Vorig jaar woonde ik een recital van Erika Pauwels bij in het conservatorium van Gent. Ze zong daar werk van Mozart, Beethoven, Schubert, Rossini, Donizetti, Bellini, Verdi en Puccini. In 1988 had ik een telefonisch interview met haar over de opera-opleiding in ons land, zoals o.m. zijzelf die toen gaf in genoemd conservatorium.

Erika Pauwels (Gent, 1942) was als lyrische sopraan de enige leerlinge van Vina Bovy. Ze geeft onderricht in « lyrische kunst » in het muziekconservatorium en de rijksmuziekacademie van Gent. Tijdens de RTBF-uitzendingen van de halve finales van de Kon.Elisabethwedstrijd voor zang legde zij zeer terecht een link tussen de problemen waarmee het muziekonderwijs in ons land te kampen heeft — en dan meer bepaald de integratie van jonge operazangers in het professionele milieu en de problemen van de Vlaamse opera-instelling zelf. Aangezien dit nummer min of meer in het teken staat van zowel de schittering als de schaduw van het zangbedrijf met resp. de Elisabethwedstrijd en de VLOS als exponenten, leek het ons aangewezen aan haar onze wekelijkse telefoonrubriek te wijden.
Erika Pauwels: Ondanks het feit dat in vergelijking met andere Europese landen ons cultuurbudget erg laag ligt, hoort men toch vaak de mensen morren over « al dat geld dat naar cultuur gaat ». Men moet dus hoe dan ook proberen dat geld zo nuttig mogelijk aan te wenden. Zo is één van mijn voorstellen om de Filharmonie en alle andere orkesten die worden gesubsidieerd ertoe te verplichten een paar zangers ten laste te nemen, dit voor wat de mensen die kiezen voor een concertcarrière betreft. Het moet toch mogelijk zijn van één tot tien concerten per jaar te geven met die zangers doorheen het hele land, het moeten toch niet altijd instrumentale solisten zijn?
Daarnaast heb ik al jaren het voorstel op tafel gelegd — aangezien de operastudio’s verdwenen zijn en er dus geen schakel meer is tussen de opleiding en het beroep — dat de gesubsidieerde opera-instellingen zouden moeten verplicht worden van een paar stage-contracten in te voeren voor jonge zangers. Waar moeten die mensen anders naartoe? Zo zouden zij op z’n minst toch een volwaardig inkomen hebben, zodat ze daarnaast geen kassierster meer moeten spelen of zo, zoals nu het geval is. Artisitiek gezien is het ook geen probleem, want stage-contracten zijn ieder jaar opzegbaar als iemand niet voldoet.
— Anderzijds pleit u er ook voor dat de conservatoria zelf reeds zouden instaan voor bepaalde opvoeringen…
E.P.:
Jazeker. Ikzelf doe dat reeds sedert de vier jaar dat ik in het conservatorium ben aangesteld. Na de fragmentarische proef (dus het acteren en zingen van fragmenten) bestaat de tweede proef er immers juist in een volledige voorstelling te geven in een klein theater dat ik huur en waarvoor ik decors laat maken. Daarbij volg ik volledig het stramien van wat er in de opera gebeurt, dus wat repetitieschema’s betreft, het werken met machinisten, met belichting. Als scenograaf stel ik dan een jongere aan die bij de opera werkt of nog werkzoekende is en zelf voer ik de regie. Het eerste jaar heb ik op die manier « The medium » van Menotti gedaan (waaruit de Belgische laureate Marie-Noëlle de Callatay in de finale van de Elisabethwedstrijd een fragment heeft gebracht, R.D.S.), waarbij de kandidaat die zich voorstelt voor zijn eerste prijs, omringd wordt door zijn medeleerlingen. Het enige verschil met een « echte » operaopvoering is dat wij noodgedwongen met pianobegeleiding moesten werken. Vorig jaar hebben we dan twee eenakters gedaan, namelijk « Il secreto di Susanna » van Wolff-Ferrari en « The bear » van William Walton. Allemaal stukken die geschreven zijn voor kleine bezettingen en voor jonge mensen. Sommige van deze werken worden trouwens speciaal gecomponeerd voor gelijkaardige examens aan de Amerikaanse universiteiten. Nu is het trouwens zo dat Lucien Posman in opdracht voor mijn klas een opera zal componeren. De bedoeling is dat die in 1990 wordt opgevoerd, terwijl ik voor volgend jaar reeds drie à vier eenakters aan het voorbereiden ben. Daar kruipt uiteraard veel meer tijd in dan de vijf uur les per week die ik moet geven, maar ik ben daarvoor zo enthousiast dat ik dat er graag bijneem.
— Het toeval wil dat deze eerste Elisabethwedstrijd voor zang samenvalt met de problemen rond de Opera voor Vlaanderen…
E.P.:
Ja, ik vind dat een gelukkig toeval. Want anders werd het misschien weer in de doofpot gestopt. Ik kan daar niet van slapen! Ik ben zo nauw bij die opera’s betrokken. Ik heb in beide gebouwen gezongen, maar ik ben weggegaan in 1980 toen ik de moeilijkheden reeds begon te voorzien. Ik wist dat het zo ging eindigen. Men heeft zo geknoeid en een slecht beleid gevoerd. Drie keer heb ik me voorgesteld als directeur, maar ze willen van geen vrouw weten, zoveel is duidelijk. Ik heb ook de vinger op de wonde gelegd: wij kunnen immers nooit wedijveren met de Munt, wij moeten een regionaal theater blijven dat op de eerste plaats eigen mensen in dienst neemt.
« Wie ook de nieuwe directeur wordt, het zal iemand moeten zijn die voor opera lééft, » besluit Erika Pauwels.
Misschien kan ze zich nog eens een vierde keer kandidaat stellen ?

Referentie
Jan Draad, Erika Pauwels aan het lijntje, De Rode Vaan 2 juni 1988

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s