Hendrik Conscience (1812-1883)
Op het einde van vorig jaar werd in de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde (Koningstraat 18, 9000 Gent) het boek van de op 28 september overleden August Keersmaekers “Hendrik Conscience. De Muze en de Mammon” voorgesteld. Aanleiding om even in te gaan op de historische roman in het algemeen en de Antwerpse schrijver in het bijzonder…
Mijn boekbesprekingen voor Anton van Wilderode waren niet zo “gewaagd” als ik mij “retrospectief” herinner. In mijn interview met Hugo Claus heb ik al verteld dat van Wilderode ons Claus leerde lezen (“Suiker”) en dat ik mij naar aanleiding daarvan de fameuze bloemlezing “Acht toneelstukken” heb aangeschaft (en er bijna door een andere leraar voor werd gestraft) en ik herinner mij ook dat ik hem (van Wilderode dus) een aantal titels voorlegde om daaruit een keuze te maken en dat hierbij vooral Amerikaanse schrijvers zaten zoals Tennessee Williams, John Steinbeck en Thornton Wilder (waarvan van Wilderode zei dat het voor hem allemaal o.k. was), maar als ik dan effectieve boekbesprekingen terugvind, dan gaan die over “Bei uns in Deutschland” van Ernest Claes, de “Ciske de Rat”-trilogie van Piet Bakker of zowaar zelfs “De Leeuw van Vlaanderen” van Hendrik Conscience.
DE LEEUW VAN VLAANDEREN
Die bespreking van “De Leeuw van Vlaanderen” begint met een samenvatting die als volgt gaat:
De Graaf van Vlaanderen, Gwijde, zijn zoon Robrecht, bijgenaamd de Leeuw van Vlaanderen, en vele andere vooraanstaande Vlaamse edellieden zijn door de Frans koning Philips de Schone op aanraden van zijn vrouw Johanna van Navarre gekerkerd. Daarom groeit er in vele Vlaamse steden verzet tegen de Franse overheersing. Zo zijn de kopstukken in Brugge Pieter De Coninck en Jan Breydel. Er zijn allerlei verwikkelingen, waarbij men vooral opmerkt dat Machteld, de dochter van Robrecht, en Adolf van Nieuwland, een trouw en dapper ridder, elkaar beminnen.
Tenslotte heeft de beslissende strijd plaats op de Groeningenkouter op 11 juli 1302, waar de Vlamingen, op het laatste nog gesteund door een tijdelijk vrijgelaten Robrecht, de Fransen een klinkende nederlaag toedienen.
En dan begint de eigenlijke bespreking:
Het boek “De Leeuw van Vlaanderen” doet mij denken aan de figuur van James Bond, het geesteskind van Ian Fleming. Alhoewel de vergelijking op het eerste gezicht ‘tamelijk’ vreemd voorkomt, meen ik dat wel iets voor te zeggen valt. Twee van de hoofdpersonen uit het boek immers, Pieter De Coninck en Jan Breydel, incarneren respectievelijk de geestelijke en de fysische superioriteit van de beruchte 007, terwijl het enthousiasme van Conscience de nodige onwaarschijnlijkheden uit de weg ruimt, die Fleming – als een praktische geest uit de twintigste eeuw – weet op te lossen met uitvindingen die nog moeten worden uitgevonden. U ziet het: de tijden veranderen, maar in feite blijven zij identiek, maar met een ander kleedje aan.
Nog nooit heb ik zoveel aantekeningen moeten maken bij een boek dan nu. Het begon al met de titel. Deze is niet zo eenvoudig als het wel schijnt. Mijn zevenjarige overtuiging is bij deze x-ste lezing de kop ingedrukt. Immers steeds heb ik de overtuiging gehad dat de benaming “De Leeuw van Vlaanderen” wilde uitdrukken: het Vlaamse volk dat met zijn klauwen naar de Franse overheersers sloeg, de strijdvaardigheid van ons volk dus. Nu ben ik echter van mening dat het enkel, of toch voornamelijk, op Robrecht van Bethune slaat. (“Ja,” schrijft AvW in de marge) Alhoewel hij zelden in het verhaal voorkomt is hij immers overal met zijn geest vertegenwoordigd.
Verder kan men alle mogelijke op- of aanmerkingen maken. Ik zal bijgevolg soms nogal eens van de hak op de tak springen. Meest in het oog springend en die Conscience ten goede komen zijn volgens mij: het feit dat hij zo prachtig, zo aanschouwelijk, zo “volks” beschrijft, dat hij niet enkel de eeuw waarin het verhaal zich afspeelt uitstekend weet te evoceren, maar dat hij zelfs de indruk geeft een eigentijds verhaal te schrijven. Ik denk hier bijvoorbeeld enkel maar aan de frequent voorkomende ridderstoeten, waarvan hij de kostbare versieringen uitvoerig beschrijft (cfr.”Heer Halewijn”).
Het werk is verder duidelijk “gekleurd”, maar zelfs indien men geen flamingant is, sleept het je daardoor mee in een onstuitbaar dynamisme. De “frisse” toneeltjes zijn legio. Ik heb het meest “genoten” van een klein detail, dat echter overduidelijk de militaristische inhoud illustreert, namelijk: Breydel gooit een Frans soldaat door het raam, deze wordt op goedendags opgevangen en daarna verder met knotsen verpletterd. Lust u nog wat gebakjes…?
Het gevecht tussen Breydel en Leroux wordt méér gebruikt om de gewelddadigheid te onderlijnen, maar dat vind ik toch maar klein bier tegenover deze “blijken van menslievendheid”.
Waarom meen ik dat dit Conscience ten goede komt? Omdat hij dit met zijn eigen kenmerkende stijl, overlopend van overdrijvingen, zo prachtig beschrijft. Niet omdat ik van dat soort baldadigheden houd.
Ten laatste dan: de zeer goede typering van de karakters van Jan Breydel en Pieter De Coninck. De eerste, open, reageert zoals zijn hart het hem op het moment zelf ingeeft; de tweede, meer gesloten, overweegt al zijn daden en weet zich te beheersen.
De keerzijde van de medaille is onder meer het procédé, dat hij tot in den treure aanwendt, namelijk eerst een beschrijving geven van de plaats waar de actie zich gaat afspelen, zodat de intrige totaal doorzichtig wordt.
Verder dan nog dikwijls te sentimenteel. Denken we maar aan Robrecht en Machteld te Nieuwenhove, een keurig staaltje van de stoere ridders die om de haverklap wenen.
Minder belangrijke zaken die mij opvielen waren bijvoorbeeld dat de liefde tussen Machteld en Adolf zeker in de aanvang niet zo “ideaal” was als Conscience het ons wil voorstellen (Machteld bemint Adolf vooral omdat hij zijn leven in de weegschaal werpt voor haar vader); dat de persoon van de oude Gwijde op een nogal dubbelzinnige manier wordt behandeld en dat hij een zeer levendige, Homerische beschrijving geeft van de eigenlijke slag (typisch: “De pijlen verduisterden de zon”).
Wat de onpartijdigheid betreft: ondanks het feit dat het boek onvermijdelijk sterk flamingantisch is, weet Conscience toch soms te tegenstanders te waarderen. Zo viel mij onder meer op: het plan der Fransen is ontdekt, maar zij zien er toch niet van af “want het waren ridders en moedige mannen”.
Johanna van Navarre daarentegen kan werkelijk niets goed doen. Ook schijnen volgens de auteur enkel de Fransen te moorden uit lust, maar dan vraag ik mij af hoe hij het gedrag der beenhouwers van Breydel verklaart.
Om te sluiten heb ik een bepaalde uitspraak van de “wijze” Pieter De Coninck genoteerd. Hij stelt eerst een verstandige vraag: “Wie geeft soldaten de macht om te doden?” Maar dan geeft hij zichzelf een antwoord dat al mijn illusies in duigen slaat: “De koning.” Ik houd met deze uitspraak op, omdat men ze kan vergelijken met mijn mening over dit werk: het doet vele illusies groeien, maar – dikwijls door een kleinigheid – worden deze vaak de kop ingedrukt, zodat ik mij niet goed durf uitspreken over mijn persoonlijke quotering.
(De “quotering” van AvW was 9/10.)
HENDRIK CONSCIENCE EN DE ROMANTIEK
Dat schreef ik dus destijds op de middelbare school. Een tiental jaren later, toen ik zelf voor de klas stond, zie ik dat ik reeds een veel kritischer toon aansloeg. Ik gebruikte de passage over de Slag van de Gulden Sporen in het handboek om de kenmerken van de romantiek aan te duiden. En dat deed ik dan als volgt:
- het ophemelen van het (Vlaamse) volk moet het elitaire karakter een beetje verdoezelen, want in feite wordt vooral de adel beschreven (alhoewel: Breydel en De Coninck!); overigens is het een vertekende beschrijving want de Vlaamse adel was verfranst;
- escapisme: een pessimistische visie op de eigen tijd (wegens de industrialisatie) leidt tot een vlucht in het verleden (tijdens de romantiek wordt de roman, en dan nog vooral de historische roman, echt populair; de benaming “roman” is trouwens afkomstig van “romaans” en betekent eigenlijk “verhaal in de volkstaal”);
- in de verheerlijking van het verleden vinden we wél optimisme terug: het boek eindigt zowaar met een happy end, namelijk de Slag der Gulden Sporen die door de Vlamingen werd gewonnen, maar korte tijd later werden ze wel verslagen! (tevens een aanduiding van het feit dat het vluchten in het verleden een illusie is);
- engagement (vrijheid, volkstaal, nationalisme);
- liefde (sentimenteel: Adolf en Machteld);
- natuur (cfr. de Homerische vergelijkingen);
- het mysterieuze (de “Gulden Ridder”, ook religieus aspect);
- de held als emanatie van het individualisme: de heldhaftigheid wordt bij Conscience enerzijds “objectief” beschreven (de tegenstander is ook heldhaftig omdat dit de moed en de roem van de Vlamingen nog groter maakt) maar anderzijds ook tot in het roekeloze (liever sterven dan de vlag prijsgeven; Adolf: één tegen allen);
- pathetiek cfr. de dialogen, plechtige woorden (“de scharen”), overdrijvingen (“overal bloed”, “een hamer die sneller dan het oog rondsuist”).
Daarna mochten twee werkgroepen zich zelf eens over het fenomeen “Hendrik Conscience en de historische roman” buigen. In de ene klas bestond die groep uit Ronan Van Steenlandt, Eddy Verstraeten, Filip Somers en Corinne Bal, in de andere uit Danny Van Broeck, Erna Amelinckx, Berlinda Somers, Martine Van Raemdonck en Ann Stoop. Ze werden verzocht Conscience te vergelijken enerzijds met tijdgenoten als Walter Scott, Alexandre Dumas of Victor Hugo, maar anderzijds ook met moderne auteurs van historische romans zoals Louis Paul Boon of Filip de Pillecyn, die de harde realiteit niet langer uit de weg gaan:
- de held wordt eerder een anti-held;
- de historische werkelijkheid wordt niet verdicht (opzoekingswerk!);
- relativeren van idealen;
- betere psychologische motivatie.
Met deze groepen had ik het o.a. ook over “De Loteling”, een boek van Hendrik Conscience dat in die tijd (1974) pas verfilmd was door Roland Verhavert. Dit boek speelt zich weliswaar af in 1833, maar Conscience schreef het in 1850, dat kan dus bezwaarlijk als een historische roman worden bestempeld. Integendeel, het is een van de zeldzame werken waarin Conscience dan toch iets van de sociale wantoestanden uit zijn tijd beschrijft (de loting werd pas in 1909 afgeschaft).
EEUWFEEST
Voor de meesten zal het ook wel van de schooltijd geleden zijn dat zij ooit nog eens een boek van Hendrik Conscience ter hand namen. Tot anno 1983 televisiekijkend Vlaanderen werd opgeschrikt door een bewerking door Libera Carlier van zijn “Geschiedenis mijner jeugd“, kort daarop gevolgd door de visie van Hugo Claus (foto) op die fameuze “Leeuw van Vlaanderen”.
U had het reeds kunnen denken: dit kon geen toeval zijn. En jawel hoor, het was precies honderd jaar geleden dat de brave man het tijdelijke met het eeuwige verwisselde, wat overigens in Antwerpen aanleiding gaf tot taferelen die slechts hun weerga vonden bij de begrafenis van Stanneke Ockers, zovele tientallen jaren later.
Kon ik in de populariteit van de Antwerpse wielerkoning wel inkomen, dan is die van zijn schrijvende stadgenoot mij toch steeds min of meer een raadsel gebleven. Als interloctueel is het natuurlijk aangeraden om blasé te doen over een schrijver die als “volks” gecatalogeerd staat, maar als ik dat aangehaalde opstel even overlees, dan blijkt dat Conscience honderd jaar na de feiten toch niet meer in staat was om een doodgewone puber te boeien.
De breedlopige beschrijvingen die kon ik nog wel waarderen ja (of ik deed althans alsof, je zat in de Retorica of je zat er niet, nietwaar…), maar zijn geschiedenisvervalsing, zijn hang naar “heldhaftige” moordpartijen, zijn doorzichtige aanpak, zijn sentimentaliteit, de onwaarschijnlijke liefdeshistorie tussen Machteld en Robrecht… het passeert allemaal de revue. Toch is Conscience dé figuur in onze letteren als wij het even over de historische roman willen hebben.
DE “GOEIE OUWE TIJD”
“Geschiedschrijving kan wel perfect zijn als het de lezer dwingt om tussen de regels te lezen, om zelf een tegenwereld op te bouwen,” zei Hugo Claus tegen Johan de Belie en mij in “De Rode Vaan” van 28 april 1983. En bij Jorge Luis Borges lezen wij: “De geschiedenis wat is dat? Is dat geen droom, geen product van het geheugen? De werkelijkheid bestaat uit dingen van allerlei aard, maar vooral, of toch voor een groot deel, uit dromen, herinneringen, mythen.”
Toch is er in de onspanningsliteratuur geen genre dat meer een beroep blijkt te doen op de realiteit, of alleszins op de combinatie van werkelijkheid en fantasie, als de historische roman.
De historische roman is als volwaardig genre op de proppen gekomen in de romantiek. De hang naar het verleden, vooral naar het collectieve verleden van een volk, dreef talloze romantische auteurs de geschiedenis in. Een vlucht uit de werkelijkheid, een vlucht naar een geïdealiseerd verleden. Het zijn in die periode vooral romans die drijven op intuïtie; aan voorafgaande studie van het behandelde tijdperk wordt nauwelijks of niet gedaan. Het is meteen tekenend dat veel van deze werken ook in jeugduitvoering bestaan en vaak verfilmd werden en op die manier de legende van een volk gingen bepalen of definiëren.
Walter Scott lanceerde “Ivanhoe”, Victor Hugo had het over “Notre Dame de Paris” en Alexandre Dumas blies zijn drie musketiers leven in, terwijl hier ter plekke Hendrik Conscience dus de man is die met het genre wordt vereenzelvigd (*). Conscience en Dumas hebben op een bepaald moment trouwens… nou, “samengewerkt” is niet het juiste woord, maar toch iets in die zin.
Toen hij in Brussel verbleef, liet Alexandre Dumas zich immers bijstaan door de Maastrichtenaar André Van Hasselt. Deze vertaalde voor hem “De Loteling” van Conscience, wat Dumas dan later hervertelde als “Dieu et le diable”. Dat men toen heel andere opvattingen had over plagiaat, wordt bewezen door het feit dat Dumas de titel naderhand veranderde in “Conscience, l’Innocent”. Ongetwijfeld was dit nadat hij met Conscience persoonlijk had kennisgemaakt in diens woning in Kortrijk, waar hij ter plekke een verhaal verzon over hoe de vader van Conscience (marinier in het leger van Napoleon) in contact kwam met vader Dumas, die generaal was in datzelfde leger. Dumas nam de originele versie van Conscience overigens ook op in zijn eenmanstijdschrift “Mousquetaire”.
Van Hendrik Conscience wordt gemeenzaam gezegd dat hij zijn volk leerde lezen. Hubert Lampo schrijft weliswaar dat hij zijn volk “Courths-Mahler leerde lezen”, maar aangezien hij dat zelf ook doet, kan dit nauwelijks als een verwijt gelden.
Belangrijker daarentegen is wat Louis Paul Boon schrijft: “Het is de waarheid”, schrijft-ie, “dat hij zijn volk leerde lezen, het is eveneens een waarheid dat hij het verkeerd leerde lezen. En dat is hem niet te vergeven.” De auteur van “De Leeuw van Vlaanderen” dook onder in een evasieve wereld, in romantische personages, in een terrein waar niets zijn ideële visie kon verstoren.
Men kan immers, zoals Boon doet, terecht iemand met de vinger wijzen die zijn volk wil verheffen door het vrome verhalen uit de Middeleeuwen voor te houden in een tijd dat datzelfde volk in de zwartste miserie zit. Julien Kuypers hangt daarvan een schrijnend beeld op: “Wat ons in die verwording treft, is de – niet alleen in België – algemeen aanvaarde, massale kinderarbeid: van het achtste of tiende jaar af, vaak zelfs vroeger. Alleen ondergronds, in de koolputten, mochten, sinds Napoleon, de kleinen niet vóór tien jaar te werk worden gesteld; om er, op handen en voeten kruipend, met kettingen om hun lijf, de karretjes voort te zeulen door de lage galerijen. Ambtelijke statistieken vermelden in 1846 zesduizend ‘arbeiders’ en achtduizend ‘arbeidsters’ van negen tot twaalf jaar, 1.508 ‘arbeiders’ en 4.802 ‘arbeidsters’, van minder dan negen jaar! Als alles naar wens ging in de spinnerij, bleven de stakkerdjes daar twaalf tot veertien uren daags, rechtstaande aan het werk: zwak van gesteld, flets van gelaatskleur, verwaarloosd, verwilderd, en soms verminkt naar het lichaam als naar de ziel. In uitzonderlijke gevallen kwam er – net als bij de Amerikaanse negerslaven – zelfs de zweep bij te pas.”
Herman Dangez merkt dan ook terecht op: “Culturele verheffing van de massa heeft nochtans de mensen van de Vlaamse beweging meer voor ogen gestaan dan sociale omwenteling. Erfelijk belast met naïeve Aufklärer-ideeën over ‘moreel en menselijk beter worden door opvoeding van geest en hart’, hebben de flamingantische romantici meestal niet beseft dat aan de basis van de achteruitstelling van hun volk economische en maatschappelijke wanstructuren lagen. Deze kortzichtigheid wordt begrijpelijk, als we weten dat zo goed als alle vroege Vlaamse strijders tot de gegoede burgerstand behoorden. Ze stonden dus wantrouwig tegenover alle in hun ogen te verregaande democratisering hoe dan ook, wat zij bijvoorbeeld door hun conservatieve angstreflex bij de revolutiestemming van 1848 hebben bewezen. Dezelfde van de democratie wegwijkende houding deed op het einde van de 19de eeuw de Vlaamse beweging de aansluiting met het opkomend socialisme missen, wat verdeeldheid en verzwakking in de Vlaamse samenleving met zich bracht. En nog steeds dezelfde reactionaire reflex deed sommige Vlaamsgezinden in Wereldoorlog I en II de weg opgaan naar een halve of hele collaboratie met Duitsland, waarvan steun voor de Vlaamse zaak werd verwacht.”
Enkele bladzijden verder schrijft dezelfde auteur dan ook over de reactie van de flaminganten in 1848: “Het was nu ook voor het Hof, de regering en het parlement duidelijk dat deze Vlaamsgezinden weliswaar lastig, maar noch staatsgevaarlijk, noch revolutionair waren.”
Bovendien was het eerste en belangrijkste punt op de agenda van het jonge vorstendom zichzelf legitimeren tegenover de buren. En dat was dan in de eerste plaats Frankrijk. Daarom kwam een boek over een gewonnen veldslag tegen de Franse overheersers de Belgicisten uitstekend van pas. (Terloops zetten de Vlamingen zich daarmee tevens af tegen hun Noorderburen “die dezelfde taal spraken”, al was dat in de negentiende eeuw door het niet-bestaan van een Nederlandse eenheidstaal en het woekeren van de vele dialecten geen evidentie.)
Conscience mag dus met andere woorden wel een figuur zijn die van historisch belang is gebleken in de ontvoogdingsstrijd, zijn werken zelf, de inhoud ervan, heeft daarmee nauwelijks iets te maken.
Referentie
Johan en Jan de Belie-Segers, Hendrik Conscience en de historische roman, De Rode Vaan nr.50 van 1983
(*) Opvallend is dat nogal wat “historische” auteurs zich ook aan SF wagen, vandaar misschien dat Anton van Wilderode de toekomstroman ook onder de “historische” roman rangschikt (zie hier). Zo ook “onze” Conscience. Het verhaal “Ene nul te veel” gaat over een klein Vlaams stadje waar gasverlichting wordt ingevoerd. Maar de ingenieur maakt een vergissing in zijn berekeningen en vertienvoudigt (“Ene nul te veel”!) de hoeveelheid gas die nodig is. Er ontsnapt bijgevolg overal gas en de inwoners beginnen zich vreemd te gedragen. Ze worden agressief, maken voortdurend ruzie en roddelen over elkaar. Een onaangenaam klimaat. Op zeker ogenblik ontmoeten enkele inwoners elkaar in de klokkentoren van de kerk (boven de gaslaag) en daar stellen ze tot hun verbazing vast dat ze weer ‘normaal’ zijn geworden. Duidelijk een verhaal dat als een parabel dient te worden gelezen. Of hoe Conscience als hij in de toekomst blikt, dichter bij zijn alledaagse realiteit blijft dan wanneer hij zich wentelt in het verleden!
Beste,
Ik ben een leerling uit het vijfde jaar secundair onderwijs in het OLVC in Antwerpen.
We moeten als jaaroprdacht voor het vak Nederlands verschillende dichters in groepjes met elkaar vergelijken.
Ik heb gekozen voor Hendrik Conscience.
Ik heb je artikel gelezen en vond het zeer interessant.
Ik heb echter nog enkele vragen. Het zou mij veel plezier doen mocht u er een antwoord op kunnen formuleren.
- Welke stijl had H. Conscience? Was hij uitdrukkelijk of impliciet?
- welke context heeft invloed gehad op welk aspect van zijn creaties?
- welke literaire stroming heeft invloed gehad op welk aspect van zijn creaties?
- wat heeft hij op zijn beurt teweeggebracht in de denkbeelden van zijn tijd?
Met vriendelijke groeten,
A. Vandebroek
Beste jongeheer Vandebroek,
Jij bent mij d’r eentje, zouden onze Noorderburen zeggen. Een Vlaming zou zeggen: gij zijt ne sloeber!
Eerst de loftrompet steken en dan maar hopen dat ik jouw huiswerk ga maken! :-)
Nee, alle gekheid op een stokje, ik dacht dat ik soms mijn leerlingen met krankzinnige taken opzadelde, maar het kan blijkbaar nog altijd straffer…
Persoonlijk vind ik dat je vier vragen te herleiden zijn tot twee. De drie eerste zijn namelijk drie verschillende formuleringen voor één en dezelfde vraag, namelijk tot welke stijlrichting wordt Conscience doorgaans gerekend? En dat kan je toch wel afleiden uit mijn tekst, zeker? Hij gaat bijna over niets anders. En, allé, omdat ik in mijne goeie ben: als je nog niet weet wat ik bedoel, kijk dan eens bij mijn categorieën…
En als je wat meer wil vernemen over die stroming, lees dan b.v. dit eens: http://ronnydeschepper.wordpress.com/2010/08/26/pop-als-romantisch-fenomeen/
Wat de vierde vraag betreft, ook daarop vind je een antwoord in mijn tekst, denk ik.
Allé, laat me eens weten hoe een en ander afgelopen is!
Ik wens je alvast veel succes.