Hoofse literatuur: de Mittelhochdeutsche Zeit (1100-1500)

Via de Normandiërs was de vrouw-vriendelijke Arabische cultuur tot ons gekomen (*). Niet alleen veroveren de voorzaten van Jacques Anquetil immers Engeland (1066, slag bij Hastings), ze richten hun schreden ook naar Spanje dat ze heroveren op de Moren (de zogenaamde Spaanse reconquista). Deze hadden hun Arabische schonen achtergelaten en menig Zuidfranse edelman ging toen over tot “culturele uitwisseling”. “De amore libri III” van Andreas Capellanus, dat kan worden gezien als de bijbel der troubadours, verkondigde ideeën die de Arabische dichter Ibn Hazam al in 1022 in zijn “Twaq al-Hamanana” of “De halsring van de duif” (**) had beschreven. (Matthews, p.77)

De oude vertelling “Floris ende Blancefloer” is samen met de sultan uit Mozarts “Die Entführung aus dem Serail” een van de weinige aanduidingen in de Westerse literatuur van hoe het hoofse karakter eigenlijk uit Arabië is aangewaaid. Deze schonen zongen immers over de hoofse liefde, die onder invloed van het neoplatonisme reeds van in de 9de eeuw in Bagdad “in” was, en speelden luit, vedel en hakkebord (een voorloper van het klavecimbel). Nu wordt dit genre nog beoefend door de Marokkaanse groep Ikhlasse, maar typisch is dat dit nu binnen de Islam niet meer ten volle getolereerd wordt. Daaruit groeiden dan o.m. de “chansons de toile”, gezongen door vrouwen bij het spinnewiel. Een scharnierfiguur was de Franse Christine de Pisan (1364-1430), de schrijfster van “La cité des dames” (1405), een ballade, waarin alle belangrijke, heldhaftige en deugdzame vrouwen die de geschiedenis tot dan tot had voortgebracht de revue passeren. Maar ze is vooral belangrijk omdat ze een polemiek aanging met Jean de Meung, die een aanvulling had geschreven op “Le Roman de la Rose”, waarin hij o.a. het standpunt verkondigde dat vrouwen enkel geschapen waren om de mannelijke driften te verdedigen. Johan Huizinga merkt in zijn “Herfsttij der Middeleeuwen” op dat deze polemiek eigenlijk de scharnier vormt van de overgang van de voorhoofse naar de hoofse literatuur. Voorbeelden van hoofse literatuur in de Nederlandse literatuur zijn o.a. “Walewein”, “Ferguut” en “Floris ende Blancefloer”.

Referentie
John Matthews, De Heilige Graal, de belichaming van een droom, Amsterdam, De Driehoek, 1992

(*) Met een opmerking als “jaja, de tijden kunnen veranderen” maakte ik mij daar oorspronkelijk vanaf maar na het verschijnen van het boek “Waarover men niet spreekt” van Wim Van Rooy (2015) moet één en ander toch wat bijgeschaafd worden. Zo verklaart Wim zelf in een interview met The Post Online: “Deze periode wordt inderdaad aangehaald door mijn tegenstanders, maar is volgens mij een totaal overtrokken zaak. Denkers als Ibn Rushd kwamen tot hun intellectuele verwezenlijkingen niet omdat ze in een moslimmaatschappij leefden, maar omdat ze onderdeel waren van een hybride cultuur. Ibn Rushd leefde bijvoorbeeld in het Spanje van de 12e eeuw, dat kon buigen op een sterke cocktail van christelijke, joodse, islamitische, maar ook klassieke en Byzantijnse elementen. De ‘Arabische lente’ in de middeleeuwen ging grotendeels terug op een herontdekking van Aristoteles. Daarnaast werden deze hybride denkers maar al te vaak het slachtoffer van censuur en ballingschap. Uiteindelijk wordt het belang van deze periode ook overschat. De denker Maimonides bijvoorbeeld was een jood maar krijgt heel snel het etiket Arabisch opgeplakt.”
(**) Over de duif als symbool voor het Vrouwelijke, zie o.a. hier.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s