Skip to content

Films over Noord-Ierland

29 augustus 2009

Inspector George GentlyGisteren voor het eerst naar een aflevering van alweer een (voor mij) nieuwe Britse politieserie “Inspector George Gently” gekeken. Volgens Humo is het een “gestileerde, warme retrodetectivereeks uit 2008, maar gesitueerd in de jaren zestig (oldtimers, maatpakken en natuurlijk de onnavolgbare sixtiesmuziek), met geloofwaardige en messcherpe dialogen”. Dit laatste was alleszins het geval in deze aflevering, waarvan ik veronderstelde dat het de pilootaflevering was, omdat de verhouding tussen het gebruikelijke detectiveduo (Martin Shaw als de oudere, bezadigde George Gently en Lee Ingleby als het wat onbesuisde, jong “wonderknaapje” dat luistert naar de naam John Bacchus) moest nog uitgeklaard worden. Op het internet heb ik gevonden dat het echter niét de pilootfilm betrof (die heet gewoon “George Gently” en is uit 2007) maar wel de eerste aflevering van de serie. De aflevering heette “The burning man” en ging voornamelijk over de I.R.A. en de rol van de Britse geheime dienst in de wapentrafiek naar Noord-Ierland. Het is natuurlijk niet de eerste keer dat hierover een film (of een aflevering van een serie) werd gedraaid, daarom volgt hieronder een (uiteraard onvolledig) overzicht.

Laat ik beginnen met “Cal” van Pat O’Connor. Cal (John Lynch) is een katholieke jongen die samen met zijn vader in een overwegend protestantse buurt in Ulster woont. Als hij als chauffeur medeplichtig is aan de moord op een protestants politieman, rest hem een uitzichtloze toekomst, waarvoor hij soelaas zoekt bij de weduwe van het slachtoffer (Helen Mirren, die hiervoor de prijs kreeg van de beste vrouwelijke vertolking op het Festival van Cannes). Zij was immers in een verstikkende gezinssituatie terechtgekomen, terwijl Cal haar opnieuw vrouw laat zijn. Voor O’Connor was het zijn debuut, nadat hij tot hiertoe vooral politieke documentaires had gedraaid.
Een andere film over Ierland was “The crying game” van Neil Jordan, die zeer terecht de oscar voor het beste oorspronkelijk scenario (van Jordan zelf) kreeg. Helaas werd de nominatie als beste film en beste regie en voor Stephen Rea als beste acteur echter niet in een bekroning omgezet. Deze film over dat “niets is wat het lijkt” is immers “fucking brilliant”, zoals Walter Ceuppens zou zeggen. Stephen Rea speelt een zachtaardige IRA-militant, die omwille van zijn vriendschap met de gegijzelde soldaat Forest Whitaker in ongenade valt. Toch kan hij niet voorkomen dat Whitaker wordt gedood (door Britse soldaten, zij het per ongeluk) en hij houdt zijn belofte om in Londen diens liefje Dil (Jaye Davidson) te gaan opzoeken. Oorspronkelijk dacht ik dat deze Jaye een meisje was, zodat er voor bepaalde scènes blijkbaar een stand-in werd gebruikt, maar in “Stargate” (1994) speelt hij King Ra. Het is dus wel degelijk een man.
Op muzikaal vlak wordt de dubbelzinnigheid ook behouden. Zo zingt Dil op een bepaald moment in de film de titelsong en dan blijkt ze Kate Robbins na te lippen. Maar op de aftiteling is het dan toch weer de versie van Boy George… Ook de originele versie van Dave Berry is ergens te horen, terwijl “When a man loves a woman” en “Stand by your man” eveneens zinvol worden aangewend.
De harde IRA-militanten Miranda Richardson en Adrian Dunbar zorgen voor een min of meer gewelddadig einde (filmisch valt het eigenlijk allemaal wel mee, zeker als we ondertussen aan Tarantino gewend geraakt zijn) en dus ook voor het feit dat deze film bij IRA-sympathisanten maar matig enthousiast is ontvangen. Maar Michael Jordan is dus wel degelijk helemaal terug na zijn twee geflopte Hollywood-“komedies”, “High Spirits” en “We’re no angels”.
The troubles, zo heet men in Noord‑Ierland het politieke conflict dat al een kwarteeuw woedt en zich inmiddels al even fel keert tegen de eigen mensen (Irish Republican Army versus Ulster Freedom Fighters of katholiek versus protestant) als tegen de Britten. Een benaming, waarmee de inwoners hun burgeroorlog lijken te minimaliseren, maar die anderzijds ook wijst op de troeblerende invloed van het
conflict op de menselijke conditie van de Noord‑leren.
Meer dan politieke journalisten slagen filmregisseurs erin dit laatste aspect te beklemtonen. IRA‑films brengen nooit een ragfijne politieke ontleding van het conflict. De burgeroorlog is in het filmlandschap aanwezig in de beelden van brandende auto’s, vernielde huizen, prikkeldraad of patrouillerende Britse soldaten. Maar deze uitingen van nationale malaise stralen al vlug een psychologische dimensie uit.
In de films over Noord‑Ierland krijgt de confrontatie tussen IRA en UFF greep op de personages als een
vergeldingsoorlog, waaraan niemand, hoe passief ook, ontsnapt, omdat de gewelddaden op het privéleven te goor zijn om er psychologisch niet door getekend te worden. De politieke malaise van Ulster wordt uitvergroot tot de psychologische, vaak seksuele ontreddering van mensen, die zowel door hun tegen‑ als medestanders bespied of gemanipuleerd, laat staan gemolesteerd worden.
Wat het filmgenre betreft, zijn films over de Noord-Ierse kwestie dan ook zelden zuiver politieke pamfletten, maar veeleer duistere film noirs. De enige cineast die een onvervalste politieke thriller over Ulster draalde, was outsider Kenneth Loach. Met “Hidden Agenda” (1990) leverde hij een Britse versie van Costa‑Gavras’ “Z” af. Maar deze scherpe aanklacht tegen de onwettige methodes van de Britse overheid bij de bestraffing van IRA‑leden mondt uiteindelijk uit in een ruimer complot van de geheime diensten MI 5 en MI 6 om Labour politiek te wippen en Thatcher in het zadel te hijsen.
Wat bij Loach in Ulster start, waait al vlug de lerse zee over, richting Londen. De strijd voor de mensenrechten in Belfast vormt in “Hidden Agenda” slechts een onderdeel van een algemene aanklacht tegen de verloedering van de Britse democratie. Het conflict in Noord‑Ierland is voor Loach maar een kleine uitwas van de lepravlek in de Britse politieke kringen.
Hetzelfde (maar anders) kunnen we zeggen van “The devil’s own” (1997) van Alan J.Pakula. Hier verplaatst de actie zich naar de VS en, alhoewel het troublerende karakter behouden blijft, komt er daardoor ook meer de typisch Amerikaanse explosies, shootdowns en carchases bij te pas. Of het nu over Noord-Ierland gaat of over Marsmannetjes, eigenlijk draaien Amerikanen nog steeds westerns.
In tegenstelling tot de Britse Ken Loach en de Amerikaanse Alan J.Pakula ervaren lerse regisseurs zoals Pat O’Connor en Neil Jordan de Ierse kwestie wel als een megastructuur, die inwerkt op de inwoners en hun relaties. O’Connors “Cal” (1984) en “Fools of Fortune” (1990) of Jordans “Angel” (1982) en “The crying game” (1992) stellen de vraag niet naar het gelijk of ongelijk van de Ierse oorlog, maar tonen er de particuliere ontreddering van. Waar Loach het filmpubliek wil overtuigen van de rechtvaardigheid van de Ierse strijd, wijzen O’Connor en jordan op de uitzichtloosheid. Het persoonlijke leven van de katholieke Ieren zit al zolang verstrengeld met het politieke geweld van het grauwe Belfast, dat de inwoners zich maatschappelijk en privé als terroristen gedragen. Elke vorm van communicatie
wordt argwanend bekeken. Vanuit die hoek beklemtonen de IRA‑films de meest afstotelijke kant van de oorlog.
In “Angel” en “Fools of Fortune” benaderen de personages elkaar op een brutale, gewetenloze manier. Zowel in “Cal” als in “The crying game” wordt de situatie van de IRA‑militant psychologisch onleefbaar, omdat het terrorisme hem in een isolement dringt en hij geen enkele uitlaatklep heeft voor zijn trauma’s over de aangewende geweldmethodes. Beide hoofdpersonages zijn trouwens schuchtere, introverte types, die door hun onmondigheid gemakkelijk meegeslokt worden in de geweldspiraal. Jordan accentueert dit aspect van communicatieloosheid door IRA‑lid Fergus uit “The Crying Game” de regels onverwachts te laten overtreden; hij neemt de kap van de gevangen Britse militair af en raakt al pratend met hem bevriend. Communicatie leidt tot begrip, maar in de lerse kwestie is er geen plaats voor een gespreksronde… In dit politieke klimaat van haat en wraak kunnen ware gevoelens van liefde en vriendschap trouwens nooit het daglicht halen.
De hoofdpersonages uit “Cal” en “The crying game” pogen aan de wurgende geweldcycloon te ontsnappen door een liefdesrelatie aan te knopen met de weduwe van hun slachtoffer. Al overspant hun door schuldgevoelens ingegeven hartstocht geleidelijk een bredere gevoelsmarge, uit hun opgejaagdheid worden deze IRA‑afvalligen niet bevrijd, want het IRA blijft hen onder druk zetten om allerlei moorddadige klussen op te knappen. Het blijven trouwens duistere love-stories, waarin de volledige waarheid nooit kan onthuld worden en het gewelddadig verleden traumatisch blijft inwerken. In “The crying game” blijft de dode soldaat in terugkerende dromen verschijnen. In “Cal” doorsnijdt cineast O’Connor de liefdesscène met beelden van de moordaanslag. Politieke motieven en privé‑gevoelens vallen samen tot één wereld van frustraties en gekwelde emoties.
“The crying game” drukt deze thesis het sterkst door. De politieke verwarring rond de gijzelingsactie uit de proloog, glijdt geleidelijk over naar een klimaat van seksuele verwarring. De valstrik, die het IRA de Britse soldaat in Belfast spant, keert zich in het tweede deel van de film in Londen tegen het IRA‑lid Fergus zelf, die alsmaar dieper in een onmogelijke liefdesrelatie verstrikt geraakt. Politiek en seksualiteit zijn voor Jordan parallelle werelden, met dezelfde valkuilen, geheimen en communicatiestoornissen. Zoals de katholieken in Belfast door de Britten als vreemden behandeld worden in de met prikkeldraad omspande stadswijken, zo voelen de personages uit “The crying game” zich vreemden in hun seksuele beleving. Terwijl Fergus zijn geliefde transformeert naar het beeld van zijn slachtoffer, raken ook de androgyne IRA‑militante Jude en de transseksuele nachtclubzangeres Dil verstrikt tussen vrouwelijkheid en mannelijkheid.
Deze combinatie burgeroorlog van oerangsten met seksuele impulsen, verleent de IRA‑films een mythische dimensie. Met een sterke impact van de muziek op de innerlijke groei van de personages (Mark Knopfler schreef de score van “Cal”, Jordan is zelf muzikant). In “Angel” citeert het hoofdpersonage Danny Shakespeare om zijn gevoelens uit te drukken, in “The crying game” vertellen Fergus en zijn gijzelaar elkaar parabels over de betekenis van het leven.
In Jordans fatalistische thrillers houden de figuren het midden tussen Oedipus en Orpheus; in hun drang om aan het IRA te ontsnappen lopen ze blindelings hun lot tegemoet zoals Oedipus; zoals Orpheus maken ze een muzikale reis door de onderwereld, die hen moet confronteren met hun diepste ik. In “Angel” verbindt Jordan de Orpheusmythe en de burgeroorlog tot een beklijvend beeld. Danny speelt sax, maar wanneer hij een machinegeweer vindt, monteert hij het op dezelfde manier als zijn muziekinstrument en draagt hij het in dezelfde tas. Voor Jordan zijn saxofoon en geweer elkaars gelijken: de vorm en zelfs de klanken zijn dezelfde. Alleen speelt de eerste hemelse muziek, terwijl het tweede duivels geweld huldigt.
Spiegels van de situatie van de katholieken in Ulster, worden de IRA‑films gedomineerd door een katholieke iconografie. Ooit draaide Carol Reed “Odd man out” (1947) over een IRA‑lid op de vlucht, naar een roman van Graham Greene. Greenes getormenteerde wereld van schuld en boete, vergiffenis en genade leeft ook in de latere IRA‑films door. In “Cal”, “Fools of Fortune” en “The Crying Game” zoeken de personages genade in een liefdesrelatie met iemand uit het vijandige kamp, maar blijven de
bloedstriemen van het verleden in hun geheugen gegrift.
In “Angel” houdt Danny één van zijn slachtoffers in een piéta‑houding vast. In “A prayer for the dying” (Mike Hodges, 1987), een meer commercieel opgezette productie met Mickey Rourke als berouwvol IRA‑militant, spelen het katholieke begrafenisritueel en de kruisdood een markante
rol in het verhaal.
Door deze mengeling van katholieke, mythische en Freudiaanse motieven profileren de IRA‑films zich als een genre apart: duistere thrillers, waarin de stollende geweldscènes een intense diepgang meekrijgen. Zonder echt politieke films te zijn, geven ze door hun combinatie van godsdienst en geweld de kern van het conflict in Noord‑Ierland weer. Mickey Rourke zei op persconferentie over “Francesco” (1989) dat hij zijn gage van twee miljoen dollar integraal aan het IRA schonk. Later sprak hij dit tegen.
“Michael Collins” van Neil Jordan heeft Liam Neeson in de titelrol en Alan Rickman als Eamon De Valera, eerst zijn bondgenoot en later zijn doodsvijand. Het is de lievelingsfilm van Bart De Wever: «Ik heb een fascinatie voor de dood, voor de manier van sterven. Ik betrap mezelf erop dat ik veel belangstelling heb voor politici die niet in hun bed gestorven zijn. Zoals Michael Collins. (…) Wat heel mooi in die film zit, is wat het voor zo’n nationalistische beweging betekent om te onderhandelen, compromissen te sluiten. Zo’n vergelijk moet worden verkocht, sommigen pikken dat dan niet, willen het volle pond, scheuren zich af, gaan in het verzet. Die Ierse geschiedenis is echt met tranen geschreven. Michael Collins werd naar Londen gestuurd juist omdat hij de radicaalste was, kwam dan thuis met een compromis, zijn strijdgenoot De Valera schoot dat af, Collins werd vermoord. En wie werd er president van de Ierse Republiek, gesticht op het bloed van Collins? Juist: De Valera! Een absoluut tragisch verhaal. (En daarom raadde Bart de film ook aan aan Elio Di Rupo.) Verdorie, was dat een slecht idee! (…) Wie kon nu denken dat hij dat dezelfde avond nog ging doen! De volgende dag kwam hij binnen: ‘Ils tuent pas mal de gens, ein, ces nationalistes!‘ Heel grappig moment. (…) Maar nu zegt Di Rupo dus in interviews dat voor een nationalist élk compromis een beetje verraad is: dat heeft hij verdorie uit die film. Ik had beter gezwegen.» (Humo, 21 december 2010)
Hoe dan ook na zijn eigen “The crying game” luidde Jordan hiermee een kleine rage in van films over Noord-Ierland met naast “Nothing personal” van Thaddeus O’Sullivan (met Ian Hart) ook “Some mother’s son” van Terry George. Dit behandelt de Noord-Ierse kwestie vanuit het standpunt van twee moeders (Helen Mirren en Fionnula Flanagan) die geconfronteerd worden met de hongerstaking van hun zonen (Aidan Gillen en David O’Hara). John Lynch speelt Bobby Sands in dit scenario van Jim Sheridan (“In the name of the father”). De film kreeg de publieksprijs in Gent.
Maar er worden gelukkig ook nog andere films gedraaid over (Noord-)Ierland. “The Van” van Stephen Frears b.v. is het derde deel van de Barrytown-trilogie van Roddy Doyle (na “The Commitments”, die evenwel werd verfilmd door Alan Parker, en “The snapper”, wel van Stephen Frears).

Ronny De Schepper, maar voornamelijk gebaseerd op Dirk Michiels (Film en Televisie)

About these ads
No comments yet

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

Doe mee met 1.554 andere volgers

%d bloggers op de volgende wijze: