Nieuw werk van Walter Van den Broeck
Walter Van den Broeck heeft een nieuw boek uit, “Terug naar Walden” (Meulenhoff/Manteau, 288 blz., 22,50 euro) en komt erover spreken in de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde (Koningstraat 18, 9000 Gent) op woensdag 18 mei 2011 om 20 uur. Toegang vier euro. Reserveren op 09/ 265 93 40 of info@kantl.be.
In de Gazet van Antwerpen van 1/10/2009 legt hij aan Evita Bonné uit wat de titel betekent: “Walden refereert aan het socialistische project van de 19de eeuwse schrijver Frederik van Eeden, waarin solidariteit en simpel leven centraal staan. Het idee was als werkmens niet voor de burgerij te werken, maar voor elkaar. Toen al was men op zoek naar een alternatief op de grote uitbuitingsmachine die kapitalisme vormt.”
De aanleiding voor dit boek is dan ook de huidige economische crisis. “Dit is geen crisisje, maar een economische aardverschuiving. De kredietsector heeft zijn schaapjes weer op het droge, maar in de VS wordt elke zeven seconden een gezin op straat gezet. Dan kan je moeilijk stellen dat de crisis voorbij is. De sociaal-economische aspecten moeten zich hier nog laten voelen. De negatieve inflatie is maar tijdelijk. Dus we moeten ‘terug naar Walden’, terug naar een meer bescheiden levenswijze.”
Geboren in 1941 in Olen, precies op het moment dat Virginia Woolf stierf, beëindigde Walter Van den Broeck in 1961 zijn studies aan de Rijksnormaalschool te Lier. Lange tijd was hij in het onderwijs werkzaam tot hij het waagde “van zijn pen te leven”. In een eerste fase was dat dan nog gedeeltelijk als uitgever van een reklameblad, pas na het succes van “Het beleg van Laken” legde hij zich uitsluitend op het “literaire” schrijven toe.
In 1965 had hij reeds met Frans Depeuter en Robin Hannelore “Heibel” opgericht, maar hij schreef evenzeer teksten voor Marc Dex, Hollandersmoppen (“Eén cola met zes rietjes” en “Minder cola met nog meer rietjes”) en een kinderboek (“Mietje Porselein en Lili Spring-in’t-veld”). “Aangewaaid” (1987) en “Querido Hermano” (1988) zijn ook eerder “gelegenheidswerken”. Zijn voornaamste bekendheid behaalde Van den Broeck dan ook door zijn proza en toneel.
Laten we beginnen met zijn toneelwerken. Dat begon uiteraard met “Groenten uit Balen”, waarna op 26 december 1972 het toenmalige NVT-De Waag van start ging in ‘t Natiepeerd met “Mazelen”, dat in sommige negatieve kritieken de titel “Bazelen” meekreeg (met een knipoog naar het wél goed ontvangen “Groenten uit Balen”.
“De rekening van het kind” door Walter Van den Broeck werd door KNS-Antwerpen gecreëerd in een regie van Dré Poppe met Martha de Wachter, Peter Strynckx, Ketty van de Poel, Paul S’Jongers en Ray Verhaeghe in 1973. Van hem speelden zij daarna ook nog eens “Groenten uit Balen” met Suzanne Juchtmans, Willy van Heesvelde, Annelies Vaes, Hans Royaards en Jos Dimons, terwijl op televisie de geflopte serie “Bel de 500″ te zien was. Tussendoor was er ook nog “Een andere Vermeer” (1972), gevolgd door “Greenwich” (1974). “Het wemelbed” (1975) werd gecreëerd door het Nieuw Vlaams Toneel in een regie van Herman Fabri met Annelies Vaes, Frank Aendenboom, Rena Vets en Sam Bogaerts. Uiteraard een “parodie” op “Het Hemelbed” van Jan de Hartog (1914-2002), waar ook wel “lief en leed” wordt gedeeld, maar uiteindelijk alles toch weer goed komt. Niet zo met Laura en Arnold echter die tien jaar getrouwd zijn. Ze hebben twee kinderen, een betrekkelijke welstand en ze hebben mekaar ook nooit bedrogen. Maar houden ze eigenlijk nog wel van elkaar? Laura wil het huwelijk nieuw leven inblazen door een “tweede huwelijksreis”, maar neemt daarop wel haar depressieve schoonzus Liesbeth mee (Antwerpen, Ankerruitheater, 25/01/1978).
Datzelfde jaar volgde er nog “Gelukkige verjaardag” en twee jaar later “Tot nut van ‘t algemeen” dat onmiddellijk werd gecreëerd door het Mechels Miniatuur Theater, al weet ik niet of het ook in opdracht van het MMT is geschreven, ook niet na het leven van een interview dat André Lefèvre van hem heeft afgenomen voor “De Scène”, al heeft dat ongetwijfeld ook te maken met het feit dat ik slechts een fragment van het interview in mijn bezit heb. In dat fragment vraagt André Lefèvre o.a.: Hoe ervaar je het groepswerk, het meewerken aan een productie?
W.V.D.B.: Met het MMT is er echt groepswerk mogelijk. Een idee dat groeit tot een stuk, is iets dat ik wel mogelijk zie met die mensen. Zoals het nu is = een voorafgeschreven stuk, wil ik wel geregeld komen zien hoe het staat, hoe het verloopt. Maar ik wil niet elke dag komen, dat vind ik te veel op de vingers kijken. Je moet de ploeg de kans geven zelfs iets te vinden, zelf iets te creëren.
A.L.: Is de auteur achter zijn bureau niet afgeschreven? Is het niet beter effectief in het theater een stuk te maken?
W.V.D.B.: Naar een theater gaan en vanuit een idee daar een stuk maken, hangt af van mijn debiet. Het is voor mij geen uitgesproken regel. Veel hangt af van de stemming : ik voel nu ga ik een stuk schrijven, zonder specifiek te weten voor wie. Of dit uit de tijd is, weet ik ook niet. Er zijn ook gevaren verbonden aan het werken in een groep o.a.: de nivellering naar het kleinste gemene veelvoud van een stuk. Een stuk moet groter zijn. De mensen die zeggen: schrijven achter een bureau is fout, zijn fout; werken in een groep is goed, is fout. Ik heb ook al gewerkt in groep en daar is niets uit voortgekomen. Het is moeilijk in een groep te werken, je moet de groep kennen om optimaal te kunnen werken. Ik hou echter niet vast aan één bepaalde methode, maar je kan ook niets zonder rekening te houden met de Vlaamse theatersituatie.
André Lefèvre: Voel je enige affiniteit met andere auteurs?
W.V.D.B.: Met Franz Xaver Kroetz, maar niet met zijn hyperrealisme. Ik bedoel daarmee de afwezigheid van de relativering. De personages van Kroetz nemen alles te bloedserieus op. Ik ontdekte pas achteraf dat er gelijkenis is met iemand anders.
André Lefèvre vraagt ook nog in hoeverre Domien (de vaderfiguur) autobiografisch is en Walter Van den Broeck antwoordt hierop: “Alle vaderfiguren hebben met mijn vader te maken, maar niet de verhaalelementen. Mijn eigen vader was meer de figuur uit Greenwich : de uitvinder, en ook de man uit Groenten uit Balen die naar de koning schrijft. Mijn vader doet dat ook, hij vindt sociale actie overbodig, hij wendt zich onmiddellijk tot de machthebbers in de vorm van brieven aan Carter, Waldheim, Brezjnev. Dit gegeven heb ik verder uitgewerkt in mijn nieuw boek dat in ’80 verschijnt: Brief aan Boudewijn. Ik vind het onmogelijk een personage te creëren dat je niet zelf kent. De tedere ondergrond van mijn figuren ligt ook in mij.”
Nog in 1980 was er “Au Bouillon Belge” dat werd opgevoerd door Annelies Vaes en Jaak Vissenaken. In de tekst zitten tal van verwijzingen naar “Huis Clos” van Sartre, maar Van den Broeck moest dit wel in een ander interview in “De Scène” (deze keer afgenomen door Toon Brouwers) zelf aanduiden, want niemand had het gezien. Niet te verwonderen, want het gaat over de openingszin (“Jean-Paul? Merci hé” tegen een taxichauffeur) tot het feit dat het er bloedheet is, “zoals in de hel”. De namen Joske, Astère en Agnes zouden ook verwijzingen zijn naar Garcin, Estelle en Ines. En als bij Sartre de personages niet met de ogen knipperen omdat ze dood zijn, wordt dat bij Van den Broeck dat er één een blauw oog heeft, een ander kleurenblind is en de derde bijziend. Tenslotte komt het adagium “l’enfer, c’est les autres” tot driemaal in een variante terug (b.v. “de hel, dat is mekander niet verstaan“).
In 1981 volgt dan “Tien jaar later“, een vervolg op “Groenten uit Balen”.
“De tuinman van de koning” werd op 18/03/1986 gecreëerd door het Nieuw Ensemble Raamteater in een regie van Walter Tillemans en een decor van Marc Cnops met Luc Philips als Pol Mallants in dit uittreksel van “Het Beleg van Laken”, waarin Walter Van den Broeck (op band) zijn eigen rol speelt, terwijl Ivo Pauwels zijn gekende imitatie van koning Boudewijn ten beste geeft.
Op het einde van dat jaar gaf Van den Broeck ook nog een bundel verhalen uit, onder de titel “Aangewaaid“.
“Tot nut van ‘t algemeen” werd door de BRT dienst drama uitgezonden op 11/12/1988 met twee regisseurs: Lode Verstraete (act.)/Raf Verpooten (TV). Het decor was van Paul Degueldre. De acteurs: Denise De Weerdt (Jeanne Bonneure), Dries Wieme (Domien Bonneure), Polly Geerts (Gerda Bonneure), Ugo Prinsen (Hubert Bonneure), Els Dottermans (Alice Bonneure), Luk De Koninck (schepen Valgaeren), Jaak Vissenaken (notaris) en Walter Cornelis (Miel).
“Het Proces Xhenceval” tenslotte ging in een regie van Herman Fabri in première op 24/03/1990.
Wat zijn proza betreft was er eerst “De troonopvolger” (1967), gevolgd door “Lang weekend” (1968), “362.880xJef Geys” (1970), “In beslag genomen” (1972), “De dag dat Lester Saigon kwam” (1974) en “Aantekeningen van een stambewaarder” (1977). De echte doorbraak kwam er met “Brief aan Boudewijn” (1980). Daarna volgen “Het Beleg van Laken” (1985), “Gek leven na het bal” (1990), “Het gevallen baken” (1991), “Het leven na beklag” (1992). Eigenlijk vormen deze laatste vier boeken een tetralogie als antwoord op de “Brief aan Boudewijn“. In 2006 werden ze dan ook n.a.v. zijn 65ste verjaardag terecht in één deel uitgegeven.
In “Het beleg van Laken” wordt Van den Broeck himself immers tot een wederbezoek aan onze vorst gedwongen door ene mijnheer Moortgat. Aangekomen in Laken blijkt daar echter een soort van paleisrevolutie aan de gang, zodat de auteur in een werkkamer wordt geïnstalleerd die een exacte kopie is van zijn eigen schrijfkamer. Een tuinman vertelt de volkse geschiedenis van onze dynastie (zoals gezegd ook als toneelmonoloog bekend) en een zekere notaris Larocq poneert een groteske theorie over de bouw van en het leven op Schoonenberg, het koninklijk paleis. Men vindt volgens hem in de constructie de tegengestelde krachten terug die in deel vier “scheiden” en “vergaren” worden genoemd.
Ondertussen brengt “Gek leven na het bal” ons naar Duitsland waar Van den Broeck familie heeft wonen en ook z’n correspondentie-vriendin Ursula. In deel vier wordt deze Beatrice (want de levende Ursula blijkt helemaal niet te beantwoorden aan de schrijvende), die de schrijver naar de Louteringsberg en de Hemel zal vergezellen. Dit deel bevat inderdaad referenties aan Dante die tijdgenoten, waarvan de familie nog leeft, in de hel tegenkomt. Gulzigaards en gierigaards zitten in de zelfde kring. Dieven in een andere kring. Moordenaars (kring 8) worden met de voeten aan hun ogen begraven d.w.z. hun voeten boven de grond. Politieke verraders zitten helemaal beneden in het ijs. Van Den Broeck zelf geniet de bescherming van drie vrouwen en al zijn tegenstanders komt hij tegen in de hel. Of ik daar ook bij ben, weet ik niet, maar na het incident over “Het Beleg van Laken” heeft hij alleszins toch weerwraak genomen door in “Blueberry hill”, de film van Robbe de Hert, een walgelijk personage te voorschijn te toveren en die de naam Stafke De Schepper mee te geven.
Wat was er juist gebeurd? Na mijn positieve bespreking van “Brief aan Boudewijn” (waarvan de uitgeverij nog een gedeelte heeft gebruikt voor een promotiecampagne in De Nieuwe) was er een interview voorzien n.a.v. het verschijnen van “Het beleg van Laken”. Dat zou dan dienen als omslagverhaal voor de speciale Rode Vaan t.g.v. de Boekenbeurs, maar ik vond het boek daarvoor niet goed genoeg. Eerst probeerde ik de opdracht nog door te schuiven naar medewerker Johan de Belie, maar deze was dezelfde mening toegedaan. In een brief naar Van den Broeck zegde ik dus de afspraak af en voegde daarbij een aantal opmerkingen, waaróm ik het boek niet geslaagd vond. Zo schertste ik over de titel of die niet eerder zou betekenen wat er op zijn boterhammen lag tijdens zijn verblijf in Laken, want dat er meer gegeten werd dan strijd geleverd. Of zoiets. In een telefonische reactie antwoordde Van den Broeck smalend dat hij weigerde te discussiëren met iemand die “beleg” in die betekenis gebruikte, terwijl iedereen toch weet dat het dan “belegsel” moet zijn. Aan de telefoon was ik een beetje uit mijn lood geslagen, maar achteraf heb ik het even opgezocht en uiteraard kan “beleg” ook “belegsel” betekenen!
Hoe dan ook, die late afzegging gaf heel wat problemen met René Lampaert, die publiciteit trachtte te rapen voor dat nummer. Ik ben dan ook fier te kunnen stellen dat ik werd gered door Hugo Claus aan wie ik aan de telefoon mijn probleem had voorgelegd. Hij beloofde mij een exclusief interview over zijn verhalenbundel “De mensen van hiernaast” te geven en hij hield woord. Aan geen enkel blad buiten de Rode Vaan heeft hij hierover een interview gegeven.
Zo’n tien jaar later kwam ik Van den Broeck dan weer tegen in Brugge, waar hij alweer een of andere prijs van de socialisten in ontvangst mocht nemen. Aangezien ik toen in mijn hoedanigheid van vertegenwoordiger van de Vlaamse Socialistische Zelfstandigen toch nog een interview moest afnemen van onze Brugse afgevaardigde, die in hetzelfde gebouw werkzaam was, combineerde ik de prijsuitreiking hiermee. Deze had echter ’s morgens plaats en het interview in de namiddag, zodat deze brave mens mij mee aan de feesttafel nodigde. Op het menu stond echter kreeft en het personeel was dan ook heel verveeld, want ze konden nu eenmaal niet een extra kreeft op tafel toveren. Het toppunt was dan nog dat ik helemaal geen kreeft eet, zodat ze me gerust iets anders hadden kunnen voorzetten, maar dat liet het protocol dan weer niet toe. Enfin, alweer narigheid en alhoewel Van den Broeck er deze keer part noch deel aan had, werden de plooien toch niet echt glad gestreken.
Maar ondertussen was er dus nog “Het gevallen baken”, waarin Van den Broeck het laatste levensstadium van zijn ouders beschrijft. Dat bewijst dus dat hij zeker niet van een soliede structuur vertrokken is, want die periode valt samen met de release van “Het beleg van Laken” en Van den Broeck kon toch moeilijk de dood van zijn ouders incalculeren? In het eerste deel van “Het leven na beklag” (“Belg havent Laeken”) wordt “het geheim van Laken” eindelijk onthuld en wordt de cirkel dus toch afgerond. Boudewijn heeft een tweelingbroer (Gauthier) die na de geboorte gedood moest worden, maar gered werd. Hij is opgegroeid in een Waals stadje in de schoot van het arbeidersgezin Dumarais (Frans voor “moeras” of “broek”!). Radikale royalisten plannen een troonswissel waarmee Boudewijn maar al te graag instemt, want dan kan hij zich eindelijk als kloosterling terugtrekken. Andere royalisten verzetten zich hiertegen (vandaar de operette-revolte), maar de uitwisseling heeft uiteindelijk toch plaats in 1980 tijdens een groot gemaskerd bal op het paleis (“’t Leek ’n eng bal, hé va!”, p.197). Deze scène is de synthese en de apotheose van de gehele cyclus, waarin we alle sleutels voor de tekstinterpretatie in handen krijgen. Ook personages uit andere boeken komen weer tot leven, want door de schrijfdaad van de auteur zijn ze voor eeuwig aan de vergetelheid ontrukt. Na de troonswisseling, waarbij Van den Broeck een actieve rol speelt, mag hij terug naar huis. Hij is gelouterd en van zijn angsten bevrijd.
Deze samenvatting is gebaseerd op die van Julien Weverbergh in “Het Laatste Nieuws” en in één ruk door noemt Weverbergh deze cyclus dan ook een “magnum opus” dat “in onze letteren dezelfde plaats zal gaan innemen als De Kapellekensbaan“. Zelf vind ik het eerder een verregaande Spielerei, waarbij ik wel in bewondering sta voor de “kunde” van Van den Broeck, maar ik vind het geen “kunst”. Het scrabble-geknutsel om aan de anagrammen voor de verschillende titels te komen vind ik typisch.
In 1995 schreef Van den Broeck dan een vervolg op “Blueberry hill”. Hier introduceerde hij het personage van de lobbyist Johan De Pauw, gespeeld door Gert-Jan Dröge, maar gebaseerd op Johan Struye: “Het is natuurlijk niet het portret van Johan Struye geworden, want daarvoor kende ik die man niet voldoende. Maar wat de functie van de lobbyist betreft, hoef ik in het licht van de recente Agusta-perikelen waarschijnlijk geen tekeningetje te maken. Dat zijn mensen die, hoe aardig in de omgang ze ook zijn, iets heel raars aan het doen zijn: een liberale economie, die gebaseerd is op concurrentie, naadloos doen aansluiten op een democratisch bestel, dat gebaseerd is op solidariteit. Eigenlijk passen die twee dingen niet bij elkaar, maar op die naad, om geen conflicten te hebben, loopt de lobbyist. Daar functioneert bijvoorbeeld de vzw heel vaak. Daar wordt eigenlijk het niet-legitieme gelegitimeerd. En tja, daar hebben wij blijkbaar allemaal voor gekozen.” (De Morgen, 13/10/1995)
Ronny De Schepper