Spring naar inhoud

Een studie over de persoonlijkheid van Aeneas

15 december 2009

Waarom ik mij dat aandoe, dat overschrijven van mijn vroegere verhandelingen, ik weet het eigenlijk zelf niet. Dat moet weer iets met dat autistisch trekje van mij te maken hebben: “Je hebt het met één gedaan, dan moet je het met allemààl doen!” Enfin, op 2 mei 1968 (dus één dag na Ernest Claes) was het alweer prijs. Als opdracht van “den Danny” (Daniel De Smet) kregen we “een studie over de persoonlijkheid van Aeneas in Aeneis I-IV”. Het merkwaardige is dat ik geen kwotering krijg, enkel een paraaf en een paar opmerkingen in de marge. Ik denk dat dit eigenlijk betekent dat ik nul heb gekregen, maar dan niet omdat mijn verhandeling niks waard was, maar omdat ik ze te laat heb afgegeven of zo. Hoe dan ook, ik heb het voorval blijkbaar goed verdrongen, want “I know nothing, I’m from Barcelona”…

Aeneas bekleedt in het verhaal vast en zeker een betwistbare plaats. Hij, hoofdfiguur uit een heldenepos, verkeert voor het merendeel in een erbarmelijke toestand en niet steeds komt hij als overwinnaar uit deze meedogenloze strijd!
Nochtans blijft hij een held, om de eenvoudige reden dat zijn strijd tegen goden en natuurkrachten gaat. Dan kunnen wij met onze Westerse mentaliteit al goed begrijpen dat het geen oneer is voor zulke tegenstanders het hoofd te buigen; komt daar dan nog bij de onderdanige eerbied van de Romein voor het “fatum”. Het “fatum” dat voor Aeneas bestaat in een vrleden en een toekomst: het verleden, de haat tegen Troje (vooral Juno!), en de toekomst, een stad als Rome stichten met met ontelbare moeilijkheden gepaard gaan. Daar Aeneas voor het eerst ten tonele verschijnt in precies één van die benarde omstandigheden, wordt de aanhef opgevat als een soort “captatio benevolentiae” (I, 1-11). Al is de positie van Aeneas in de stormscène allesbehalve rooskleurig, toch leren we hem dadelijk langs zijn positieve zijde kennen, zo o.a. aanroept hij de goden (I, 94-101): daardoor erkent hij zijn machteloosheid wanneer hij bovenmenselijke krachten moet bekampen (de houding van een mens die “onschuldig” moet lijden).
De grootste schaduwvlek echter die op Aeneas wordt geworpen is zijn vlucht uit Carthago. “Natuurlijk” is het hem opgelegd door Hector en ook de goden hebben er de hand in (cfr. Ilias: Poseidon redt Aeneas van Achilles “omdat hij ergens een nieuw Troje moet stichten”), maar toch schijnt Aeneas zelf aan te voelen dat zijn positie allesbehalve heldhaftig is. Daarom b.v. is zijn verhaal over hun avonturen dat hij aan Dido vertelt zo apologetisch gekleurd. Trouwens dikwijls geeft hij de indruk tegen zijn zin te zijn vertrokken (cfr. I, 94-101: hij zou liever een dappere dood op het slagveld zijn gestorven).
Aeneas voelt zich ook het verlaten godenkind. Maar is hij in feite wel zo verlaten als hij zichzelf voorspiegelt? Ik meen van niet, Venus legt werkelijk een moederlijke bezorgdheid voor de dag, ook al mijdt ze rechtstreekse contacten met haar zoon. Een voorbeeld van die moederlijke bezorgdheid vinden we o.m. in het feit dat ze nog niet gerust is, wanneer Jupiter aan Mercurius de opdracht heeft gegeven om aan Dido te zeggen dat ze de Trojanen goed moet ontvangen, en dat ze daarom Cupido nog laat optreden.
Wat zijn karakter betreft, is Aeneas op de eerste plaats “pius”. Dit strookt als het ware met het streven van Augustus om de oude Romeinse zeden in ere te herstelen. Verder laat Aeneas zich kennen als de leider bij uitstek: hij wil een voorbeeld zijn voor zijn manschappen (cfr.I, 198-207: als is hijzelf erg bedroefd, hij veinst optimistisch te zijn), hij heeft een groot plichtsbesef (hij bouwt overal waar ze aankomen steden in de hoop dat daar zijn “nieuw Troje” zal worden gevestigd), hij is bekommerd om zijn manschappen (b.v. wanneer er twaalf schepen vermist zijn na de stormscène) en dapper in de strijd (b.v. II: wanhopige pogingen om Troje alsnog te redden). Raadselachtig zijn echter zijn (of liever die van Vergilius) opvattingen over het huwelijk: in hoeverre kan men bij zijn verhouding met Dido van liefde spreken? En waarom denkt hij niet meer aan Creusa? En is zijn huwelijk met Lavinia gebaseerd op liefde of op de hoop tot gebiedsuitbreiding?
Als besluit zou ik een vraagteken willen plaatsen. Een vraagteken in die zin dat een antwoord op de vraag: “Is Aeneas wat Vergilius zou willen zijn?” slechts kan worden gegeven door de dichter zelf. Wij kunnen er slechts naar gissen. Opvallens is nochtans de overeenkomst van karakter (“pius”, liefde voor de natuur, de mens… en het beste voorbeeld: nauwgezetheid, cfr. in 19 ondernam Vergilius ondanks zijn wankele gezondheid een reis naar Griekenland en Klein-Azië om zijn Aeneis beter af te werken). En de droom van iedere rechtgeaarde Romein is toch wel eens een groot veldheer te zijn. Dit lag niet in het bereik van de ziekelijke Vergilius. Daarom is het niet uitgesloten dat hij zijn ongrijpbaar verlangen heeft geprojecteerd in een figuur als Aeneas.
“Interessante gedachte,” schrijft De Smet, “waarom niet verder uitgewerkt?”
Interessante opmerking! Waarom krijg ik dan geen punten?
(Lisa Simpson: Rate me! Rate me!)

2 reacties laat een →
  1. Peter Cnop permalink
    15 december 2009 11:46 pm

    Dieper dan Boudewijn de Groot, met eigen tekst dan nog, vond ik niet dat er moest ingegaan worden, Aeneas Nu (een wonderlijke single uit 1968, met het mooie Waterdrager aan de andere kant, ondertussen toegevoegd aan de cd-uitgave van Nacht en Ontij). En vreemd, het zegt ongeveer hetzelfde als jij ;-) Het is nog altijd mijn meest gesmaakte De Groot-nummer, en zowat het beste wat ik ooit in het Nederlands heb gehoord.
    Ik weet niet of de tekst hier copyrightgewijs geciteerd mag worden. Anders kan je hem nalezen op
    “”
    Er was geen eind en geen begin, toen Aeneas werd geboren
    En nu ik aan ‘t zoeken ben, slaan de klokken in de toren
    Het verhaal, voor wie ‘t wil horen, van een eindeloze reis

    Een man veegt scherven bij elkaar en metselt zerken in de grond
    Ik wandel door dit doodsgevaar, omdat ons huis hier vroeger stond
    Maar ik ben vreemd en ongezond op een eindeloze reis

    Ik kom misschien aan een station, door schele bedelaars verwacht
    De laatste trein ontmoet de zon, de avond valt angstwekkend zacht
    En ik ben vreemd en zonder kracht op een eindeloze reis

    En als ik vraag waar ik nu ben, staren mensen achter kragen
    Daar bestraat ver weg van hen, niemand antwoordt op mijn vragen
    Want ik ben vreemd en al vele dagen op een eindeloze reis

    En als iemand mij verwacht, kom ik terug en dan zal blijken
    Het was nooit zoals ik dacht en het zal er nooit op lijken
    Het is vreemd om neer te strijken na een eindeloze reis

    “”

    • 16 december 2009 8:57 am

      Heel mooi, Peter. Ik herinner mij dat nummer nog goed, vooral omdat ik het nu op een verzamelcd heb, maar destijds als b-kant van “Waterdrager”? Was dat dan niet “Als de rook om je hoofd is verdwenen”?

Geef een reactie

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log Out / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log Out / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log Out / Bijwerken )

Verbinden met %s

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.

Join 46 other followers