor mij is de BRTN nog altijd een Belgische zender, waar men toevallig Nederlands spreekt. Dat was zo al in de tijd dat ik met Anton Peters aan cabaret deed. Toen ook al mocht aan een massa heilige huisjes niet geraakt worden, zodat we er uiteindelijk beter mee konden stoppen. Nog niet zoveel jaren geleden is TV-touché ook moeten stoppen omdat de politici er niet tegen konden. De tijden veranderen dus nauwelijks.” (GVA, 3/4/93)
In “Cyrano” werkten ook The Woodpeckers. De gebroeders Cassiers (Jef, 1929-1987, en çois, 1927-1971) noemden zich zo vanaf 1948, omdat ze bij het opkomen als thema “The woodpecker song” van The Andrew Sisters hadden. Een andere medewerkster was Ivonne Lex. In “Onze Tijd” vertelt ze daarover: “Ik ben kort na de oorlog getrouwd, in de bloeitijd van het existentialisme en Saint-Germain-des-Prés. Ik was daar wèg van en ik begon mijn eigen liedjes te schrijven, die ik zelf op muziek zette. En toen Anton Peters met zijn Cyrano-cabaret begon, bleek wat ik deed precies wat hij zocht. Toen is Ivonne Lex geboren, naar mijn man Alex, die ik altijd Lex noemde. Enfin, na optredens in de Cyrano volgden er in de Ancienne Belgique, en van dan af bleven de aanbiedingen toestromen. Van het Palladium in Düsseldorf ging ik naar Hamburg, dan Keulen, Travemünde, Kopenhagen… Toen begon ik contracten te krijgen voor Le Casino du Liban in Beiroet, voor het Piramidenhotel in Kaïro en zelfs voor La vie en rose in New York. Maar intussen had ik mijn zoon Paul gekregen en ik vond dat ik maar eens moest kiezen.” Het werd dus toneel. Er is echter ook een andere versie. Sedert de oorlog mocht zij geen toneel meer spelen en was dus noodgedwongen al die tijd in het cabaret actief. Hierover schrijft Bert Verhoye (in HLN 12/5/1999): “Voor de rest ken ik Blankenberge van wijlen een soortement kleinkunsttheater dat werd uitgebaat door de bolronde Anton Peeters. Elke zomer verdreef de kleinkunstenaar er gedurende enkele maanden de toeristen middels onaangename sketches, onnozele liedjes en ironisch bedoelde verhalen waar geen touw aan vast te knopen was. Vaak liet hij zich terzake begeleiden door Ivonne Lex, in die dagen een grote dame van het Vlaamse theater genoemd. Gelukkig was er toen niet veel nodig om een grote dame van het Vlaams theater te wezen. Een decolleté en een huig-r volstonden meestal.”
MAATSCHAPPIJKRITIEK
Het wachten duurt dus eigenlijk nog tot in 1958 Frans Buyens het cabaret-theater “De koperen haan” opent vooraleer men van “links” cabaret kon spreken. Uiteraard schoof het per definitie kritische cabaret in de jaren zestig nog meer naar links op het politieke spectrum. “Een naam als Don Quishocking illustreert trouwens de bedoelingen van het cabaret in de jaren van de Grote Verandering,” aldus Walter Schelfhout en Roger Berckmoes in “Aktief”. “De jaren zeventig echter worden alom getypeerd als het decennium van de vervlakking, de matheid, de onverschilligheid op maatschappelijk gebied, het ik-tijdperk. Geen politiek is de meest verkochte slogan. Men gaat naar de schouwburg voor de gezelligheid en om mensen te ontmoeten. Als je vroeger cabaret wilde volgen, moest je goed op de hoogte zijn van het wereldgebeuren en de allernieuwste ontwikkelingen in de maatschappij. Nu hoeft cabaret niet meer op de actualiteit in te spelen. Nu lacht men liever om iemands leed of hebbelijkheden. Sommigen wijten de vervlakking aan de democratiseringsgolf. Men is bang nog iets van het publiek te eisen. Men heeft een ijzige schrik voor elitair te worden uitgescholden. Dus maakt men het wat gemakkelijker, wat volkser. Geloofwaardiger lijkt ons dat de crisis in het cabaret niet meer of niet minder is dan een weerspiegeling van de crisis in de maatschappij. Er heerst een gevoel van onmacht. Onmacht tegenover de verrechtsing, tegenover onsympathieke politieke beslissingen, tegenover een dreigende noodsituatie. Bouwen aan de maatschappij van morgen wekt alleen nog een grijnslach op. Het kan dan ook niet anders of de steunpilaren van het cabaret moeten vallen: ironie en satire gestoeld op de ernst van de maatschappelijke werkelijkheid. In de plaats van ergernis en woede met de omgeving is een soort nihilisme gekomen.”
Hierover Paul Van Vliet, zelf cabaretier, in “Spiraal-Flash” van november 1979: “Er is een verschil tussen een zedenmeester en een satiricus. Een zedenmeester heeft zijn woede nog niet verwerkt en preekt vanuit een soort heilige toorn, terwijl naar mijn gevoel een rijpe satiricus zijn woede al heeft verwerkt en daarboven staat. Hij vertaalt dit het liefst met humor naar zijn publiek toe. En daar komen we dan op het gebied van Talent. En het beschikbare talent voor dàt vak is hier niet voldoende aanwezig. Heel wat mensen die zich onder de noemer cabaretier of satiricus of politiek geëngageerd cabaret opstellen, hebben gewoon niet genoeg talent om dat hele moeilijke vak te beoefenen. Daar tegenover staan dan Bram en Freek. Die hadden een heel nieuwe vorm van satire uitgevonden, althans Freek. Die is in zijn laatste programma’s veel meer clown, heel theatraal, heel komisch in zekere zin, en is daardoor ook verder verwijderd geraakt van Bram, die strenger is in zijn opvattingen hoe geëngageerd en hoe politiek cabaret moet zijn. Eén van de redenen van hun breuk. Zij hebben het talent dus wél, maar zij houden ermee op, tenminste onder een gezamelijke noemer.”
Zelf is Paul Van Vliet de tegenvoeter van Freek De Jonge. Inderdaad, van Vliet is minder geestig, minder geëngageerd. Sentimenteler en meer de poëtische kant op. Boeiend? Dat hangt af van de persoonlijke smaak, maar erg professioneel gebracht is het zeker. Geen haperingen, geen lacunes, iets té vlot misschien? Knap maakwerk, snitpak op maat gesneden. Scènes “uit het leven gegrepen”: partnerruil, spreekbeurt van TV-verslaafde schooljongen, pittoreske armoede, het reservaat (stijl Godfried Bomans), mijn dood (zelfrelativering). liedjes over de Hollanders (knipoogjes naar Vlaanderen), de liefde en de warme menselijkheid natuurlijk, vrijblijvende waarschuwingen ook tegen de teloorgang en de wereldpolitiek, maar vooral een boodschap van vertrouwen. Conférences rond het thema schuldgevoel, het moderne onderwijs (foei!), het gezin, de middelmatigheid. Alles zonder enig sarcasme of cynisme, gestroomlijnd zacht over de hoofden neerdwarrelend. Geen schokken, geen échte prikken. Vele typetjes langs hun klein-menselijke kant bekeken, wat ze eerder meewarig en dus algemeen-menselijk maakt dan afstotelijk en vatbaar voor kritiek. “Voor de middenstanders onder ons,” zo besluit Jo Sneppe in de Rode Vaan nr.50 van 1982.
Nog in november 1979 zette ook het cabaret Ivo De Wijs er een punt achter. “Alleen Koot en Bie boeren nog voort. Zij zijn zowat de enigen die hun onmacht tegen maatschappelijke veranderingen nog altijd met harde humor verwoorden. En ze brengen het met kwaliteit en allure. Hopelijk blijft de kortsluiting met het publiek nog wat uit.” (Schelfhout & Berckmoes)
Een jaar eerder had in Heist wel Toast (Ronald Van Rillaer en Walter Temmerman) het Humorfestival gewonnen en met zijn Krisiscabaret zal Van Rillaer in de jaren zeventig dan toch tegen het tij in roeien. In het midden van de jaren tachtig is hij het die de figuur van Frans Lamoen opnieuw op de voorgrond brengt, via een stuk in het Merksems Kamertheater vertolkt door voormalig operazanger Leo Brant. Maar in het midden van de jaren negentig deemstert hij weg als Lambik in de musical “Suske en Wiske”.
Nog in ’79 werd de Bockworkshop (met o.a. Dré Steemans, alias Felice Damiano) laureaat van het Camerettenfestival in Delft, samen met Sam Bogaerts en Lukas Vandervost. “Dat was een erg belangrijke stap,” zegt Dré, “in die zin dat het de Vlamingen waren die de visie op cabaret verlegden.”
En er was het radioprogramma “Dagboek” van de in 1993 overleden Jan Geysen, waarvoor Raymond van het Groenewoud een vijftigtal liederen schrijft. Daaraan werkten o.a. ook Piet Piryns en Bert Verhoye mee. Deze laatste vertelde me in 1978 over deze samenwerking: “Vlaams cabaret bestaat niet, man! Kijk maar naar het succes dat een kwal als Raymond van het Groenewoud heeft. Wat kàn die jongen? Niks! (…) Toen we een pianist nodig hadden, werd Van het Groenewoud hiervoor aangetrokken. Af en toe wou hij dan tussendoor ook eens een nummer brengen, maar telkens werden die door Geysen naar de papiermand verwezen. En nu staat hij met diezelfde teksten nummer één!”
Alhoewel men zou kunnen aannemen dat dergelijke woorden bij mij niet in goede aarde zouden vallen, is het niemand minder dan mijn collega Jan Mestdagh die in diezelfde periode onder de titel “Vrijzinnig cabaret – is dit een grap of om te huilen?” brandhout maakt van Verhoye zelf in De Rode Vaan. Het betrof het programma “Des avonds lokken ons blote dans en felle muziek”, dat speciaal werd opgezet voor het Jaar van de Vrijzinnigheid. Jan vliegt er onmiddellijk in: “Zeggen wij meteen dat de Zwarte Komedie ons weinig meer gebracht heeft dan Doffe Ellende. Het spektakel is een weinig appetijtelijke ratjetoe van met holle slogans gelardeerde geestloosheid. Goed cabaret kan alleen maar ontstaan vanuit een reële menselijke gedrevenheid, maar deze ontbreekt bij Verhoye totaal. Hij heeft er zich dan maar toe beperkt de meest uiteenlopende headlines van de actualiteit te bestrooien met de meest disparate grappen, die zelden geestig maar dikwijls vulgair zijn.”
En zo gaat hij nog een tijdje door tot hij tot het besluit komt: “We kunnen de Unie van Vrijzinnige Verenigingen alleen maar de raad geven dit spektakel terug te laten glijden in het Niets, waaruit het nimmer had mogen opduiken. Dit is niet alleen een kwestie van welbegrepen eigenbelang, maar van elementair zelfrespect.”
En enige tijd later werd dit beaamd door een andere medewerker van De Rode Vaan (wiens of wier naam ik u helaas schuldig moet blijven) n.a.v. “Fin de Siècle” in première, ook gekend onder de benaming “Café Paniek II”: “Indien de kwaliteit van de teksten van hetzelfde niveau was geweest als die van het acteer- en satirische talent van de spelers, zouden we hier met een superieure productie te maken hebben gehad, waarvoor het dit seizoen storm zou hebben gelopen in Vlaanderen. Helaas zijn de teksten vaak platvloers, de humor ervan grof en soms zelfs pijnlijk misplaatst. Toch kun je als toeschouwer niet nalaten te lachen of je te amuseren. Dit komt door het overweldigend talent van vooral Max Schnur, Mitta Van der Maat en Alida Neslo: een superieur trio. Ook Chris Cauwenberghs levert een uitstekende prestatie en de ‘gewenste vreemdeling’ Abdelkader Zahnoun weet met zijn gevoelige luitspel te ontroeren, te vertederen.”
DE VIEZE GASTEN
Ook Vuile Mong heeft een evolutie doorgemaakt: “Onze groep is een goede barometer wat sociale conflicten aangaat, gewoon door de oproepen die we krijgen om deel te nemen aan allerlei acties. En daar zie je een enorme evolutie in. Tot het einde van de jaren zeventig kunnen we zeggen dat de acties waartoe we ons steentje hadden bijgedragen op een paar uitzonderingen na allemaal een positief resultaat hadden geboekt. Denk maar aan de lock-out bij Boel, aan de acties tegen mevrouw Wens van Vrij en Vrolijk, enz. Vanaf 1979 is het echter een ellenlange lijst van acties, waarbij stuk voor stuk de eisen niet werden ingewilligd. In ’81 werden bij Boel uiteindelijk tóch 128 mensen ontslagen, bij Siemens werd ook geen enkel ontslag ingetrokken, bij Bell-Telephone zijn wel degelijk 1.100 mensen afgevoerd ondanks het protest, noem maar op.”
“De crisis in de jaren zeventig heeft natuurlijk een grote domper gezet op het optimisme. De grote standpunten van de vakbondswerking werden ingetrokken, de platformen schrompelden ineen tot louter een tewerkstellingsbeleid. Het was al goed dat de mensen konden blijven werken, de fabriek mocht stinken of wapens produceren, dat deed er niet toe. En vanuit liberale hoek kwam er steeds meer verzet tegen de welvaartstaat, men vond dat de mensen teveel in de watten werden gelegd, wat onzin was, want dat is in feite nooit gebeurd. Die opvatting weerspiegelde zich ook op het culturele vlak: subsidies werden ingetrokken en sponsoring ging enkel naar prestigeprojecten. Cultuur in de wijken, een Amsterdams project binnen welk kader wij heel veel hebben opgetreden, werd opgedoekt, maar men heeft wel een Stopera gebouwd die miljarden kost en waar elke productie tot in de miljoenen loopt.”

“Ook bij de zogenaamde intellectuelen is er een wijziging opgetreden. Eerst was vormingstheater hele­maal o.k., dan vond men bij mislukte voorstellingen wel eens de term mislukt vormingstheater terug en nu is vormingstheater tout court een scheldwoord geworden. Met als gevolg dat wij nu 60, 70, 80 keer ons cabaretprogramma spelen van Groningen tot in de Ardennen. Zo’n cabaretprogramma evolueert voortdurend, maar toch niet zoveel als we oorspronkelijk hadden bedoeld. De nieuwe dingen die we erin steken, vliegen er eerlijk gezegd dikwijls ook opnieuw het eerste uit. Dat heb ik vroeger ook nog meege­maakt: als je een programma hebt, dat goed loopt dan is het moeilijk om daar iets uit te halen en iets nieuws in te bren­gen, want dan begint dat opeens te wringen en te knarsen. Maar het materiaal is niet weggegooid, het is immers wel goed, het zit alleen niet op z’n plaats. We sparen het dan liever op voor een totaal nieuw programma. De ideeën blijven immers maar komen. Daarvoor hoef je alleen nog maar de krant te lezen.”
“Met onze cabaretprogramma’s spreken we publieksgroepen aan die van het ontstaan van de Vieze Gasten niets meer afweten. Ook de organisatoren zijn veranderd. We hebben nu heel veel schoolvoorstellingen om te beginnen, iets wat vroeger ondenk­baar was. De grote ommekeer is er gekomen met Over de schreef, wat in feite samenvalt met de verkiezingen die als Zwarte Zondag de geschiedenis zijn ingegaan.”

STAND-UP
Anderzijds is het jeugdhuiscircuit wel weggevallen, zodat er b.v. voor stand-up comedians een grote kloof gaapt tussen het café en het cultureel centrum.
En hoe zit het in de jaren negentig? Als ik tegen Yolanda Mergler, de programmatrice van het Zuidlandtheater, zeg dat het cabaret dood is, dan ontkent ze dat ten stelligste: het is juist de grote trekpleister voor haar theater in Terneuzen. Als ik mezelf corrigeer en ervan maak dat het politieke cabaret dood is, treedt ze me wel bij. “Alhoewel,” zo vervolgt ze aarzelend, “eigenlijk zou men van Hans Teeuwen kunnen zeggen dat hij politiek cabaret brengt. Alleen… hij vertelt erg rechtse grappen. Racistische b.v., of over werklozen. Zodat sommige mensen zelfs de zaal verlaten. Maar bij de meesten heeft hij wel succes…”
Over zijn “Spiksplinter”-tournee vertelt Teeuwen in Humo van 19 april 2011: “Sommige recensenten vinden dat ik mezelf herhaal. Dezelfde mensen, doorgaans, die vinden dat cabaret dient om het linkse evangelie te prediken – iets waar ik bepaald geen zin in heb. Zij vinden het een teken van volwassenheid als je op gezette tijden de humor onderbreekt om een ernstig liedje te zingen over een Afghaanse vrouw met één been die zich naar een waterput sleept. Laat ik vooral geen namen noemen, maar als ik collega-cabaretiers hoor zeggen dat ze ‘de verdieping gaan opzoeken’, dan weet je dat het uit is met de pret.”
Laat ik vooral geen namen noemen, maar in 1999 programmeerde het Zuidlandtheater een optreden van Tim van der Sluijs (“Koppensnellen”) dat zeer expliciet werd aangekondigd als “een ouderwets avondje politiek, actueel en geëngageerd cabaret”
Zou dit vergelijkbaar zijn met wat in Vlaanderen de jongste jaren het fenomeen Geert Hoste doet? Al een paar jaar is hij tijdens de Gentse Feesten iedere avond van de partij en de zaal is iedere avond uitverkocht. “Samen met Pierke Pierlala is dit het populairste programma van de Feesten,” zegt de conférencier in alle eenvoud. En meteen merkt hij ook op dat Pierke misschien meer de Gentenaars zelf en hijzelf de feestvierders van buiten Gent aantrekt. “Omdat ze jou tenminste kunnen verstaan,” zeg ik. “Dat is toch de bedoeling,” monkelt hij.
KOMMIL FOO
Ook voor het programma van Kommil Foo, dat in Arca aan Hoste voorafging, liep het storm. Blijkbaar blijft hun populariteit uit “Morgen maandag” nog een tijdje doorwerken. Terecht, want hun programma “Neandertaal” kreeg een zeer verdiende staande ovatie. Absurditeit mag dan nog de plaats ingenomen hebben van politieke statements, de twee broertjes proberen toch de goegemeente ook te shockeren, vooral op het vlak van seks & religie. Maar het blijft op de eerste plaats entertainment. Dat geldt ook voor de groep Ardense Hesp met “Voor vrijheid en voor pindakaas” en voor “Circus Bulderdrang in space”: negen maffe kerels (zes muzikanten, twee acteurs en een dichter) in strijd tegen hypocrisie en conformisme, zo omschrijven ze zichzelf.
Kommil Foo is natuurlijk niet de eerste cabaretgroep die visuele humor brengt. Vóór hen was er al de Nieuwe Snaar en ook een groep waarvan de naam stilaan door de vergetelheid is ondergesneeuwd, Toost. Misschien is het juist vanwege die « visuele humor » dat het tamelijk onbegrijpelijk is waarom een live-optreden van Toost tot een plaatkant werd geperst. Al is de studiokant eerlijk gezegd eveneens een raadsel waarom dit nou zo nodig hoefde. (Toost, 150 jaar België, GIP 55.592).
Op de oneven dagen tijdens de Gentse Feesten was verder “Het feest van angst en pijn” te zien, woordtheater op basis van Paul van Ostayen, terwijl op de even dagen een “Dame blanche” werd geserveerd. De daders waren wel twee keer dezelfde, namelijk Bart Cafmeyer, An Deryckere en Robrecht Vanhuyse. David Dermez en Geert Hautekiet daarentegen hadden hun theatertent opgeslagen in het François Laurentinstituut (tussen Onderstraat en Hoogpoort). De eerste bracht daar iedere avond zijn cabaretprogramma “Le dernier Flamand”, de tweede volgde hem op met een liedjesprogramma dat de toepasselijke benaming “Dorst” meekreeg. En in het Burgcentrum (Burgstraat) bracht cabaretier Bruno De Lille iedere avond zijn programma “Allez Ali”, over Ali, de eerste zwarte koning van België.
Voor de Gentse Feesten 1995 werd de Jozef K-theaterboot speciaal opgekalefaterd, zodat hij helemaal geschikt was om theater te brengen in volwaardige omstandigheden. “Schipper” Lieven Hostens bracht er met zijn eigen Ridders van de Seine iedere namiddag een programma onder de titel “Balder en Balder” en met als thema leefmilieu en grondspeculatie. De boot staat tijdens het schooljaar immers vaak ter beschikking van scholen, die ermee een tochtje kunnen maken en zo aanschouwelijk de toestand van onze waterlopen aan de leerlingen duidelijk maken. Tegelijk krijgen die dan enkele dramalessen in de maag gesplitst. De nadruk lag echter uiteraard op het avondprogramma met afwisselend een optreden van Fritz Van den Heuvel en van de Schedelgeboorten. Het “weekbladverschijnsel” Fritz van den Heuvel is als droogkomiek vooral bekend door zijn strips in “Humo”, zoals “De vermaledijde daders”. De humor is daarbij meestal gebaseerd op letterlijk opgevatte beeldspraak en dat is ook het handelsmerk voor het cabaretprogramma geworden. In 1994 kaapte Van den Heuvel de Humorologieprijs in Marke weg en nu is hij eindelijk opnieuw in “zijn eigen” Gent te gast met zijn eerste “avondlullend” programma, “Grand Cru”. Van den Heuvel is ook een voorbeeld van het feit dat bij cabaret de zang ondergeschikt is aan het woord. Bij cabaret dat inspeelt op de actualiteit (vroeger zou men dat “politiek” cabaret genoemd hebben) wordt dat element zelfs meestal gewoon achterwege gelaten (denk aan Geert Hoste, zijn hilarische imitatie van Isabelle A. niet meegeteld).
De Schedelgeboorten van hun kant was als Gentse groep de revelatie van de Feesten van 1994, toen zij in de Spiegeltent vriend en vijand verrasten met een repertoire dat vier maanden later zou uitmonden in hun eerste CD, “Strofisch gevarieerd”. Ondertussen zouden ze ook al een opvolger ingeblikt hebben. Tijdens de Feesten kwamen zij “Boven water” met een programma dat dan ook deze naam meekreeg. Vergelijkingen zijn in dergelijke omstandigheden meestal zinloos maar namen als Raymond van het Groenewoud, Kamagurka of de Nieuwe Snaar duiken toch geregeld op. Anderzijds kan het niet anders dat het met een Amerikaanse zangeres (Cindy Barg) en een Engelse gitarist (Nick Jury) toch weer anders dan deze geciteerde grootheden klinkt. De namen van de andere groepsleden klinken meer vertrouwd in de oren: Geert Dauwe, Rik Tans, Wouter Van Lierde en Jan Carpentier. Barmannen, postbodes, ja zelfs rockzangers zijn niet veilig voor de Schedelgeboorten, die dieper willen boren zonder daarom zwaar op de hand te worden.
Nigel Williams is een exponent van Bonjour Micro, de vlag waaronder XL-Productions sinds een aantal jaren stand-up comedy talent verzamelt en in alle uithoeken van het land de lachspieren tergt. In Comedy Café Buster op de Grote Markt te Antwerpen werd hij ontdekt door Urbanus en de jury van Humo’s Comedy Cup Finale 1999 liet zich zeer lovend uit over zijn performance, in die mate dat hij een jaar later de hoofdvogel op zijn hoed mocht steken. Hij jongleert gretig met grappen over vliegangst, anti-rokers, Steinerscholen, hooliganisme, stratenplannen, politiek vluchtelingen, morning-after pil voor mannen. Als trouwens stand-up de rock’n’roll van de humor wordt genoemd, is cabaret dan de klassieke muziek?

(Zeer) selectieve bibliografie
Ronny De Schepper, Droge humor op boot, Het Laatste Nieuws 12 juli 1995
Ronny De Schepper, De Schedelgeboorten komen boven water, Het Laatste Nieuws 12 juli 1995
Han Peekel, Het cabaret is dood, leve het cabaret! Snoecks 81

Een gedachte over “Cabaret: het verschil tussen zedenpreek en satire

  1. Beste Ronny,
    ik bedank u voor het feit dat u mijn vader tenminste aanhaalt, qua cabaret en de ‘Cyrano’. Ik voeg twee dingen aan toe:
    1. in een interview met Humo (de jaren ’70, denk ik) antwoordt Rijk de Gooyer op de vraag waarom Nederland wèl politiek cabaret heeft, en België niet: “Hoezo? Geen politiek cabaret in België? Ik ging een paar keer per jaar speciaal naar Antwerpen, naar de Cyrano van Anton Peters!”. Mijn vader was bovendien goed bevriend met Wim Sonneveld.

    2. Wat betreft het citaat van Bert Verhoye (trouwens een dik pak boller dan mijn vader!): Yvonne Lex is weliswaar haar carriere begonnen in de Cyrano (net als Denise De Weert, de Woodpeckers, Dora van der Groen, etc…) maar heeft nooit – nee nooit – meegedaan aan de revue’s in Blankenberge. Gesteld dat mijn vader het haar zou gevraagd hebben, wat niet gebeurd is, ze zou geweigerd hebben wegens haar reisvertoningen van het Appeltje, die ook tijdens de zomer plaats vonden. Ten bewijze: ik deed Yvonne’s belichting (wanneer Alex niet vrij was), terwijl de revue in Blankenberge doorging.

    Deze info is weliswaar niet wereldschokkend, maar het kost niks om om er rekening mee te houden.

    Groetjes,

    Marc Peters

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s