Alexandre Dumas (1802-1870)
De Franse romancier Alexandre Dumas (1802-1870) is vooral beroemd geworden in 1840 met zijn “Les trois mousquetaires”, een werk dat op zichzelf al uit acht delen bestond, maar dat samen met de vervolgen “Vingt ans après” en “Le vicomte de Bragelonne” uiteindelijk 36 delen zal beslaan. Daar steekt “Le comte de Monte-Cristo” (eveneens uit 1840) met zijn twaalf delen maar bleekjes tegen af…
Alhoewel “Le comte de Monte-Cristo” niet minder dan dertig keer werd verfilmd, moet hij het ook op dit vlak afleggen tegen “Les trois mousquetaires”. De bekendste verfilming “in mijn tijd”, was in 1973 zowel “The three” als “The four musketeers” (zie foto). Eigenlijk betrof het hier één film van Richard Lester (“Help”), die omwille van de lengte in twee werd gesplitst om commerciële redenen. Maar als dat zo is, waarom is de muziek van “The Three Musketeers” dan van Michel Legrand en die van “The four musketeers” van Lalo Schifrin? In de “echte” sequel “The last return of the four musketeers” zou Roy Kinnear (1934-1988) van zijn paard vallen en overlijden.
In 1993 zou Stephen Herek ook zijn remake van “The three musketeers” presenteren. Charlie Sheen, Kiefer Sutherland, Chris O’Donnell, Oliver Platt en Tim Curry laten de degens kletteren, terwijl Rebecca De Mornay en Julie Delpy de boezem ontbloten (of toch bijna). Door sommigen werd de film al smalend “Young swords” genoemd (naar de populaire western “Young guns”). Rebecca De Mornay breekt dat jaar met Leonard Cohen.
AFKOMST
Ondanks het ongelooflijke succes van zijn zeer spannende, goed gecomponeerde romans, met een evenwicht tussen ernst en luim (Dumas kan en wil niet verbergen dat hij zichtbaar geniet van het schrijven) leefde Dumas als een bohémien zodat hij desondanks in armoede en geestelijke ontreddering stierf (net als Victor Hugo is hij nog een banneling geweest in Brussel, maar bij hem was het om zijn schuldeisers te ontlopen). Dat had ongetwijfeld ook te maken met zijn opvoeding, of beter: het gebrek daaraan. Alexandre Dumas was de zoon van Thomas, een halfbloed (een onwettig kind door de markies Davy de la Pailleterie verwekt bij de zwarte slavin Cessette Dumas op zijn plantage in Santo Domingo) die, alhoewel hij ooit nog als slaafje werd verkocht, het uiteindelijk tot generaal bracht in het leger van Napoleon. Alexandre zal trouwens in zijn voetsporen treden, als hij in 1860 nog deelneemt aan de veldtocht van Garibaldi op Sicilië en in Napels. Zijn vader stierf echter toen hij amper drie jaar oud was en zijn moeder stond er van dan af alleen voor met een tabakswinkel. Alexandre Dumas groeide op op straat (hij heeft dus veel street credibility) en bijna ook voor galg en rad, tot hij in Soissons een voorstelling zag van “Hamlet”. Hij wist meteen wat hij wou gaan doen: schrijven. Meer bepaald voor het toneel en dat kon enkel in Parijs. Om tot daar te geraken, betaalde hij zijn reis en onderdak met stropen en biljartspel.
EEN MAAGD VAN ZESTIG JAAR
Alhoewel hij aanvankelijk (1829) wel succes heeft met historische toneelstukken zoals “Henri III et sa cour” op hetzelfde moment dat hij bij Laure Labay uit Etterbeek de latere schrijver van “La dame aux camélias” verwekt, die hij overigens pas veel later zal erkennen (*), schakelt hij na het lezen van Walter Scott toch over op het schrijven van historische romans (**).
Al zijn die stukken nadien ondergesneeuwd onder het succes van de romans, toch mag men niet vergeten dat Dumas met zo’n stuk als “Henri III” toch Victor Hugo (“Hernani”) met een jaar voor was en dat zijn “Antony” uit 1831 als prototype van het burgerlijke melodrama kan gelden. Zijn grootste theatersucces is bovendien weer iets helemaal anders, namelijk een komedie (“Mademoiselle de Belle-Isle” uit 1839, in 1994 in onze streken nog opgevoerd door Maatschappij Discordia). Ze werd gecreëerd door de Comédie Française en bleef tot 1884 in Parijs op het repertoire staan, waarbij ze meer dan 400 keer werd gespeeld. Grappig is wel dat, alhoewel het hier een sekskomedie over een hitsige maagd betreft, de hoofdrol werd vertolkt door ene juffrouw Mars, die bij de première zestig jaar oud was.
BELGIË, WANT DAT TAALTJE IS ZO ZACHT
Bij het schrijven van zijn romans werd hij van 1839 tot 1856 bijgestaan door geschiedenisleraar Auguste Maquet en nog vele anderen, de zogenaamde “nègres” (het is niet helemaal duidelijk of deze term hier voor het eerst in deze betekenis werd gebruikt, waarbij er op een niet al te subtiele wijze werd verwezen naar Dumas’ afkomst). De firma Dumas werd per regel betaald en één van de veelgehoorde klachten op het literaire vlak is dan ook dat het woord “snoeien” niet in zijn woordenboek stond. Hij was ook niet vies van stelen, zelfs onze landgenoot Hendrik Conscience moest er op een bepaald moment aan geloven.
Toen hij in Brussel verbleef, liet Alexandre Dumas zich immers bijstaan door de Maastrichtenaar André Van Hasselt. Deze vertaalde voor hem “De Loteling”, wat Dumas dan later hervertelde als “Dieu et le diable”. Dat men toen heel andere opvattingen had over plagiaat, wordt bewezen door het feit dat Dumas de titel naderhand veranderde in “Conscience, l’Innocent”. Ongetwijfeld was dit nadat hij met Conscience persoonlijk had kennisgemaakt in diens woning in Kortrijk, waar hij ter plekke een verhaal verzon over hoe de vader van Conscience (marinier in het leger van Napoleon) in contact kwam met vader Dumas, die zoals gezegd generaal was in datzelfde leger. Dumas nam de originele versie van Conscience overigens ook op in zijn eenmanstijdschrift “Mousquetaire”.
Op die manier was Hendrik Conscience uiteindelijk nog beter af dan de Engelsman Pierce Egan, wiens feuilleton over “Robin Hood and Little John or the Merry Men of Sherwood Forest” Dumas gewoon vertaalde als “Le Prince des voleurs” en onder zijn eigen naam publiceerde.
Dat Dumas en Conscience wel degelijk vrienden waren, wordt ook bewezen door het feit dat Conscience Dumas en Victor Hugo o.a. meetroonde naar Gent (Dumas zou er het toneelstuk “Le Bourgeois de Gand” aan overhouden) en ook naar de volkse buurten in Brussel, waar een “ketje” zowaar een Brusselse versie bracht van “Ruy Blas”. Overigens tot groot ongenoegen van Victor Hugo, wiens gevoel voor humor niet zijn sterkste zijde was.
PROVINCIESTADJE
Aan de samenwerking met Maquet kwam een eind toen deze het medeauteursrecht van achttien werken opeiste. Over het algemeen neemt men aan dat de grondidee van Dumas kwam, dat Maquet nadien het nodige opzoekingswerk deed, dat ze samen (en eventueel dus nog met andere “nègres”) eraan werkten en dat de supervisie of noem het eindredactie opnieuw bij Alexandre Dumas lag. Hoe dan ook, het dient gezegd dat geen van beiden na het beëindigen van de samenwerking nog iets treffelijks heeft geschreven. Anderzijds is het evenzeer waar dat de uitgeverijen het dubbele betaalden voor een feuilleton geschreven door Alexandre Dumas dan voor één geschreven door de tandem Dumas-Maquet. Eigenlijk had Auguste Maquet er dus zelf financieel voordeel bij om op de achtergrond te blijven.
Daniel Zimmermann berekende dat de pvba Dumas uiteindelijk 37.267 personages heeft geschapen, verdeeld over 647 werken. Hiervan zijn er 4.056 hoofdpersonages, 8.872 “tweedeplans” en 24.339 figuranten. Eigenlijk een volledig imaginair provinciestadje, zeg maar.
Ronny De Schepper
(*) Alhoewel hem niet minder dan 250 bastaardkinderen worden toegedicht, zal Dumas er slechts twee wettelijk erkennen. Naast Alexandre is dat nog Marie-Alexandrine.
(**) Ik weet niet meer wie het zei, maar hij (of zij) zei het alvast goed: “Alexandre Dumas: hij verkrachtte de Franse geschiedenis, maar verwekte wel mooie kinderen”
Selectieve bibliografie
Henri Clouard, Alexandre Dumas (1955)
André Maurois, Les trois Dumas (1957)
André Schopp, Dumas, le génie de la vie (1985)
C.Schopp & Dominique Frémy, Quid d’Alexandre Dumas (1989)
Daniel Zimmermann, Alexandre Dumas le Grand, éd.Julliard (1993)