Herman Heijermans (1864-1924)
Herman Heijermans werd geboren in Rotterdam op 3 december 1864. Hij groeide op als oudste zoon in een liberaal joods gezin met elf kinderen. In 1893 begon Heijermans als toneelrecensent bij de net opgerichte krant De Telegraaf. Hij schreef felle kritieken en creëerde daarmee al snel veel vijanden. Hij begon zelf ook toneelstukken te schrijven, die telkens wantoestanden beschrijven. Het bekendste voorbeeld is natuurlijk “Op hoop van zegen” (1900).
“Op hoop van zegen” gaat over de zware omstandigheden van de vissers, maar ook over de lijdzaamheid van de vissersbevolking, gesymboliseerd in het gelovige Kniertje.
Technisch gezien is dit uitstekend toneel:
- het is géén tragedie, maar eerder een vreemde mengeling van een treurspel met een blijspel (de humor komt vooral van de oude schippers, meer in het bijzonder van Kaps, de boekhouder van reder Bos);
- de milieuschildering die in zekere zin aangrijpend is (huisvesting, kledij); ook de taal (dialect, brutaal) wordt minutieus nagebootst;
- het slot van ieder bedrijf is een ontroeringsmoment (1ste bedrijf: de oorringen; 2de bedrijf: “je ziet me nooit meer weer”; 3de bedrijf: de beklemming van het meisje Jo; 4de bedrijf: de dankbaarheid van Kniertje t.o.v. Bos);
- de hoofdfiguur is een literair feit geworden: Kniertje wordt afgekeurd, maar blijft sympathiek;
- het is een tendensstuk, waarin de socialist Heijermans op een uitstekende wijze de arme vissers tegenover de rijke reders plaats. Het is de aloude tegenstelling van arbeid tegenover kapitaal. Arbeid die nooit voldoende opbrengt tegenover kapitaal dat altijd aanwast. Daarbij komt nog een aanklacht tegen het onvoldoende toezicht op de schepen, tegen de ontoereikende weduwen- en wezenzorg en tegen leger en politie die altijd de kant van het kapitaal kiezen.
Zelfs in de jaren zestig ontstond er nog een rel n.a.v. de opvoering van “Op hoop van zegen”. Een zekere A.J.Ligthart, destijds hoofd van de visserij, stelde voor om de dossiers van alle vergane schepen tussen 1870 en 1900 te openen. Hieruit zou blijken, althans volgens hem, dat de aanklacht ongerechtigd was. De oudste dochter van Heijermans, Hermine, haalde er echter de oude schipper Hartveld bij die namen van schepen, data en plaatsen kon noemen van schepen die hij moest “wegbrengen” voor zijn reder Van Wijngaerde. (*)
De indrukken voor dit stuk had hij onder meer opgedaan in Scheveningen en Katwijk aan Zee, waar hij enkele jaren woonde en bevriend raakte met de schilder Jan Toorop.
De meeste van zijn stukken gingen in première bij de Nederlandsche Toneel Vereniging in Amsterdam, waar Esther de Boer-van Rijk (1853-1937) de voornaamste protagoniste was, vooral als Kniertje in “Op hoop van zegen” en als Eva Bonheur. Zij speelde ook tweemaal de hoofdrol in de verfilming van “Op hoop van zegen”, namelijk in de stomme versie uit 1918 van Maurits H.Binger en in de gesproken versie uit 1934 van Alex Benno.
Het toneelwerk van Heijermans wordt ook wel eens als “statisch toneel” omschreven (**), een term die teruggaat op Anton Tsjechov. Evert De Jong deelt de werken van Heijermans dan ook in volgende kategorieën in:
1. Zijn “Tsjechoviaanse” stukken (vergeefse poging om aan een situatie te ontkomen)
- “Ghetto” (1898) over sjacheraars en voddenkooplieden;
- “De Opgaande Zon” (1908) over de middenstand;
2. Stukken over een situatie, zonder een poging om eraan te ontkomen
- “Ora et labora” (1902) over het platteland;
3. Stukken waarin de situatie wel verandert maar de karakters niet
- “Allerzielen” (1904) over de religie; vgl. met “Ueber den Wassern” van George Engel en “Een herder” van Jan Bruylants: telkens over twee pastoors (een “goeie” en een “slechte”) die door het binnenbrengen van een “meisje van plezier” (bij Heijermans: Rita, symbool voor de goede mens van de toekomst) in conflict komen.
- “Dageraad”: vgl. met “Die versunkene Glocke” van Hauptmann; gesitueerd in de Middeleeuwen; geschreven in rijmloze, vijfvoetige jamben; thema: iemand geraakt door een uitvinding uit de armoede, maar door de uitvinding verliezen anderen hun werk.
- “Eva Bonheur”.
4. De uitzonderingen: ontwikkelingsdrama’s
- “Dora Kremer”: zijn eersteling, vgl. met “Een poppenhuis” (Ibsen)
- “De Vliegende Hollander”: flop. Over een weddenschap (klucht + moraliteit).
- “Van Oude ‘De Morgenster’”: sentimentaliteit + sensatie = melodrama; generatieconflict.
- “Ego (Vorstendroom)”: het eeuwige conflict tiran-individu.
- “Verloving”.
- “De Schone Slaapster”: zie “Ego”.
- “Het zevende gebod”: “Blijkens de titel heeft Heijermans willen aantonen zoiets als: de zogenaamde zonde tegen het zevende gebod, de vrije liefde (Peter-Lotte), kan zuiverder zijn dan menige wettelijk gesanctioneerde verbintenis (het huwelijk van Gaaike).” (p.105-106)
5. Niet teruggevonden bij De Jong
- “Het pantser” (1902) over het leger;
- “Bloeimaand” (1903) over bejaardentehuizen;
- “Glück auf!” (1911) over de mijnen;
- “De wijze kater” (1917) over corruptie.
Grosso modo kan men stellen dat Heijermans wel pogingen van zijn personages beschrijft om aan hun lamentabele toestand te ontsnappen, maar dat zij daar uiteindelijk niet in slagen. Dat zou Heijermans wellicht zeer ongewenst maken in landen die het socialistisch-realisme aankleefden. Toch was Heijermans zeer actief in de socialistische beweging. Hij was in 1897 lid geworden van de in 1894 opgerichte Sociaal Democratische Arbeiders Partij (SDAP, de voorloper van de PvdA) en schreef voor die partij in 1898 het propagandastuk Puntje. Begin jaren ’20 van de vorige eeuw was Heijermans korte tijd directeur van Theater Carré.
Herman Heijermans overleed op 22 november 1924 op 59-jarige leeftijd in zijn huis in Zandvoort aan de gevolgen van kanker. Zijn begrafenis, georganiseerd door de SDAP, vond plaats in Amsterdam. Illustratief voor zijn populariteit is het grote aantal belangstellenden langs de route van de lijkkoets van Zandvoort naar Amsterdam: de mensen stonden rijendik. Er bestaan filmbeelden van Heijermans’ begrafenis. Er zijn geen filmbeelden bekend van Heijermans in levenden lijve.
Ronny De Schepper
(*) Anton van Wilderode
(**) Met name door Evert De Jong (°1924), Herman Heijermans en de vernieuwing van het Europese drama, Groningen, J.B.Wolters, 1967, 152 blz.