Spring naar inhoud

The blues on the road

19 juli 2010

In 1963 treedt Rod Stewart voor het eerst op op een echt podium en dat in Manchester voor 35 pond per week. Hij had toen onderdak gevonden bij Chris Peers, niet de Belgische wielrenner natuurlijk, want die zou pas twee jaar later geboren worden, maar wel iemand die zich als manager opwierp van mensen die eigenlijk uit het “buskers-circuit” kwamen, zoals Peter Sarstedt (“Where do you go to, my lovely”). Peers zegt over Rod Stewart: “Hij is de grootste vrek die ik ooit heb ontmoet, maar ook bezeten met een onwrikbare wil om er te komen.”
Ondertussen was Chris Blackwell, de zoon van een Engelsman die zich in Jamaica had gevestigd als eigenaar van een bananenplantage, tot de constatatie gekomen dat de lokale muziek (ska, later reggae genoemd) evenzeer een exportproduct kon worden als bananen. Hij vormde zijn eigen label “Island” en liet voor de Westindische gemeenschap in Engeland in 1964 Millie Small een cover van de R&B-hit van Barbie Gaye uit 1957 “My boy Lollipop” opnemen. Voor de mondharmonicasolo plukte hij een muzikant van de straat, maar dat was dan niet Rod Stewart zoals de legende wil, maar wel diens vriend Jimmy Powell (*).
Die zat in die tijd vaak in de studio met Bluesology wat nu ongetwijfeld een supergroep zou worden genoemd aangezien ook Elton John en Marsha Hunt er deel van uitmaakten. Samen namen ze echter niet hun eigen muziek op, maar tal van anonieme elpees op in de reeks “Top of the Pops”, waarop ze de hits van dat moment naspeelden. Het is merkwaardig dat niemand tot nu toe de moeite heeft gedaan na te trekken over welke elpees het in deze eindeloze reeks nu precies gaat. Men mag trouwens veronderstellen dat er op de latere elpees dan weer andere bekenden meespelen, maar nee, er is blijkbaar een ongeschreven overeenkomst dat dit met de mantel der liefde wordt bedekt…

Is Rod Stewart zijn platencarrière dus werkelijk van aan de onderste sport van de ladder begonnen, dan is zijn live-reputatie toch iets vlugger doorgedrongen. Logisch, zullen diegenen zeggen die hem ooit aan het werk hebben gezien.
Daarna vertolkte hij een korte tweederangsrol bij Jimmy Powell and the Five Dimensions, waarmee twee singles werden opgenomen: “That’s alright”/”I’m looking for a woman” en “I’ve been watching you”/”Sugar babe”, maar het is mogelijk dat Rod hier niet eens op meespeelt, want vocaal kwam hij niet genoeg aan zijn trekken. Op die manier hield hij er in 1964 nog een single over (“Good Morning Little Schoolgirl”, de klassieker van Big Bill Broonzy), die tijdens de studiotijd van Jimmy Powell and the Five Dimensions werd opgenomen.
Zij waren echter Beatle-epigonen, terwijl Rod Stewart liever “the blues” wou spelen (al heeft hij later wel zowel Lennon- als McCartney-composities opgenomen), daarom trok hij eruit en werd hij buskend in één van de vele Londense stations opgemerkt door de toenmalige blueslegende Long John Baldry (1941-2005) die hem achtereenvolgens bij zijn Hoochie Coochie Men en daarna bij Steampacket onderbracht, waarvan verder nog orgelist Brian Auger, drummer Mick Waller, basgitarist Rick Brown en sologitarist Vic Briggs deel uitmaakten. Ook hier speelde Rod Stewart toen overigens nog tamelijk veel mondharmonica want Baldry zelf beschikte ook over een niet onaardig stemgeluid en bovendien nam ook Julie Driscoll een deel van de vocals voor haar rekening.
Op dat moment deden ook geruchten de ronde dat Rod biseksueel was, wat misschien te wijten was aan het feit dat Long John Baldry er openlijk voor uitkwam homo te zijn, iets wat die andere vriend, Elton John, pas veel later zou doen. Elton John noemt Rod overigens “Phyllis”, maar toen New Musical Express daaruit bepaalde conclusies wou trekken, hadden ze meteen een proces aan hun broek van persagent Tony Toon en manager Billy Gaff.
Een geluk voor Siegfried Schmidt-Joos dat Rods management de Duitse taal niet machtig is, want wat schreef hij in Der Spiegel nr.47 van 1977? “Hatten zuvor Jagger oder, unter anderen, der Rock-Décadent David Bowie das Image der Bisexualität erfolgreich vermarktet, so geht Stewart, blaubhaft, einen Schritt darüber hinaus. Sein femininer Gestus wirkt überwiegend auf Männer (und nicht nur auf schwule); sein Repertoire zeigt Übereinstimmung mit weiblicher oder homoerotischer Sicht. Er braucht Glanz, Glamour und Make-up. Er geniesst das Melodrama der erotischen Grenzsituation. Rod Stewart ist derzeit die Garbo, die Leander, die Dietrich der Popmusik.”
Elton John zou kort daarna gaan samenwonen met zijn “verloofde” Linda Woodrow en zijn tekstschrijver Bernie Taupin die hij via een schrijversauditie van Melody Maker had ontmoet (“Hij is mij gevolgd, mama. Mag ik hem houden?”). Hun eerste officiële samenwerking “I can’t go on living without you” wordt in 1968 op een haar na uitgezonden naar het Eurovisiesongfestival…
Elton heeft altijd volgehouden dat zijn relatie met Taupin louter “platonisch” was. Maar dat sluit niet uit dat Elton op een bepaald moment zo in de knoop lag met zichzelf dat hij zowaar een zelfmoordpoging ondernam. “Ik had mezelf in een hoek gewurmd. Ik wilde niet trouwen met Linda. Op een keer ging ik stappen met Long John Baldry. Hij zei tegen me: gebruik toch eens je verstand, je bent veel meer verliefd op Bernie dan op die vrouw.” (Humo 19/6/2007)
Dat de echte naam van Elton John Reginald Dwight is, dat is stilaan algemeen bekend. Maar vanwaar komt de naam Elton John? Wel, Elton komt van Elton Dean, de saxofonist van Soft Machine, en John komt van Long John Baldry, dus het staat u vrij enige kanttekeningen te maken bij die naamskeuze…
Buiten het feit dat Bluesology dus, net als z’n opvolger Steampacket, anonieme goedkope cover-lp’s op de markt bracht (die nu uiteraard een fortuin waard zijn), heeft de groep ook onder de eigen naam een single gemaakt, namelijk “Come back baby”/”Mr.Frantic” in 1965. Daarnaast begeleidden zij Amerikaanse soulartiesten op hun Engelse tournee. Zo o.a. Major Lance, Patti Labelle, Billy Stewart en zelfs de veel oudere vocal group The Ink Spots.
Bij EMI verscheen later (toen Rod reeds een superster was) een interessante, doch met raadsels omgeven elpee (nog later in diverse vormen heruitgegeven in CD-piraatversies). De opnamen dateren van 1965-66 toen Rod nog bij Columbia onder contract lag. In die tijd werden twee singles uitgebracht: “The day will come”/Why does it go on” in november 1965 en “Shake”/”I just got some” in april 1966. Bijgevolg zijn zowel de A- als de B-kanten op deze elpee terug te vinden. Bovendien staan er zes onuitgebrachte studio-opnamen op (wellicht demo’s voor een nooit verschenen R&B-elpee). Op de A-zijde zijn de drie nieuw uitgebrachte opnamen “Keep your hands off her” van Leadbelly en “Don’t you tell nobody” en “Just like I treat you”, zonder referenties, zodat ik in het duister tast wat de componisten betreft. Volgens de hoesteksten zouden dit echter nummers van Ramblin’ Jack Elliot en Eddie Cochran moeten zijn. Op de keerzijde krijgen we dan toch wat meer informatie: hier vinden we “Bright lights, big city” en “Ain’t that loving you baby” van zijn favoriete blues-zanger Jimmy Reed en “Mopper’s blues” van Big Bill Broonzy, dat heel erg lijkt op “Feel so good” (uit “Long Player”, de eerste elpee van The Faces).
Ook de muzikanten zitten volledig in het R&B-idioom (rauwe, primitieve arrangementen, bijna ongelooflijk goed voor blanken). Op de hoes worden ze natuurlijk weer glansrijk over het hoofd gezien, maar wij doen volgende gok: Micky Waller op drums, bas Rick Brown, sologitaar Vic Briggs, saxofoon Dick Heckstall-Smith en Brian Auger op keyboards.
Uit diezelfde tijd, om precies te zijn van 8 augustus 1965 dateert de eerste filmopname van Rod Stewart. De opname gebeurt op last van Brian Epstein van The Beatles dan nog wel! Het betreft een concertregistratie van het Richmond Jazz Festival en uiteraard speelde de toen nog compleet onbekende Rod Stewart hierin slechts een bijrolletje. The Beatles (die aanwezig waren) wilden vooral het optreden van The Animals vereeuwigd zien. Naast Steampacket en The Animals traden ook nog The Who, The Yardbirds, The Moody Blues, Georgie Fame, Manfred Mann en The Spencer Davis Group op.
SHOTGUN EXPRESS
Eind ’66 splitte Steampacket: Baldry ging naar Bluesology, Briggs naar de nieuwe Animals, Waller naar John Mayall’s Bluesbreakers en Auger en Driscoll richtten hun eigen Trinity op. Rod Stewart sloot zich aan bij Shotgun Express. Hierin zat niemand minder dan Peter Green (later bij Fleetwood Mac) op sologitaar, Peter Bardens op orgel (kwam via Them van een groep genaamd The Cheynes, die toen al Mick Fleetwood als drummer hadden) en verder de Liverpoolse zangeres Beryl Marsden, die in december 1965 nog in het voorprogramma van The Beatles had opgetreden (ongetwijfeld familie van Gerry Marsden van Gerry and the Pacemakers). Voor de ritmesectie deden ze een beroep op Mick Fleetwood en bassist Dave Ambrose. In die samenstelling werd de single “I could feel the whole world turn around”/”Curtains” opgenomen (25ste in de Radio Caroline top 50 van 5/11/1966), gevolgd in april ’67 door “Funny ‘cos neither could I”/”Indian thing”. Niet lang na deze tweede single, waarop Rod al niet meer meezingt (hij wordt heel even door the Kinks uitgetest als zanger), wordt er alweer gesplit. Beryl probeert nog verder te boeren met sologitarist Phil Sawyer, zonder succes echter zodat ze in de anonimiteit verdwijnt en Phil bij de (ook al geflopte) nieuwe bezetting van de Spencer Davis Group aansluit.
Peter Green vervangt Eric Clapton bij The Bluesbreakers en Peter Bardens doet eerst The Love Affair en The Mike Cotton Sound aan, vooraleer een eigen groep te stichten, Village. Veel later (zo rond 1971) zal hij een knappe, ten onrechte versmade solo-elpee maken (“Hommage to the Garden of Light”).
GOED GEZONGEN, JEFF
Voor Rod Stewart daarentegen breekt nu de periode van erkenning aan. In zijn volgende band The Jeff Beck Group zou hij voor het eerst echt de rol van leadzanger vervullen, al zijn de hitjes van deze groep (“Hi ho silver lining” en “Tally man”) toch door Jeff Beck zelf gezongen…
De eerste elpee van The Jeff Beck Group (“Truth”) was voor meer dan de helft met bluesmateriaal gevuld. Dat hierbij ook twee Willie Dixon-nummers waren, is niet echt verwonderlijk, want als men het in die tijd over blues had, dacht men bijna uitsluitend aan de Chicago-blues van het Chesslabel. Stewart noemt “Truth” een mijlpaal voor hemzelf. Hij bedoelt hiermee dan vooral dat hij vanaf dan een toetssteen had. Hij kon zichzelf op meerdere nummers met een verschillend karakter beluisteren en zich bijschaven waar dat nodig was. Ikzelf zou daarbij nog willen wijzen op het belang van de bezetting voor “Truth”. Buiten Jeff en Rod was dat Ron Wood die als bassist niemand minder dan de oorspronkelijk voorziene Jet Harris (van The Shadows) verving. Ron Wood kwam van de Engelse groep The Birds (niet te verwarren met de Amerikaanse Byrds), die als enige “claim to fame” hebben dat daarin ook Kim Gardner zat (later bij Ashton, Gardner & Dyke). Overigens speelde Gardner hier basgitaar en speelde Ron Wood ritmegitaar, wat hij dus later ook bij The Faces en The Stones opnieuw zal doen.
Verder vinden we Mick Waller terug op drums, John Paul Jones, de latere bassist van Led Zeppelin, die ook al bas had gespeeld op “Good morning little schoolgirl”, speelde orgel en de Amerikaan Nicky Hopkins (van The Cyril Davies’ Allstars) zat aan de piano. Hopkins, Stewart en Beck in één groep, men zou het nu nauwelijks voor mogelijk achten en zo was het toen ook, al hadden Hopkins en Stewart nog niet de faam die ze nu hebben. Vooral van belang was daarenboven de in het oog springende vriendschap tussen Wood en Stewart.
Toen de Jeff Beck Group op tournee was in de Verenigde Staten in 1969 ontstond er ruzie nog voor ze aan het geplande optreden op Woodstock toe waren. Dat kwam o.m. omdat de Amerikaanse manager Rod Stewart op de schouder klopte en zei: “Goed gezongen, Jeff, en dat gitaristje dat je daar hebt, dat is ook niet slecht.” Toch was Jeff Becks woede vooral tegen Ron Wood gericht, die hij samen met Mick Waller ontsloeg. Stewart was op dat moment al zo bevriend met Wood dat hij mee opstapte. Bovendien bleek de Australische bassist die Wood moest vervangen zol slecht dat voor het volgende album (“Beck-Ola”) toch weer een beroep moest gedaan worden op Ron (drummer werd Tony Newman van Sounds Incorporated). Natuurlijk was de sfeer danig verpest en de elpee is dan ook zo goed als waardeloos.
REBEL?
Het hoeft natuurlijk geen verwondering te wekken dat Stewart onder dergelijke omstandigheden aan een solo-trip begint te denken. Het beruchte Immediate-label was toen pas opgericht en via Lou Reizner (de man van het krankzinnige “World War Two”-project uit 1976: beelden uit de Tweede Wereldoorlog op muziek van The Beatles, gezongen door anderen met een klassiek orkest; Rod Stewart mocht natuurlijk ook meedoen, zijn bijdrage werd “Get back”) en Mike d’Abo wordt ook Stewart er binnengesmokkeld. Ironisch is wel dat d’Abo ooit nog eens was opgeroepen om Paul Jones te vervangen als zanger bij Manfred Mann, omdat Rod Stewart geweigerd had!
Er werd eerst eens geëxperimenteerd met twee singles, “Baby come home” in duet met P.P.Arnold (**) en “Little Miss Understood”, een compositie van d’Abo, gekoppeld aan de blues “So much to say”. Blijkbaar hadden die genoeg succes om een eerste solo-elpee te riskeren (“An old raincoat won’t ever let you down”). Alhoewel Rod steeds beweert dat hij het contract enkel uit geldnood heeft getekend, lijkt het er eerder op dat hij zijn werkloze vrienden aan een job heeft willen helpen. Naast Martin Pugh (leadguitar) vinden we op “An old raincoat” immers Ron Wood en Micky Waller terug en dan nog twee anderen die we van dan af op alle solo-elpees (tot “Atlantic crossing”) zullen weerzien: Martin Quittenton (akoestische gitaar) en Ian McLagan van The Small Faces (orgel). Pugh en Quittenton waren overigens afkomstig uit “Steamhammer” (de andere leden waren Kieran White, Steve Davy en Michael Rushton), een groep die zich duidelijk als erfgenaam zag van Steampacket.
De enige klassieker uit dit album is alweer een ander d’Abo-nummer, “Handbags and gladrags”, al zijn ook “Man of constant sorrow” en “Dirty old town” zeker niet te versmaden. Er staat echter ook een versie op van “Street fighting man”, waardoor Rod Stewart totaal ten onrechte even voor “links” (***) of voor een rebel doorgaat. In het reeds geciteerde interview in “Rolling Stone” zegt hij hierover: “It was like I was trying to lead the revolution over here or something. Really, now! That had nothing to do with it at all. I recorded it because it was a funky old number, and because somebody had to hear those incredible lyrics.”
Toch heeft ook Rod Stewart zo zijn mening over protest in rock: “De rock heeft de wereld niet veranderd door zijn sociaal bewogen teksten; hij heeft de wereld veranderd omdat de tieners iets wilden om zich aan op te trekken en de rock diende zich toevallig op het juiste moment aan. Het was geen revolutie in die zin dat wij allemaal de straat oprenden om de regering omver te werpen. Ik denk niet dat om het even welke auteur zoiets heeft kunnen losmaken. Bob Dylan misschien een beetje en Bruce Springsteen. Maar ze hebben niks veranderd. Ze hebben ons gewoon bewust gemaakt van wat er zich rondom ons afspeelt. Wat rock’n'roll kan doen is commentaar geven op wat er gebeurt en hopen dat het verandert. Ik denk niet dat deze planeet nog een lang leven beschoren is. En ja, ik ben het ermee eens dat wij de handen in elkaar moeten slaan om er iets aan te doen, omdat de rock zo’n machtig medium is. We moeten de mensen ervan bewust maken dat deze planeet naar de verdoemenis gaat – en niet eens in zo’n traag tempo.” (Uit Humo nummer 2206).
Deze elpee leverde genoeg positieve kritieken op, maar Stewart zelf was niet volledig tevreden (en ik ook niet). Hij verwijt zichzelf vooral dat hij teveel op “riffs” heeft gecomponeerd en er dan zo maar een tekst opgekleefd, een fout die volgens mij wel meer van zijn composities ontsiert. Toch waren de verkoopscijfers van die aard dat een volgende elpee werd gelanceerd (****), de reeds genoemde “Gasoline alley”.

Referentie
Jan Segers, The blues on the road, De Voorpost, 15 juni 1979

(*) Deze misvatting was zelfs zozeer ingeburgerd dat, toen in het begin van de jaren zeventig “My boy Lollipop” in Duitsland werd heruitgebracht in een versie van een veertienjarig blank meisje, deze bij die gelegenheid de naam “Maggie Mae” droeg…
(**) Een zeldzaamheid, die merkwaardig genoeg is terug te vinden op een low budget-CD met duetten “Feel the fire”.
(***) Uit één (overigens niet erg betrouwbare) bron heb ik vernomen dat Rod Stewart op het eind van de jaren zeventig een concert zou hebben gegeven in de Sovjet-Unie, waarbij hij “halsstarrig” zou geweigerd hebben “zijn decadente, strak gespannen broek en dito tijgertruitje uit te trekken.” “Zo of geen concert,” zou Stewart “gebruld” hebben. Toen hij zijn zin kreeg, heeft hij “in ruil daarvoor wat minder met zijn heupen gedraaid”. Diezelfde bron weet overigens ook te melden dat Stewart ooit een optreden in het Witte Huis heeft afgeslagen, omdat het aanbod kwam van Susan Ford, de dochter van de toenmalige president Gerald Ford. Nee, je hoeft alweer niet naar politieke motieven te zoeken: Susan was op dat moment amper 17 en smoorverliefd op Rod, “and he just wanted to stay out of jail”… En nog in diezelfde stijl: Stewart zou zowaar zelfs de CIA een proces hebben aangedaan omdat die nummers van hem zou gebruiken om gecodeerde berichten te sturen naar haar agenten onder de codenaam “Hot legs”. Si non e vero…
(****) Rod Stewart haalt in interviews graag het feit aan dat hij enthousiast zijn moeder opbelde, toen er enkele duizenden exemplaren waren verkocht. Er waren dus zoveel mensen die van hem hielden! Terwijl er later nog zoveel meer zouden volgen…

2 reacties laat een →
  1. Leo Nierse permalink
    20 juli 2010 8:58 am

    Steve Marriott verliet de Small Faces al twee jaar eerder, nl. in 1969. Datzelfde jaar had Humble Pie een hit met ‘Natural Born Boogie’.

  2. 21 juli 2010 10:17 am

    Het was zelfs in 1968. Ik zal het aanpassen in de tekst. Bedankt.

Geef een reactie

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log Out / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log Out / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log Out / Bijwerken )

Verbinden met %s

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.

Join 46 other followers