Jan Caeyers

Gisteren kreeg Jan Caeyers in de Leuvense universiteit de eerste Prijs Blanlin-Evrart overhandigd. Deze prijs van een half miljoen frank zal voortaan jaarlijks worden uitgereikt als aanmoediging voor verdienstelijke kunstenaars. Het is niet helemaal duidelijk of de prijs zelf iets met de KUL heeft te maken, maar Caeyers zelf (°1953) heeft daar wel muziekwetenschap gestudeerd (naast fluit in het KMC van Antwerpen en compositie in KMC-Brussel en van ’81 tot ’84 orkestdirectie in de Hochschule für Musik te Wenen) en doceert er sedert 1985 muziekanalyse.

In datzelfde jaar, meer bepaald op 7 november 1985, heeft hij ook het Nieuw Belgisch Kamerorkest opgericht. Dat gebeurde in De Singel. Maar eigenlijk gaat daar in 1984 nog een samenwerking tussen Jan Caeyers, Jerry Aerts en Frie Leysen aan vooraf, namelijk voor de creatie van de kinderopera “Valeriaan”.
In maart ’92 maakten het N.B.K. en de Singel bekend dat ze voortaan nog nauwer zouden gaan samenwerken. De Singel biedt niet enkel haar infrastructuur aan, het gaat eigenlijk om een artistieke fusie, zo zegt Jerry Aerts. Reeds geruime tijd hadden de twee instellingen dezelfde artistieke ambities, maar nu willen beiden meer halen uit die samenstelling. Voor De Singel betekent dat vooral dat men een “huisorkest” heeft voor projecten die anders te duur uitvallen, b.v. het opstarten van een opera, het live-begeleiden van een film enz. Voor het N.B.K. betekent het dat naast de klassieke basis, die Mozart-Haydn-Beethoven-Schubert blijft, er meer nadruk zal komen te liggen op hedendaags werk. “Als je na zeven jaar uit de pioniersfase wil treden en een organisatie, een structuur opbouwen, dan moet je wel gaan nadenken over de functie van een orkest,” aldus Jan Caeyers. “Je kan dan niet beperkt blijven tot die artistieke belangrijke periode. Je hebt ook verplichtingen naar het heden toe en zelfs naar de toekomst, in die zin dat men ervoor moet zorgen dat er ooit een 20ste eeuws verleden zal bestaan. Met andere woorden: hoe groter het belang wordt van een orkest voor de gemeenschap, hoe meer je verplicht bent om je verantwoordelijkheid op te nemen voor de gemeenschap die je vertegenwoordigt. En in die context is dat aandeel hedendaagse muziek erg belangrijk. Je mag echter je eigen wortels niet verloochenen. Tenslotte biedt dat Weense klavertje vier de basis voor de orkestcultuur tout court. Men mag gerust stellen dat er vanaf die periode een echt orchestraal denken is ontstaan. Voor ons blijft dat dus het uitgangspunt, ook artistiek. Dààr kun je de sonoriteit van een orkest vormen, dààr kun je de uitvoeringsstijl bepalen.”
“We gaan dan ook verder zoeken naar mensen die het orkest op dat gebied nog kunnen vooruithelpen. En hier kan de uitstraling van de Singel ons een serieuze helpende hand reiken. We weten allemaal dat de Singel één van de meest belangrijke cultuurhuizen is in heel Europa. Ik heb iets gemaakt uit het niets, samen met mijn collega’s muzikanten, dat reeds zeer waardevol is. Wat we nu nodig hebben, dat is traditie. Daarom gaan we op zoek naar mensen om die traditie op te bouwen, want we dragen daarbij een grote verantwoordelijkheid als we dat etiket van de Singel mogen dragen.”
“We zouden ook graag impulsen krijgen uit de andere artistieke richtingen die hier huizen. Dat blijkt o.a. uit de programmatie voor de komende jaren, waarbij we gaan meewerken aan theaterprojecten en filmvertoningen. De aanbiedingen aan het orkest zijn dermate toegenomen dat wij moeite moeten doen om aan de artistieke verwachtingen te blijven beantwoorden. Daarom is deze ‘verloving’ met de Singel een dankbaar element omdat we op zoek zijn naar een huis met karakter, waarmee we ons kunnen identificeren en dat ons een rationele infrastructuur biedt.”
“De band met Leuven blijft echter ook bewaard. Als De Singel zowel onze baarmoeder als onze verloofde is, dan blijft de KUL onze Alma Méter. En met nieuwjaar gaan we toch allemààl eens graag naar onze meter, nietwaar? Wat wij hier doen is een positieve zaak. Dat is een idee dat reeds lang gegroeid is. Maar dat is niet gedacht tégen iets anders, niet tegen andere orkesten, die nu de kans krijgen om in de Singel te repeteren (het Filharmonisch Orkest van Vlaanderen, La Petite Bande, enz.). Het merkwaardige van dit kleine land is echter dat wanneer bepaalde mensen hun krachten bundelen, gewoon omdat ze denken dat ze dan veel meer troeven in handen hebben, dat men dan denkt dat dit het leven van andere mensen onmogelijk maakt. Integendeel, wij hopen dat dit voor hen juist een stimulans zal zijn.”
Maar begin september 1993 werd al bekendgemaakt dat het Nieuw Belgisch Kamerorkest werd ontbonden omwille van het steeds zwaarder wordend financieel tekort. Eigenlijk gebeurde dit met de medewerking van de Vlaamse cultuurminister Weckx (als KUL-professor kan Caeyers op de volledige steun van de CVP rekenen), die weigerde de tekorten voor de RSZ (nog steeds nationaal!) te dekken. Maar hij stelde wel in het vooruitzicht dat Caeyers en zijn N.B.K. nadien opnieuw aan de slag zouden kunnen als de Beethoven Academie.
En dat was in september 1993 dan ook het geval. De Beethoven Academie is zoals de naam het zelf zegt gespecialiseerd in de laat-achttiende eeuwse en vroeg-negentiende eeuwse muziek. “De laat-achttiende eeuwse en vroeg-negentiende eeuwse muziek blijft zeker de pijler waarop we blijven steunen,” aldus Caeyers. “Elk orkest dat zichzelf respecteert, vindt trouwens zijn basis bij het spelen van Mozart, Haydn en Beethoven. Het ligt zelfs meer en meer in mijn bedoeling om voor dit repertoire de specialisten van de oude orkesten, zoals Christopher Hogwood en Frans Brüggen, naar het N.B.K. te halen. De discussie over het spelen van oude muziek op moderne instrumenten wil ik nu niet opnieuw openen, maar het is reeds voldoende bewezen dat met de overtuiging van een dirigent, maar ook met zeer veel goede wil vanwege de muzikanten, er een optimaal resultaat mogelijk is.”
Toch vindt Jan Caeyers dat de authentieken stilaan “overgewaardeerd” worden. Hij vraagt zich af waar de grenzen liggen. “Als men zo doorgaat zou men voor elke periode van twintig jaar anders moeten gaan werken. Andere uitvoeringspraktijk, andere instrumenten, soms zelfs andere mensen. Dan komt men toch wel terecht in een zeer gespecialiseerd wereldje, waarbij ik me afvraag of de winst die men op die manier boekt, nog wel in verhouding staat tot de prijs die men daarvoor betaalt, zijnde de beperkingen waaraan men zich dient te houden. Bovendien,” zegt Caeyers, “als we aan de gemeenschap vragen om ons te steunen, dan moeten wij op het terrein van de hedendaagse muziek ook onze verantwoordelijkheid opnemen. Men kan echter niet blijven teren op het enthousiasme van de pioniersjaren. Traditie is een belangrijk element in de orkestcultuur, op voorwaarde dat het geen alibi is voor geestelijke luiheid, en die traditie moeten wij creëren. Niemand weet hoe de wereld er over tien jaar zal uitzien en hoe orkesten daarin zullen functioneren, maar één ding weet ik zeker: de rol van een orkest zal totaal anders zijn, onze werking zal veel meer gediversifieerd moeten worden, willen we niet verworden tot een onbetaalbaar luxe-apparaat. En daarom hebben wij echt de ambitie om het postmoderne orkest van morgen te zijn.”
Het organisatiebureau Music Hall staat bekend voor mega-evenementen zoals die in Vorst Nationaal of “De Tovenaar van Oz” b.v. Het was dan ook uitermate verbazingwekkend dat uitgerekend zij enige tijd nadien het concert van de Beethoven Academie in de Bijloke-festivalhal organiseerden. Toen ik de affiches zag uithangen met daarop de negende symfonie van Beethoven, vond ik dat uiteraard geen verrassing, want die leent zich vaak tot massa-uitvoeringen op de Grote Markt van Brussel e.d. Maar dirigent Jan Caeyers van de Beethoven Academie wil juist tot een uitgepuurde versie terugkeren, met een beperkt koor en een beperkt orkest. Hij noemt dat een versie die “historisch juister” is en dat is zeker waar, maar hij gaat dan wel voorbij aan het feit dat zijn muzikanten niet op historische instrumenten spelen. In dat kader moeten we wellicht het aantrekken van Christopher Hogwood zien om vanaf 1998 mededirecteur te worden. Toch werd niet hij de uiteindelijke opvolger van Jan Caeyers, toen die in 2005 zijn geesteskind vaarwel zei, maar de Fransman Hervé Niquet.

Referentie
Ronny De Schepper, Benefietconcert, Het Laatste Nieuws 19 januari 1996

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s