Hugo Morrens

Zoals men op deze blog al herhaaldelijk heeft kunnen vaststellen, was (ben) ik nogal bevriend met een aantal mensen op de persdienst van de toenmalige BRT (Fons Mariën, Peter Cnop, Willy Van Poucke, Ronny Pieters, il y en a d’autres). Dat was uiteraard geen toeval. Enerzijds kwam dit voor uit beroepsomstandigheden (ik was in die tijd als linkerhand van Lode De Pooter ook geregeld actief op televisiegebied), anderzijds moet men weten dat we het hier hebben over de tijd dat de BRT nog een echte monopolitische staatsomroep was. Dat was m.a.w. de tijd dat, als we in de buurt waren (voor een persconferentie in The Swan b.v.) en “dus” reeds flink aangeschoten, Lode placht te zeggen: “Komaan, mannen, laten we er nog één gaan drinken bij de Morrens!”
En “de Morrens” dat was dus Hugo Morrens, hoofd van bovengenoemde persdienst. En hij ontving ons nog met de glimlach ook! Ook al hebben communisten de neiging wat uit de hoogte te doen tegenover socialisten – zo van: ’t zijn toch geen échte – en was de conversatie dan ook af en toe ronduit genant.

Hugo Morrens was al in 1968 uitgestuurd als internationaal jurylid van de dertiende ‘Semana Internacional de Cine de Valladolid’. Hij draaide er zijn hand niet voor om om in diezelfde jaren als radiojournalist de vredesbesprekingen tussen de toenmalige Sovjet-Unie en de Volksrepubliek China te verslaan. Hij aanvaardde de opdrachten van de VRT slechts op voorwaarde dat hij zijn eigen filmrubriek in ‘Tienerklanken’ op tv mocht behouden, net als een langlopende reeks over musicals op Radio 1, “Van The Jazzsinger tot Singin’ in the Rain” in de jaren zeventig. Want het meeste houdt Hugo Morrens, die beweert dat hij compleet van slag raakte toen hij als twaalfjarige voor het eerst “Singin’ in the Rain” te zien kreeg, van het musicalgenre.
Minder bekend is dat Hugo ook een grote theaterfan is, tout court. Hij regisseerde de meest uiteenlopende stukken. Van de Robert Thomas-thriller ‘Acht Vrouwen’ in Linkebeek 1985, tot stukken in Overijse voor toneelgroep Tros. En van recentere producties midden jaren negentig bij de aloude rederijkerskamer De Peoene in Mechelen (de vertaling van Nell Dunns ‘Turks Bad’, die hij ook op de Luchtbal in handen nam voor toneelgroep Aktief, tot ‘Stepping Out’ van Richard Harris in 1995) of ‘Gigi’ van Anita Loos voor Bats, het Engelstalig Theater in Antwerpen, 1998. In 2011 leidt hij ‘The Beatles Forever’, een stuk van Roger Van Ransbeeck, bij het Mechels Volkstoneel.
En wat wellicht een héél goed bewaard geheim is, dat is dat Hugo ook een uitstekende trompettist is. Gelukkig hebben we daar fotografische bewijzen van!
Maar goed, in de periode van die bewuste reis naar de Sovjetunie, waaraan zowel Fons Mariën als Lode en ikzelf deelnamen, een periode dus dat Lode al met pensioen was (en zwaar ziek) en mijn andere collega’s op de Rode Vaan op uitzondering van Jan Mestdagh reeds uit onvrede waren vertrokken, was het maar al te duidelijk dat ik ook naar een andere job aan het hengelen was. En jawel, zo’n job op de persdienst, dat zag ik wel zitten, ook al omdat ik niet kon vermoeden dat met de komst van VTM de BRT binnenkort op z’n kop zou staan.
Hugo Morrens ving deze signalen wel op, maar interpreteerde ze verkeerd, zodat hij mij niet bij de BRT maar wel op het kabinet van De Batselier binnenloodste. Of beter gezegd: wou binnenloodsen. Er was immers geen haar op mijn hoofd dat eraan dacht op de vraag in te gaan. Dat kan mijn toenmalige vriendin getuigen die mij destijds afzette aan het fameuze gebouw in de Keizerlaan, waar ik later nog zovele ongelukkige jaren zou slijten en waar ik toen moest gaan “solliciteren” bij Carla Galle. Ik had haar (mijn vriendin) immers gezegd: wacht hier even op mij, ik ben zo terug, dit wordt gewoon een “beleefde weigering”.
Nog een geluk dat het arme mens (alweer die vriendin dus) een Humo had meegebracht, want het was zeker een uur later toen ik weer buitenkwam en dan wel degelijk als toekomstig persattaché van minister De Batselier.
Hoe is het in godsnaam zo ver kunnen komen? Nu leven we in een tijd dat als men niet enthousiast genoeg is, als men bij wijze van spreken niet op de tafel staat te dansen, men al niet wordt aangenomen, laat staan als men bij de aanvang zegt dat men het voorstel toch maar liever wil afwijzen! Waarom heeft Carla Galle zo op mij zitten inpraten?
Ik zou het niet weten. Wat ik wél weet is dat ik haar op 6 februari 1989 een brief schrijf, die ik begin met “Lieve Carla” (om maar te zeggen hoe ver mijn onnozelheid reikte!). Ik nodig haar daarin uit “om eens een glas te gaan drinken of misschien zelfs een hapje te eten” uit dankbaarheid voor haar “roos-kleurige (om een woordspeling meer of minder zit ik nooit verlegen, RDS) voorstelling van mijn persoontje bij Norbert De Batselier” (ik word niet goed!), maar vooral vraag ik haar meer inlichtingen over de manier waarop zij mijn job zag in combinatie met recensiewerk voor De Morgen, zoals ze in het vooruitzicht had gesteld. Uiteraard heb ik nooit geen antwoord gehad. En ik heb later wel voor De Morgen gewerkt, maar dan na een eigen sollicitatie bij de sportredactie (Jules Hanot).
Want uiteraard had ik hoegenaamd geen tijd bij De Batselier om daar ook maar iets nog bij te doen (ik deed daar dagen van tien uur en ik durf gerust zeggen dat dit van alle stafleden het gunstigste regime was; ik werd dan ook vaak vies aangekeken en op een bepaald moment is het met een zekere Ketels zelfs eens tot een scheldpartij gekomen). Hoe ik echter in het sprookje kon geloven dat de SP in die tijd nog kon dicteren wie er bij De Morgen kwam werken, zoals ze dat destijds bij Vooruit en De Volksgazet uiteraard wél nog had gekund, gaat mijn petje te boven. Vandaar, nogmaals Hugo, dat ik alle verantwoordelijkheid op mij neem. IK was de dwaze kloot in heel deze historie en niemand anders.
Maar goed, de boot was van wal gestoken en ik was dus wel verplicht van mee te varen. Ik weet nog heel goed dat ik op een woensdag ben begonnen en dat ik op zaterdag een fuif gaf in de Grote Avond om mijn nieuwe job te vieren. Maar er viel toen al helemaal niets te vieren. Er heerste een begrafenisstemming. Ik herinner me nog dat een vriendin me met de beste bedoelingen een nieuwe das had gekocht en dat ik samen met Vuile Mong daar droefgeestig zijn meezinger “Ze noemen mij Gerard Plastron” (op de wijze van “Juul Kabas”) heb aangeheven. Of ik gehuild heb, weet ik niet meer, wellicht heb ik me “sterk gehouden”, zoals dat dan heet, maar, ach Mong, het huilen stond me veel nader dan het lachen…
Drie maanden later was alles reeds voorbij, zou men kunnen zeggen. Maar eigenlijk begon het dan nog maar pas…

Ronny De Schepper

Referentie
Lukas De Vos, “Impressionisme, dàt is het”, Hugo Morrens en zijn onvoorwaardelijke liefde voor de musical, Film nr.87, november 2010.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.