Spring naar inhoud

“L’homme écrit pour être aimé, la femme pour être libre” (Marina Bianchi)

2 oktober 2008

In 1996 sleepte de actrice Pascale Roze de Prix Goncourt in de wacht. De Afrikaanse Calixthe Beyala kreeg de Grand Prix de l’Académie Française. De Prix de Médicis was voor de Belgische Jacqueline Harpman en, last but not least, de Prix Femina zelf ging naar Geneviève Brisac.
Een jaar later waren (ongetwijfeld niet toevallig) 40 procent van de romans bij de grote Franse uitgeverijen geschreven door vrouwen. Dat was dubbel zoveel als tien jaar daarvoor. De reden daarvoor is wellicht te zoeken bij – u had het al geraden – mercantilistische motieven. De gemiddelde lezer is immers een lezeres en daarom zijn uitgevers stilaan tot de overtuiging gekomen dat die misschien ook wel het best bediend worden door vrouwen.
“Vijfenzestig à zeventig procent van de leden zijn vrouwen,” zegt Renée Swaalf van de ECI-boekenclub aan Marijke Arijs in de Standaard der Letteren van 25/12/1998, “en dat heeft consequenties voor het aanbod. De algemene romans blijven een belangrijke plaats innemen, maar we groeien in hedendaagse literatuur, die meer door jongere vrouwen wordt gelezen.”
Want er zijn inderdaad “mannenboeken” en “vrouwenboeken”?
Zo zit het nu eenmaal in elkaar. Daar hoef je niet kinderachtig over te doen. Al heb je ook auteurs, zoals John Grisham, die de beide geslachten in gelijke mate aanspreken. Bij de klassieke literaire werken zien we geen significante verschillen. Wel is er een algemene trend naar meer kwaliteit. Romantische fictie spreekt vooral oudere vrouwen aan en is op haar retour. Jongere vrouwen zijn hoger opgeleid en gaan steeds meer intellectuele boeken lezen.”
Al dient dit helaas meteen ook weer gerelativeerd…
Die toename zit vooral in (…) boeken over spiritualiteit, psychologie, zelfhulp en persoonlijkheidsontwikkeling.
Haar Vlaamse collega Marie-Jeanne De Visscher ziet trouwens zelfs bij die jongere vrouwen “weer een verschuiving naar romantische fictie. Zijn die twintigers een product van de soapcultuur, heeft het iets te maken met een fin de siècle-gevoel of willen ze vluchten uit een wereld die almaar harder en veeleisender wordt? Wie zal het zeggen?

Maar waar komen die schrijfsters dan allemaal plotseling vandààn? “The continuing parlous state of women,” zegt Fay Weldon in The Sunday Times van 28/2/1999, “is because women like to have children. The only way a woman can have as good a time as a man (which today is not saying much) is by actively not having children.”
In het slechtste geval (de Amerikaanse detectiveschrijfster Karen Sturges b.v.) wenden ze zich dan in hun vrije tijd naar de lessen “creative writing”, maar er zijn er gelukkig ook andere…
VROUWVIJANDIG OF JUIST NIET?
De literatuur is in het verleden nochtans eerder gekenmerkt geweest door een vrouwvijandig klimaat. Denken we maar aan de reeds genoemde Prix Goncourt b.v. De misogynie van zijn stichters getrouw, duurde het veertig jaar voor een vrouw met de prijs werd bedacht (Elsa Triolet) en pas in 1945 veroverde Colette als eerste vrouw een zitje in de Académie Goncourt. Ongetwijfeld was Joris-Karl Huysmans (“Pas de jupons chez nous!”) toen reeds overleden. Zelfs nu zijn amper drie van de tien juryleden vrouwen. In de Académie Française zou het zelfs tot 1980 duren vooraleer de eerste vrouw (Marguerite Yourcenar, 1903-1987) werd toegelaten! Vandaar trouwens dat de Prix Fémina werd ingesteld. Maar al vlug gingen ook daar de mannen met de meerderheid van de prijzen lopen.
Schrijfsters als Georges Sand of George Eliot maten zich daarom zelfs een mannennaam aan om ernstig genomen te worden. Daar hadden de vrouwelijke schrijfsters echter zelf ook schuld aan. In “Silly Novels by Lady Novelists” rekent George Eliot b.v. af met sentimentele kwezels die vrouwelijke auteurs een slechte naam bezorgen.
Tegelijk is dit echter ook het bewijs dat literatuur altijd al één van de kunsten is geweest waarin de vrouwen tamelijk goed aan bod konden komen. En dat al van in de vroege oudheid. Zo is er in de zevende eeuw voor Christus reeds de liefdespoëzie van Sappho uit Lesbos. Aangezien de erotiek van deze meesteres aan het hoofd van een salon waar jonge adellijke meisjes tot het huwelijk werden opgeleid, zich vooral op haar leerlingen richt (al was ze zelf ook gehuwd met een koopman en had ze een dochtertje, Kleïs), denkt men bij Lesbos onmiddellijk aan het centrum van de lesbische literatuur, maar het dient gezegd dat het in die tijd het culturele centrum als zodanig was.
Toch ging haar grote liefde vooral uit naar haar leerlingen, zodat de bisschop van Constantinopel in 380 haar werk op de brandstapel deed gooien. In 1073 stak paus Gregorius dan nogmaals de vlam aan wat de eerste aanslag had overleefd. Dat maakt dat slechts een tiental gedichten tot ons zijn gekomen. Pierre Louÿs schreef er dan nog maar een aantal bij, maar zijn bedrog (“Bilitis”) werd vlug doorzien. Zijn gedichten werden o.m. getoonzet door Claude Debussy, die van Sappho zelf door Angélique Ionatos, die ze in 1991 ook op CD uitbracht als “Sappho de Mytilène”. Homoseksualiteit was heel gewoon in het oude Griekenland, maar dan wel mannelijke homoseksualiteit en vooral dan nog t.o.v. slaven, zodat van “wederzijdse instemming” moeilijk sprake kon zijn. Vrouwen stonden nauwelijks een trapje hoger dan slaven, ook zij moesten helemaal ten dienste staan van de heren der schepping. Vandaar dat lesbianisme toch als een “afwijking” werd beschouwd.
Dat poëzie “vrouwelijk” is, zal wel niemand betwisten (in de VS voert Emily Dickinson de bestsellerslijst aan op dit vlak vóór Sylvia Plath), maar het is zeer merkwaardig dat ook de roman op de eerste plaats in verband wordt gebracht met de vrouw. In onze mannenwereld heeft dit misschien een negatieve bijklank als zijnde de consumenten van goedkope pulp, maar dit is totaal ten onrechte aangezien de vrouwen werkelijk aan de wieg stonden van de literaire vormgeving van het genre. Op mondiaal vlak beschouwt men immers “Makura no soshi” (het “hoofdkussenboek”) als de eerste roman (een makura is een houten neksteun die Japanse vrouwen gebruikten om hun kapsel bij het slapen niet te verknoeien; in een lade hiervan verborg men dagboekaantekeningen). Dit geschrift van de Japanse courtisane Sei Shonagon dateert van 996 (het origineel is echter verloren gegaan, men beschikt enkel over kopieën van 500 jaar later) en is vooral in het nieuws gekomen door de verfilming, precies duizend jaar later, door Peter Greenaway.
Shonagon was zeker geen unicum, uit dezelfde periode dateren immers nog twee vrouwenteksten die hetzelfde beeld geven van verfijnde zeden en gebruiken, ook en vooral op erotisch vlak, onder de Heian-dynastie, om precies te zijn onder keizerin Sadako. Die werken ademen de typische decadente sfeer uit van een beschaving die haar ondergang nadert, vandaar misschien de heropleving duizend jaar later? Het is zelfs niet denkbeeldig dat ook onze beschaving zal worden weggeveegd door een macho-cultuur als de samoeraï’s met de Heian-cultuur deden. Dat wil anderzijds nu ook weer niet zeggen dat daarvóór de vrouwen heer en meester waren. Zo was het hen b.v. verboden Chinese beeldkarakters te lezen. Daarom ontwikkelden ze het Hiragana, een vereenvoudigd, fonetisch schrift.
In Europa is er in de twaalfde eeuw de figuur van Hildegard von Bingen (1098-1179), de oudste gekende vrouwelijke componist, maar ook een dichteres, wetenschapsvrouw, theologe, abdis en mystica (*). Haar visioenen leverden haar bijna een heiligverklaring op en de bijnaam “Sybille van de Rijn”. Als tiende kind van een welstellende familie werd ze op achtjarige leeftijd aan een klooster “geschonken”, wellicht omdat ze een zwakke gezondheid had. Dit, gekoppeld aan deze traumatische ervaring, zorgen al heel vroeg voor “visioenen”. Gebundeld in een boek, “Scivias” genaamd, vindt ze een verdediger in Bernardus van Clairvaux, waardoor paus Eugenius III in Trier haar aanmoedigt op de ingeslagen weg verder te gaan. Voor hetzelfde geld had hij haar natuurlijk ook tot de brandstapel kunnen veroordelen. Dat was in die tijd altijd een dubbeltje op z’n kant. Zeker als men rekent dat ze vaak van leer trok tegen de wereldse praktijken van de geestelijkheid. Ze keert zich zelfs tegen haar vroegere verdediger Bernardus van Clairvaux als deze de tweede kruistocht goedkeurt. Maar anderzijds was ze een heftige tegenstandster van de keizer en dat werd door de pausen altijd graag gezien natuurlijk. Net voor ze sterft, komt het dan toch tot een conflict als ze een geëxcommuniceerde revolutionaire edelman in gewijde grond begraaft. Volgens haar heeft hij op zijn sterfbed berouw getoond. Uiteindelijk geven de autoriteiten toe. Ze is ook de auteur van het oudste gekende “morality play”, “Ordo Virtutem”.
Vanaf de twaalfde eeuw krijgen we dus een opleving van mystieke lyriek waarin vooral vrouwen uitblonken, die in “jardins clos” leefden met uitsluitend vrouwen. Als vanzelf ontwikkelden er zich binnen die gemeenschappen “speciale vriendschappen”. Dat gebeurde uiteraard ook binnen kloosters zoals die tussen Hildegard von Bingen en haar vriendin Richardis. Nu is mystiek altijd al een beetje doorweven van erotiek, net zoals flagellantisme niet los te koppelen is van sadomasochisme (Abelardus b.v., om niet al te zeer te doen opvallen dat hij met zijn leerlinge Eloïse een verhouding had, gaf haar af en toe een flink pak slaag. “Deze vorm van liefde overtrof in genot alle andere vormen,” schrijft hij). De poëzie van deze vrouwen, waarin Christus hen ‘s nachts bezoekt en hen “doorwondt met zijn speer” laat echter nog nauwelijks wat aan de fantasie over. Niet te verwonderen overigens in een tijd waarin van vrouwelijke seksualiteit omzeggens geen sprake was. Vrouwen dienden enkel maar om de mannelijke lusten te stillen en om kinderen voort te brengen. Punt aan de lijn. Deze vrouwen weken daar heel doelbewust van af, maar een leven van kuisheid en onthouding prikkelt de fantasie dan misschien zelfs nog meer. Bovendien ging dit rechtstreeks terug op een interpretatie van het expliciet erotische Hooglied in de Bijbel, namelijk door dit als een “mystiek” huwelijk tussen God en de Mensheid te zien. De zogenaamde gevoelsmystiek (die tegenover de meer “mannelijke” speculatieve mystiek staat van een Meister Eckhart en zijn leerling Heinrich Suso b.v.) is dan ook bijna een uitsluitend vrouwelijke aangelegenheid met de Duitse nonnen Mechthild von Magdeburg (ca.1207-ca.1282) en Mechtild von Hackeborn (ca.1241-1299) op kop. “Bijna uitsluitend” zeg ik, want hun inspiratiebron was toch wel degelijk een man, met name de reeds genoemde Cisterciënzer Bernardus van Clairvaux (1091-1153) die met zijn symbolisch-mystieke verklaring van het Hooglied als een bruidsallegorie van de ziel en Christus een gevoelige snaar had geraakt. De man is er overigens heilig voor verklaard…
Nog in Brabant, maar dan reeds in het midden van de 13de eeuw, vinden we binnen de “exemplarische” begijnenbeweging (begijnen legden wel een gelofte van armoede en gehoorzaamheid af, maar niet van kuisheid) vrouwen terug als Beatrijs van Nazareth (“Van seven manieren van minnen”) of Hadewijch (“Alle dinge syn mi te inge”). De begijnenbeweging gaat eigenlijk terug op de kruistochten. Er waren vele weduwen, er was een groot vrouwenoverschot en deze vrouwen mochten niet hertrouwen. Ook jonge vrouwen vonden vaak geen man. Zelfs de gegoede vrouwen of de dames van adel vonden geen partner, aangezien ze niet onder hun stand mochten huwen. Dan bleven er eigenlijk maar twee opties meer over: in het klooster gaan of bij hun familie blijven wonen. Als ook de familie wegviel en men wou niet in het klooster gaan, bleef er niets anders over dan alleen te gaan wonen, ook al deden tot dan toe enkel vrouwen van lichte zeden dat. Om zich daarvan te onderscheiden en om elkaar te steunen, gingen die vrouwen in elkaars buurt wonen, meestal aan de rand van de stad, en namen ze de regels van een soort van religieuze orde aan (zij het niet de gelofte van armoede, aangezien vele vrouwen dus van gegoede afkomst waren en hun bezittingen binnen de familie moesten blijven). Ook droegen ze een eenvormige kledij, die stilaan de vorm aannam van een soort habijt.
In het begin mocht dat niet baten: de kerk keek met misprijzen neer op deze vrouwen. Ze werden gedwongen een ommuring rond hun huisjes te plaatsen met een poort die ’s nachts op slot kon. Daar dit ook bijdroeg tot hun bescherming, hadden de begijnen hiertegen geen bezwaar. Toch was dit allemaal nog niet goed genoeg. De paus zocht een stok om een hond te slaan en vond die, zoals gebruikelijk, in de bijbel: ze werden aangewreven dat ze de bijbel op een eigen manier interpreteerden en uiteindelijk werden ze verboden. Hier in onze streken konden ze echter blijven bestaan omdat zowel de hertogen van Brabant als de graven van Vlaanderen hen in bescherming hadden genomen.
Van Hadewijch bezitten we 45 strofische gedichten in de traditie van de hoofse minnelyriek met b.v. een inleidend natuurtafereel, 16 mengel- of rijmdichten, 14 vizioenen (o.a. met de “Lijst der volmaakten”) en een dertigtal brieven, haar rijpste werk. Hierin komt ook haar drievuldigheidsmystiek of trinitarisme tot uiting, die een weerspiegeling vindt in memorie-wil-rede. Zij behoorde dan ook meer tot de affectieve richting van de heilige Bernardus i.p.v. de speculatieve richting vertegenwoordigd door Abelardus. Haar “vizioenen” zijn wellicht geschreven voor haar biechtvader of anders voor “vrome vrouwen”.
Haar werk werd door Snellaert en Mone ontdekt in 1838, maar haar naam is pas bekend sedert 1857 (nl. door de ontdekking van de lijst van Dietse boeken van het Roklooster). Oorspronkelijk dacht men haar te kunnen identificeren als een abdis van adellijke afkomst uit de streek van Nijvel, maar buiten de naam (die toen zeer verspreid was) is daar niks van aan. Nadien dacht K.Ruelens dat het Hadewijch Bloemardinne betrof, maar ook dat is verkeerd, want uit bepaalde tekstfragmenten blijkt dat haar werk vroeger te situeren is (zij spreekt b.v. nog over de communie in twee gedaanten, wat ten tijde van Bloemardinne, overgang 13de-14de eeuw, al niet meer gebruikelijk was). Het waren de romantische dichters Jacob Heremans en Karel Ledeganck die voor een eerste uitgave van haar strofische gedichten zorgden (in 1875). In deze eeuw kwam dan ook meer de verbondenheid tussen het erotische en het religieuze aan bod, zoals in “O, allerliefst lichaam…” van Peter Bot (Kok Agora/Pelckmans, 1998).
In Frankrijk was ondertussen Christine de Pisan (1364-1430) actief geweest. Al eindigde ook zij in een klooster (vanaf 1413) dan was dat toch pas na een leven waarin zij moedig haar eigen boontjes had gedoopt, nadat haar man, een raadgever van Karel VI, reeds in 1389 was gestorven en haar achterliet met drie kinderen en een hoop schulden, waarvan zij geen vermoeden had gehad. Haar verzet tegen de schuldeisers precies op basis van het feit dat zij daaraan hoegenaamd geen schuld had, inspireerde haar o.m. tot het schrijven van “La cité des dames” (1405), een ballade, waarin alle belangrijke, heldhaftige en deugdzame vrouwen die de geschiedenis tot dan tot had voortgebracht de revue passeren. Ze ging ook een polemiek aan met Jean de Meung, die een aanvulling had geschreven op “Le Roman de la Rose”, waarin hij o.a. het standpunt verkondigde dat vrouwen enkel geschapen waren om de mannelijke driften te verdedigen (**). Johan Huizinga merkt in zijn “Herfsttij der Middeleeuwen” op dat deze polemiek eigenlijk de scharnier vormt van de overgang van de voorhoofse naar de hoofse literatuur.
Daarna was er Louise Labé, o.m. met literaire salons waarop het intellectuele kruim uit haar omgeving zich verzamelde. Dat leverde haar van Calvin overigens de eretitel “vulgaire hoer” op. Misschien had dat ook wel te maken met het feit dat ze in haar sonnetten op een voor die tijd vrij ongebruikelijke open wijze uiting gaf aan haar zinnelijk verlangen (zonder dat men het evenwel “erotische” sonnetten zou kunnen noemen). Op basis van haar werk meende o.a. Willem Jonckbloet te moeten besluiten dat ook Anna Bijns nog een uitvloeisel was van de mystieke beweging (via acrosticha is veel van haar werk opgedragen aan ene Bonaventura, vermoedelijk haar biechtvader) of erger nog, dat ze gewoonweg een prostituée was, maar dat is zonder twijfel een vergissing. Anna Bijns is veeleer een zuiver product van de tijd van de Rederijkers.
ROMANTIEK
Toch waren dit allemaal nog eerder uitzonderingen de opkomst van de vrouwenliteratuur situeert zich eerder in de romantiek. De vrouw streefde naar activiteiten buiten het huishoudelijke en romans schrijven diende zich dan aan als een “natuurlijke” uitlaatklep. De roman is immers als het ware van onderaan in de literatuur doorgedrongen, die op de eerste plaats gelijk werd gesteld met poëzie. Op die manier waren de eerste romanschrijvers zelf ook vaak een soort van underdogs. Vandaar dat dit genre zichzelf “aanbood” voor vrouwen, aangezien die in de maatschappij en zeker in de kunst (denk aan het totaal ontbreken van vrouwelijke componisten of schilders in die tijd) ook in de rol van “underdogs” waren gedwongen.
Inhoudelijk waren het vaak griezelverhalen (zie aldaar), qua vorm kozen zij vaak voor de briefroman, omdat zij meer aandacht hadden voor het alledaagse, het gewone, het anecdotische. Zo verscheen bij ons in 1782 (in hetzelfde jaar als die andere briefroman “Les Liaisons Dangereuses” van Choderlos de Laclos) “Sara Burgerhart” van Betje Wolff en Aagje Deken. Toch dient te worden toegegeven dat zowel in Engeland (Samuel Richardson met “Pamela or Virtue Rewarded” uit 1740) als in Frankrijk (Jean-Jacques Rousseau met “Julie ou la nouvelle Héloïse” uit 1761) mannen aan de oorsprong lagen van het genre. Maar misschien niet toevallig zijn het toch “vrouwenromans”, wat het onderwerp aangaat.
In diezelfde optiek, blonken vrouwen vooral uit in de psychologische roman. “Sara Burgerhart” b.v. is de eerste psychologische roman in de Nederlandse literatuur (in de wereldliteratuur: “La princesse de Clèves” van Mme de Lafayette, 1634-1693). Het is ook een strekkingsroman (“emancipatie” in die zin dat het een pleidooi is voor de zelfstandige keuze van een huwelijkspartner) met een perfect samengaan van gevoel (Aagje Deken) en rede (Betje Wolff).
Een andere specialiteit voor vrouwelijke auteurs is de zedenroman met als boegbeeld Jane Austen (1775-1817).
HORROR
Misschien komt het door de combinatie van gruwel en sentimentaliteit in een tijd dat de vrouwen doorgaans nog niet over een eigen partnerkeuze mochten beslissen, zodat zij tussen deze twee polen heen en weer werden geslingerd, maar het is alleszins merkwaardig dat het horrorgenre veel succes had bij schrijfsters. Naast Mrs.Shelley (“Frankenstein”, 1818) is ook Mrs.Ann Radcliffe een bekende naam en Jane Webb schreef met “The Mummy” in 1827 eveneens een klassieker. Zelfs grote namen uit de wereldliteratuur, zoals de gezusters Brontë kunnen niet helemaal los gezien worden van deze traditie (“Woeste hoogten” bv.). In “De nachtzuster” (Amsterdam, Wereldbibliotheek, 1990, 436 blz.) werden zelfs exclusief spookverhalen door vrouwen geschreven samengebracht. Ook hier schrijft Renate Dorrestein in de inleiding dat de vrouwelijke obsessie voor griezelverhalen wellicht afkomstig is uit de maatschappelijke onmondigheid die een patriarchale samenleving hen oplegde. Op die manier konden ze gestalte geven aan hun angst of zelfs hun protest tegen de begrenzingen van hun eigen leven. Vandaar dat de verhalen doordrongen zijn van een verstikkende sfeer en een irrationele dreiging. Vervolging, opsluiting, eenzaamheid, verdriet om een onvervulde liefde of een verloren kind zijn dan ook constanten, later aangevuld door verdrongen erotiek (bv. in “Arm kind” van Elizabeth Taylor en “De dame en de eenhoorn” van Sara Maitland).
Meestal zijn de personages zelf ook vrouwen, maar niet altijd zoals “Frankenstein” en ook “De open deur” van Margaret Oliphant (beschouwd als oudste en ook wel als beste spookverhaal) bewijzen. De titel “De nachtzuster” zelf is ontleend aan het verhaal van Edith Olivier, zowat het prototype van het gotische verhaal: een door moord behekst huis met een belaagde heldin die gevangen zit tussen het “gewone” leven en dat “van de andere kant”. Die heldin is, zoals de titel laat vermoeden, een verpleegster, net zoals in “De schimmige derde” van Ellen Glasgow. Niet enkel krijgen we hiermee een realistisch trekje (het was samen met onderwijzeres of gouvernante één van de weinige jobs die voor vrouwen toegankelijk waren), bovendien zit het angstaanjagende hem ook in de dualiteit, want een verpleegster is zowel een zorgzame “moeder” als een wraakengel waartegenover men totaal machteloos staat, zoals ook uit de “nursing”-variant van SM blijkt. Ook Alison Lurie schreef op haar eentje een bundel “Women & Ghosts” (Heinemann, 1994, 182 blz.), maar alhoewel in elk verhaal een geest optreedt, horen deze eigenlijk toch niet in het griezelgenre thuis.
Een ander vaak terugkerend aspect van een gothic novel is het optreden van een medium. Mediums zijn meestal vrouwen. Dat wordt dan uitgelegd omdat het om het wegcijferen van het intellect gaan en het zich laten gaan op gevoelens en intuïtie. In werkelijkheid was medium worden voor vele vrouwen in die tijd de enige manier niet alleen om een eigen inkomen te hebben (en op die wijze niet louter afhankelijk te zijn van een man), ze konden zelfs in niet geringe mate macht uitoefenen.
EN DE ANDEREN…
Een van de bekende dichteressen uit die tijd is Christina Rossetti. Nu wordt ze soms afgedaan als een oude vrijster, maar in haar poëzie schuilt toch een verborgen sensualiteit. Jan Marsh wijt dit in haar biografie uit 1994 aan het feit dat ze als kind seksueel zou misbruikt zijn door haar vader.
In 1899 schrijft Kate Chopin de roman “De ontnuchtering” over een vrouw die seksuele bevrediging zoekt buiten haar huwelijk. Het boek maakt evenveel ophef als “Madame Bovary”. Het maakte zijn titel echter waar: Chopin, die tot dan toe populaire romannetjes schreef, kwam tot de ontnuchterende constatatie dat ze vanaf nu geboycot werd.
Iets vergelijkbaar kunnen we vertellen over “The age of innocence”, de roman van Edith Wharton, waarmee ze in 1920 als eerste vrouw de Pulitzer Prize won. Eerst was zij uiteraard terecht fier met deze bekroning, maar toen zij hoorde dat zij de prijs had gekregen omdat hij eigenlijk geweigerd werd aan “Main Street” van Sinclair Lewis, aangezien deze satire tegen te veel zere schenen had aangeschopt, was ze boos en verontwaardigd. Blijkbaar had men niet door dat de echte heldin van het boek de “outcast” Ellen Olenska is (rol van Michelle Pfeiffer in de verfilming door Martin Scorsese).
In Engeland was er Joyce Cary. Zij vertoonde duidelijke invloed van George Eliot, net als Jean Rhys (Ella Rees Williams, 1894-1979).
Lange tijd zag het ernaar uit dat Julie Burchill (°Bristol, 1959) de fakkel zou overnemen, op basis van haar giftige maar schitterend geschreven kritieken. Maar toen ze in 1989 debuteerde met “Ambition” (nadat ze in 1978 reeds “The boy looked at Johnny” had geschreven samen met Tony Parsons, haar collega bij New Musical Express en even later ook haar echtgenoot) viel deze droom aan scherven, aangezien dit een niemendalletje was: “Jackie Collins met een brutale bek,” zoals een even briljante collega van haar schreef. Daarna volgde nog “No Exit”, net als de vorige een soort thriller met brute seks. In 1992 volgde de bundel “Sex & Sensibility”. Nadat ze NME al had geruild voor achtereenvolgens The Face, The Sunday Times en zelfs The Mail on Sunday (!), deel een kwijlerig boek over prinses Diana haar in het voorjaar van 1998 finaal de das om.
CUT OUT THE POETRY
Zogezegd in opdracht van een maecenas vroeg de uitgever van Henry Miller hem om tegen één dollar per bladzijde wat pornografie te schrijven. Miller zag dit oorspronkelijk niet zitten – het interfereerde teveel met het werk dat hij écht wilde schrijven – maar door geldnood gedwongen deed hij het toch maar. Reeds vrij vroeg riep hij de hulp in van Anaïs Nin om samen verhalen te bedenken. Miller wendde het geld vooral aan om op reis te gaan en als hij voor een van die reizen nogal langdurig afwezig moet zijn, vraagt hij aan Anaïs Nin om er gewoon mee door te gaan.
Nogal snel komt het “bedrog” uit, maar de opdrachtgever houdt wel van het werk van Nin, alleen vraagt hij haar “to cut out the poetry”. Deze typisch mannelijke visie op erotiek irriteert Nin zodanig dat ze zelfs een aanval van kuisheid krijgt, zoals ze zelf zegt. Ze hoopt echter dat de opdrachtgever uiteindelijk ook op haar ander werk zal vallen en daarom doet ze maar verder met behulp van allerlei vrienden-literatoren die zich overigens nog nooit aan erotische literatuur hadden gewaagd (“in tegenstelling met Frankrijk hebben wij Amerikanen daarin geen traditie,” schrijft Nin), maar die dit uiteindelijk een grappiger manier vinden om aan geld te geraken dan bij elkaar maaltijden te gaan bedelen.
En, heel typisch, wat schrijft Nin in haar dagboek? “De homoseksuelen schreven alsof ze vrouwen waren. De schuchteren schreven over orgieën. De frigieden over waanzinnige orgasmes. De meeste poëtische schrijvers wentelden zich in pure bestialiteiten en de zuiversten onder hen in perversies.”
In 1976, amper een jaar voor haar dood, voegt ze daar nog een postscriptum aan toe dat al even veelzeggend is. Want uit wat voorafgaat, zou men verkeerdelijk kunnen afleiden dat het bij vrouwelijke erotiek alléén om de romantiek te doen is. Alléén sensualiteit en geen seksualiteit. Deze visie is echter al even beperkend als aan mannen uitsluitend het omgekeerde toeschrijven. En vooral: het duwt de vrouwen terug in een rol die ze sedert het einde van de jaren zestig heel moeizaam zijn ontlopen, namelijk die van een sexloos wezen dat alleen geschapen is om de man ter wille te zijn – ook op seksueel gebied.
“Nee,” schrijft Anaïs Nin, “seksualiteit is op zich ook belangrijk. Nu zie ik enerzijds in dat ik in die Erotica toch nog veel van mezelf heb gestopt en anderzijds zal men dat maar pas ten volle beseffen als men ook mijn dagboeken ongekuist zal uitgeven.”
Eerlijkheidshalve moet ik hieraan toevoegen dat de gekuiste uitgave niet enkel omwille van censuurmaatregelen was, maar dat ook Nin zelf erop stond dat bepaalde delen pas na de dood van haar echtgenoot zouden worden gepubliceerd, omdat ze hem geen pijn wilde berokkenen. Aangezien Guiler stierf op 7 januari 1985, valt de uitgave in 1986 van “Henry and June” binnen dit kader.
ZUIPEN EN BOEREN LATEN
Heb ik reeds gesteld dat vrouwelijke erotiek ruimer is dan mannelijke in de sensuele zin van het woord, dan is dat ook het geval in puur fysisch opzicht. In heterofiele mannelijke erotica is er immers geen plaats voor homofiele relaties. Vrouwen daarentegen hebben geen enkele moeite om met geslachtsgenoten te stoeien, zonder daarom lesbiennes “pures et dures” te zijn. Voorbeelden zijn er genoeg: Nathalie Perreau met “L’amour en soi” (beter dan dat andere werk van haar “Hommes, mode d’emploi”), Anne Vegter (niet toevallig de dochter van een dominee) met “Ongekuiste versies” en Nadine Monfils met “Contes pour petites filles perverses”.
En Camille Paglia: “Lang voordat het bon ton was om lesbisch te zijn, wàs ik al lesbisch. Ik deed het niet omdat het mode was, nee, ik deed het gewoon omdat ik een vrouwenlijf veel lekkerder vond dan een mannenlichaam. Dat heeft mij nooit belet om geregeld met mannen te neuken. I think lesbian sex can be wonderful, but it’s lacking in many ways. There’s some frustration involved in the life of the lesbian. Of course lesbians will want to hang me for this, they say we’re fulfilled. Pardon me. Excuse me. I don’t believe it. Man and woman can have wild primitive sex. You don’t get that with lesbians – there’s something lacking. It’s so tiring, making love with women, it takes forever. I’m too lazy to be a lesbian.”
Desondanks heeft ze in 1994 na jaren zoeken toch een lesbische relatie kunnen opbouwen met ene Alison Maddex, 27 jaar en dus 19 jaar jonger dan zijzelf. Alison is erg verfijnd (ze is de initiatiefneemster voor The Museum of Sex dat normaal gesproken in Manhattan zou moeten worden geopend) en niet het butch-type, waarmee Paglia vroeger uithing. Die “butches” waren niet zo anti-man als de feministen, die nu zo boos zijn op Paglia. Natùùrlijk waren ze dat niet! Ze waren zélf mannen. Zuipen en boeren laten. Eerst zag Paglia dat wel zitten: “Ik zou liever een man zijn, ja. Ik denk wel eens dat als ik nu geboren zou worden, ik transseksueel zou zijn. Nu is dat te laat.” In die tijd had ze een avontuurtje met een zwarte beroepssoldaat (een vrouw dus, hé), die ze “Afro-Amerikaans” noemt, want ze doet blijkbaar soms toch pogingen om “politically correct” (p.c.) te zijn. Het was een “one night stand” net zoals haar mannelijke collega’s dat men een snolletje zouden doen.
Het feit dat Paglia lesbische feministen afdoet als dochters van huissloofjes die hun eigen onderdrukte haat tegen de echtgenoot-tiran onbewust aan dochterlief hebben doorgegeven, is binnen de Amerikaanse contekst misschien wel juist.
Met haar opmerking over transseksualiteit doet Paglia denken aan iemand als Andreas Burnier (1931-2002). No fun echter met deze schrijfster. Andreas Burnier, van joodse afkomst, is tien jaar getrouwd geweest en heeft pas nadien gestudeerd: filosofie, met als specialiteit criminologie, wat ze nu ook doceert onder haar echte naam, Catharina (Ronnie) Dessaur. Haar voornaamste werken: “Een tevreden lach” en “De literaire salon” (beide uit 1983), “De verschrikkingen van het noorden”, “Het jongensuur”, “Poëzie, jongens en het gezelschap van geleerde vrouwen” en vooral “De huilende Libertijn”, een picareske roman waarin ene Jean Brookman een ontwikkelingshulpprogramma opzet voor de vierde wereld (die van de vrouwen) in afwachting van de komst van de Dochter, de Verlosser der Vrouwen, zoals dat in het boek Lebijb is voorspeld. Het gekke is natuurlijk dat deze pausin van het feminisme en vooral van het lesbianisme zichzelf met een mannelijk pseudoniem heeft bedacht en vooral dat ze van zichzelf zegt: “Op mijn achtste verjaardag wist ik al vijf jaar dat er door Onze Lieve Heer met mijn lichaam een vergissing was begaan.” Na haar veertigste, wanneer ze niet meer lastig gevallen wordt door mannen (sic), is het plotseling wél leuk om een vrouw te zijn…
Komt daar nog bij dat ze doorgaans een rabiate anti-marxiste is (b.v. in “De reis naar Kithira”) en dan nog wel in de zin dat al wie niet even conservatief is als haar, marxistisch is (cfr. Sus van Elzen in Knack van 9 februari 1977: “Waar vernuft omslaat in stompzinnigheid”). Ze is b.v. een hevige tegenstander van abortus en Simone de Beauvoir noemt ze de “intellectualistische, marxistische oermoeder (dictatuur, terreur en machismo mag, als er ‘links’ op staat)”.
Het zeemzoete ideaalbeeld van de man als reactie op de traditionele macho begint ondertussen danig te vervelen. Een typisch voorbeeld van deze nieuwe “ballbreakers” is Fiona Pitt-Kethley, die erotisch gekruide reisverhalen schrijft (b.v. “The Pan Principle”) en die zowaar in Hastings woont!
LES DEMOISELLES
Anderzijds zijn voorbeelden van “lesbische” fantasieën van heterofiele vrouwelijke auteurs natuurlijk legio. Er zijn de “klassiekers” als Pauline Réage of Emmanuelle Arsan (foto), maar meer expliciet is er Nathalie More, alweer een mysterieus personage dat in de reeks “Aphrodite classique” vertegenwoordigd is met “Les demoiselles”. Nathalie More is, zoals de naam (als het geen pseudoniem of “fake” is) reeds aangeeft, in Engeland geboren, meer bepaald in 1906. Zij zou volgens de flaptekst een produkt zijn van een Franse vader en een Engelse moeder, maar hier laat de naam dan weer het omgekeerde veronderstellen. Anderzijds geeft het wel aan waarom een “Engelse” in het Frans zou schrijven. Maar goed, de flap gaat verder met te verklaren dat ze rond haar twintigste een zeer gefortuneerde wees werd, die van dan af een zeer vrij bestaan ging leiden. “Mooi, geraffineerd en anti-comformistisch” als ze is, komt ze in de artistieke wereld terecht, waarin ze zelf af en toe een bijdrage levert met “romans, gedichten of mémoires, die de emanatie waren van haar liefdesavonturen, die vooral in het teken van Sappho stonden”. In 1929 schrijft ze zo “Mon amour, ma soeur”, een roman die pas veel later wordt uitgegeven, nadat de al te expliciete autobiografische elementen eruit werden verwijderd. In 1935 volgt “Lettres incestueuses”, die eerst klandestien worden uitgegeven en pas in de jaren zeventig “officieel”. Datzelfde geldt voor “Les demoiselles”, wat in 1976 wordt uitgegeven, maar eigenlijk van 1938 dateert, zoals blijkt uit de inleiding waarin wordt gesteld dat het hier om een “handschrift” van het einde van de zeventiende eeuw zou gaan dat “toevallig” in handen is gekomen van de schrijfster. Een gekende techniek, uiteraard. Bij de uitgave van “Les demoiselles” stelt men ook de publicatie van de dagboeken in het vooruitzicht, maar ikzelf heb daarvan alvast nog niks vernomen.
Wat lesbische vrouwen met homo’s gemeen hebben, is dat ze meestal betere bemiddeld zijn (ook al komen bom-gezinnen steeds meer voor, toch blijven velen willens of nillens kinderloos) en dus meer geld kunnen besteden aan cultuur, al dan niet met grote “C”. Zo blijken lesbische vrouwen veel te lezen, met als gevolg dat Virgin Publishing, die tot dan toe reeds “Black Lace” uitgaf, een softporno-pulpreeks voor vrouwen, zich in 1999 ging specialiseren in lesbische porno (Big Deal, All that glitters, Sweet Violet) die ook in gewone winkels (zoals W.H.Smith) te koop werd aangeboden.
VROUWEN DOEN ZOIETS NIET
Maar niet alle lesbische literatuur hoeft erotisch te zijn natuurlijk. Het dagboek van grootgrondbezitster Anne Lister uit het begin van de negentiende eeuw werd weliswaar pas in 1988 uitgegeven (“I know my own heart”, gevolgd door “No priest but love”), maar dat was dan omdat het gegeven op zich al aanstootgevend was (Lister “huwde” met haar buurvrouw Ann Walker en vergrootte zo nog hun eigendommen) en niet omwille van expliciete passages. En zeker niet omwille van David Hamilton-lesbianisme: Lister werd zelfs vaak voor een man genomen. Toch was er ook passie: als Lister in de steek wordt gelaten door Mariana Belcombe, die uiteindelijk toch voor een “echt” huwelijk (met een man) kiest b.v.
Alhoewel een “lesbisch huwelijk” in die tijd onmogelijk lijkt, zijn er nog voorbeelden: Eleanor Butler en Sarah Ponsonby b.v., waarop Lister zich had geïnspireerd. Toegegeven, al deze vrouwen waren rijke erfgenamen. De enige keer dat Lister werd “ge-out” was dan ook toen ze als rijke eigenares van een koolmijn haar arbeiders dwong om op een conservatieve kandidaat te stemmen.
En daarnaast was er geen wet tegen vrouwelijke homoseksualiteit. Zelfs niet na het proces Oscar Wilde. “Omdat vrouwen zoiets niet deden,” aldus Queen Victoria. En wat blijkt? Inderdaad ze “doen” het, o.k. niet “niet”, maar toch minder dan mannen. Dat bleek in 1998 nog uit een interview met jonge lesbiennes in Humo, maar ook Lister doet er haar beklag al over dat Walker altijd “te moe” is.
John “Fanny Hill” Cleland was de vertaler (in 1751) van de biografie van Catherine Vizzani, een promiscuë lesbienne in mannenkleren, een verschijnsel dat in de achttiende eeuw wel meer voorkwam. Als ze betrapt werden, kwamen ze er meestal met lichte straffen vanaf, daar waar mannelijke homoseksuelen vaak de doodstraf wachtte!
Een overeenkomst met mannelijke homo-erotiek is dan weer dat psychologen van narcistische liefde gaan spreken. In de ander ziet men met andere woorden zichzelf. Dat aspect is b.v. sterk aanwezig bij “Op het water geschreven” van de Uruguayaanse Irene Gonzàlez Frei, aangezien de gehuwde Sofia ondanks een passioneel seksleven met haar man Santiago pas de échte passie ontdekt met Marina, die zowat haar tweelingzus zou kunnen zijn. Dat de mannelijke wraak hierop volgt is evenzeer voorspelbaar volgens de volgelingen van Freud.
De mooie Chinese Hong Ying vertelt in “Zomer van verraad” (1992) haar half-autobiografisch verhaal over de verbinding van de studentenopstand op het Tiananmen-plein in juni 1989 met een erotisch ontluiken. Geen ontgroening, nee dat was hoofdfiguur Lin Ying reeds vroeg overkomen op een ouderwetse patriarchale manier, maar een seksuele vrijheid die politieke vrijheid met zich meebrengt. Het boek eindigt met de gevangenneming van het hoofdpersonage, wat dus niet met de schrijfster gebeurde, maar anderzijds diende het boek omwille van de erotiek toch in Taiwan te worden uitgegeven (haar andere boeken – vooral poëzie – worden wél door de staatsuitgeverij verspreid). Afwachten wat het wordt met haar volgende boek dat over homofilie en lesbianisme zal gaan…
Rond de eeuwwisseling was er in Nederland Hélène Willink met “Een dode zwaan in Tann” (uitg. De Prom), al wordt er ook gefluisterd dat dit boek een mystificatie is van Jean-Pierre Van Rossem, die voor de uitgave ervan instond. En er is de dichteres Charlotte Mew (1869-1929), die dan mogelijk weer een mystificatie van Hugo Claus is. Of is zij zijn vorige incarnatie? Ze is tenslotte gestorven in het jaar dat hij werd geboren? Hij voert haar ten tonele in de aanhef van zijn lesbische tragedie “Het laatste bed” over het paar Anne en Emily. Voeg daar nog Charlotte bij en heb je dan niet de zusjes Brontë?
In diezelfde tijdsperiode maar in een heel ander sociaal milieu speelt “Uit liefde voor Marie Salat” zich af van Régine Deforges. Naar haar eigen zeggen heeft ze nauwelijks iets gefantaseerd en is het verhaal gebaseerd op de liefdesbrieven van twee vrouwen rond de eeuwwisseling, waarbij het opmerkelijk is dat de minst geletterde vrouw in de verhouding het meest vrijgevochten is. Dit stuk werd op 3 oktober 1995 in het PSK opgevoerd door Monika Dumont en Karen Vanparijs (die ook al in “Maria Danneels” van Robbe Dehert in dergelijke rol was te zien) voor Theater Malpertuis in een regie van Warre Borgmans.
Maar er zijn natuurlijk ook échte lesbiennes die tot de literaire geschiedenis zijn gaan behoren, en niet de minste. Zo was er Virginia Woolf, vooral bekend van “Orlando”, over een androgyne vrouw, geïnspireerd op haar geliefde Vita Sackville-West. Virginia Woolf was ook bevriend met Maria Nys, de vrouw van Aldous Huxley. Maria Nys was geboren in 1898 te Kortrijk, groeide op in de omgeving van Gent, maar woonde in Sint-Truiden toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak en de welstellende familie (franstalige bourgeoisie) naar Engeland vluchtte. Daar leerde Huxley haar kennen toen zij “au pair girl” speelde bij de fameuze Lady Ottiline Morrell in Garsington. Aangezien Huxley zo goed als blind was (aan één oog helemaal, uit het andere zag hij nog voor 25 procent), is het vaak op basis van haar beschrijvingen dat Huxley zijn boeken kruidt. Boeken die overigens door haar werden uitgetikt en zelfs “verbeterd”. Ze deed dit ook voor anderen en zo heeft ze ervoor gezorgd dat D.H.Lawrence razend was over de eerste druk van “Lady Chatterley’s Lover”.
Toch zat Maria aan het doodsbed van D.H.Lawrence en ontving ook James Joyce, Thomas Mann, Bertolt Brecht, Charles Chaplin, Orson Welles en Igor Stravinsky bij haar thuis. Met haar echtgenoot had Maria echter geen seksuele relatie, want die was eigenlijk homoseksueel, terwijl zijzelf met vrouwen als Greta Garbo, Marlene Dietrich, Anaïs Nin en Audrey Hepburn het bed deelde. Haar voornaamste geliefde was echter Sybille Bedford (°1909), de latere biografe van Huxley. Een uitstekende biografie overigens, alleen rept ze met geen woord over die lesbische toestanden. Daarom deed Stan Lauryssens het dan maar in 2001 (“Mijn heerlijke nieuwe wereld”). Net als haar man experimenteerde Maria ook met mescaline en LSD, enfin eigenlijk met alles wat haar onder handen kwam (ze spoot zich zelfs een Chinese smaakversterker in!). Ze stierf in 1956 aan borstkanker en ligt begraven in Hollywood, waar ze naar uitgeweken waren toen het familiefortuin verbrast was en Huxley aan de kost kwam met het (tegen zijn zin) schrijven van filmscenario’s. Ook hun zoon Matthew Huxley woont ondertussen in Hollywood na te zijn opgevoed door zijn grootouders in Sint-Truiden omdat zijn ouders niet wilden dat hij hun geaardheid zou leren kennen.
BUTCH-LESBIANISME
Twee andere vertegenwoordigsters van het “butch”-lesbianisme in Engeland waren Radclyffe Hall en later Sylvia Townsend Warner. Radclyffe Hall schreef in 1928 wat genoemd wordt “het klassieke boek van de lesbische literatuur” met name “The Well of Loneliness”. Dit is totaal ten onrechte. Het is een saai boek (om de woorden van Virginia Woolf te citeren) met als erotisch meest expliciete passage: “She kissed her full on the lips like a lover”. De uiteindelijke “daad” wordt zelfs als volgt omschreven: “(They were) in the grip of Creation, of Creation’s terrific urge to create.”
Toch was dit voldoende om het boek meteen te verbieden en op die manier kreeg het een ongevraagde publiciteit. Eigenlijk was er echter meer te doen over “literaire” censuur dan over “gay rights” (E.M.Forster verdedigde het boek b.v., terwijl hij wel verklaarde lesbianisme “disgusting” te vinden). Het was zeker geen “vrouwelijke Oscar Wilde”. Radclyffe was trouwens even conservatief als de mannen die haar bestreden. Ze had racistische ideeën en was een aanhanger van Mussolini.
Ook wie wil psychologiseren, vindt hier een kluif: nadat haar vader haar moeder haast onmiddellijk na haar geboorte had verlaten (omdat hij een “womanizer” was), werd ze door haar moeder verwaarloosd en door haar stiefvader seksueel misbruikt. Toen ze echter 18 was, stierf hij en erfde ze zijn ontzaglijk fortuin. Meteen begon ze te reizen, noemde zichzelf “John” en begon verscheidene lesbische avontuurtjes, o.a. met Mabel Batten, op dat moment 50, maar in haar jeugd nog een geliefde van de Prince of Wales. Ook nadat Mabel was gestorven, bleef Radclyff haar “trouw”, zij het via een medium (ene Mrs.Leonard). Bij die séances was ze steeds vergezeld van Mabels nicht Una (de latere Lady Troubridge), die (althans in lengte van jaren) de grote liefde van “John” zou worden. Radclyffe noemde zichzelf trouwens niet “lesbisch” maar “a congenital invert”, wat men nu als een “transseksueel” zou omschrijven. Voor zover dit als een “bewijs” mag overkomen: ze bezat 94 stropdassen en rookte 80 Dunhills per dag. (Ze noemde zichzelf overigens ook “a jeaneous” en dat was geen woordspeling, maar een bewijs hoe zwak ze was wat spelling betreft. In een bui van “political correctness” noemt men dit nu “dyslexie”.)
Una daarentegen (een masochistische syfilislijdster) was “an invert’s mate”. Op het einde van haar leven kwam daar ook nog de Witrussische verpleegster Evgenia Souline bij, die zich als het op de erfenis aankwam nog in de doeken liet doen door Una. Of zoals een recensent van de biografie “The trials of Radclyffe Hall” (Weidenfeld & Nicolson, 1998) schreef: “This is a story from which no one emerges with much dignity, apart from Diana Souhami (de auteur)”.
In Nederland verscheen nog in datzelfde jaar een vertaling door Bep Zody, die in 1995 als facsimile werd heruitgegeven bij de Amsterdamse feministische uitgeverij Furie (521 blz., 650 fr.).
Naar “The Well of Loneliness” wordt ook verwezen in “Aimée & Jaguar”, het tragische en waar gebeurde verhaal over de liefde tussen de gehuwde, Arische, zelfs nazistisch-gezinde Elisabeth Wust (Aimée) en de acht jaar jongere Joodse Felice Schragenheim (Jaguar) die undercover op het partijblad van de nazi’s werkte. Tegen het einde van de oorlog, wanneer Jaguar al bij Aimée inwoont, wordt Jaguar verlinkt en zij sterft bij de ontruiming van Auschwitz. Het verhaal verschijnt overigens pas in 1995 (verteld door Erica Fischer).
Sylvia Townsend Warner (°1894) huwde in 1930 (na een romance met Percy Buck) met een jongere schrijfster, Valentine Ackland. Nochtans was het Ackland die eerst stierf (aan kanker in 1969). In de jaren dertig en veertig had Sylvia “on the side” avontuurtjes met de Amerikaanse schrijfster Elizabeth Wade White, waardoor Sylvia deze ging haten. Valentine bekeert Townsend ook tot het communisme en samen gaan ze tijdens de Spaanse Burgeroorlog voor het Rode Kruis werken. Later is het Valentine die zich tot het katholicisme bekeert, wat Sylvia met verstomming slaat. In 1989 verscheen een biografie van Townsend Warner, geschreven door Claire Harman.
En er was Gertrude Stein (1874-1946) die haar geboorteland Amerika in 1903 voor bekeken hield en zich in Parijs vestigde “omdat de lucht er zo anders was”. Ze kon er alvast met haar Californische vriendin Alice B.Toklas (1877-1967) samenwonen zonder opzien te baren. “The autobiography of Alice B.Toklas” (1933) is trouwens het enige boek van Stein dat min of meer goed verkocht (haar meeste werk werd als te experimenteel beschouwd). Het gekke was dat Stein in haar literair salon tamelijk streng het rollenpatroon volgde. Zij ontving namelijk de schrijvers, schilders, filosofen enz., terwijl Toklas met de vrouwen werd opgezadeld. Dat leren we o.m. uit Hemingway’s “A moveable feast” (1964). Het kan echter ook zijn dat de macho Hemingway hierin weerwraak neemt, want gedurende drie à vier jaar heeft ook hij (uiteraard vruchteloos) strootjes gelegd bij Stein.
In de Amerikaanse kolonie in Parijs zaten opvallend veel lesbische koppeltjes. Dat is ook vrij logisch, want deze vrijgevochten vrouwen konden in het puriteinse Amerika hun liefdesleven niet uitleven. In Parijs daarentegen konden ze b.v. in “L’Amazone” zelfs de artistieke orgieën, zoals beschreven bij Sappho, opnieuw beleven. Toch waren deze vrouwen daarom niet steeds links of progressief. Nathalie Barney en Romaine Brooks b.v. hadden sympathie voor de fascisten en gingen zich onder Mussolini in Italië vestigen bij Ezra Pound.
Bij deze Amerikaanse kolonie hoorde voor zover ik weet niet May Sarton (1912-1995), ook al was die dan nota bene in België geboren. In een twintigtal romans schetst ze vrouwen die zich verzetten tegen maatschappelijke conventies en een zelfstandig bestaan willen. Dat die vrouwen net als zijzelf (cfr.”Mrs.Stevens hears the mermaids singing”) vaak lesbisch zijn, is haast vanzelfsprekend.
Een en ander belet echter natuurlijk niet dat er ook “closet lesbians” bleven. De jeugdschrijfster Enid Blyton b.v. was ogenschijnlijk “gelukkig getrouwd”, maar haar dochter zegt dat ze haar lezers meer liefhad dan haar familie. Dat ze als voorbeeld o.m. aanhaalt dat ze graag tennis speelde in haar blootje ondergraaft wel de grond van haar bewering.
In Vlaanderen werd de doorbraak geforceerd door Carla Walschap met haar boek “De eskimo en de roos”. Ook van Majo Van Rijckeghem mogen we veronderstellen dat ze “puur” lesbisch is. Ze is tenslotte bekend geworden met “Thuiskomen – scènes uit een lesbisch bestaan” (uitg.EPO, 150 blz.). Begin 1995 publiceerde ze ook een “gewoon” erotisch boek voor vrouwen, “Het Glijboekje”.
EVEN DIEPER INGAAN OP LESBIENNES
In het Vlaamse Heksenboekje (uitg. Masereelfonds) wordt onderzocht “wat de feministische theorie en de lesbische praktijk met elkaar te maken hebben; een Amerikaanse feministische lesbienne uit San Francisco wordt geïnterviewd, gevolgd door een getuigenis van een Vlaamse lesbienne. Vertegenwoordigsters uit verschillende lesbische groepen discussiëren met elkaar in een rondetafelgesprek, terwijl anderen de lesbische ondekkingstochten in de kunst onderzoeken.
Heksenjacht is de titel van het tweede deel van het boek: daarin wordt bekeken hoe de wetenschap, de media, de wetten en de populaire mythen jacht maken op lesbische vrouwen. Een feministe praat over haar ervaringen in de BRT, terwijl Eliane Morissens ons vertelt over haar afdanking als lerares.
Onder de titel ‘Heksentoeren’ vertelden vrouwen vervolgens hoe zij, vandaag en in de loop van de eeuwen, het hebben klaar gespeeld te overleven in een patriarchale maatschappij, hoe ze leven, alleen, met twee of meer, hoe ze het moederschap beleven. En tenslotte hoe ze ervaren dat liefde politiek is.”
Tot zover de perstekst n.a.v. de voorstelling van “Het Vlaamse Heksenboekje” in het kader van “Het Andere Boek”. Een perstekst die kan volstaan als inhoudsopgave (met dien verstande dat de “feministe op de BRT” wel mag worden verduidelijkt als zijnde Paula Semer) en alleszins beter dienst kan doen als propagandatekst dan wat volgt.
Want, inderdaad, dit boekje is mij niet bevallen. In gedachten zie ik nu alle “heksen” tevreden lachen (want zo’n mannelijk zwijn moet dit boekje natuurlijk slecht vinden) en dat is wel erg jammer. Van die mythe dat mannen per definitie tegen lesbische verhoudingen zouden gekant zijn (omdat ze bang zouden zijn dat uiteindelijk alle vrouwen voor vrouwen zouden kiezen) moet nu maar eens worden afgestapt. Evenals van de mythe dat mannen steeds zouden denken dat lesbiennes vrouwen zijn die nog geen “echte man” hebben gekend. Vandaar trouwens het provocerend titeltje. Want dat de vrouwenbeweging geen humor zou kennen is ook een mythe. Of toch niet?
Dat het boekje mij niet is bevallen, heeft dus niets met het lesbianisme als zodanig (dat steevast “lesbisme” wordt genoemd, iets wat net als de “progressieve” spelling van “lesbies” fameus irriterend werkt) te maken, maar wel met de uitwerking ervan op een oppervlakkige, pamfletachtige en ondeskundige manier. Daar de afzonderlijke bijdragen ondertekend zijn, kan men er zelfs namen op kleven.
De stukken van Monica Abicht b.v. zijn zonder meer goed. Zij tracht ook de eindeloze discussies in het rondetafelgesprek wat binnen de perken te houden. Ook het door Johan Anthierens bekend geworden duo Suzanne Cautaert-Lilly Goeminne kan doorgaans nog door de beugel. Maar helaas wordt het meeste schrijfwerk afgeleverd door ene Vivke Dierckx, mij verder onbekend, die alle zonden van Eva in zich verenigt (grapje! grapje!). Zij tekent ook voor de vreselijke illustraties die het werkje “sieren”. Afijn, wie zich een idee van het talent van dit meisje wil vormen, kan misschien volstaan met het lezen van de drie bladzijden gewijd aan het “Sprookje” van Esther en Jane. Helaas was het nog vijftien jaar te vroeg om ook de lesbische aanpassing van de traditionele sprookjes door Emma Donoghue (“Een kus voor de heks”) hieraan toe te voegen (genre: Assepoester geeft de voorkeur aan de fee boven de prins).
Al is het stuk over het matriarchaat ook niet mis. En dat men mij hier weer niet over het inhoudelijke zelf laat struikelen! Over de slaafse onderdanigheid van de jager met de botte speer tegenover Antinea of Aysha heb ik immers elders ook eens iets gepleegd.
Buiten het feit dat dit dus een zeer (te) heterogeen werkje is van ongelijke maar doorgaans zwakke kwaliteit, kan je je ook nog afvragen of de Lef-werkgroep er wel goed aan gedaan heeft om het als achtste cahier in haar reeks op te nemen. Niet alleen is de lesbische beweging niet per definitie links, zoals mag blijken uit het rondetafelgeschil, maar zelfs de geëngageerde feministen onder hen stellen dat de klassentegenstellingen ondergeschikt zijn aan de tegenstellingen tussen de geslachten (Dierckx p.12, Cautaert p.17). Zij zijn dus eerder solidair met een vrouwelijke patroon dan met een mannelijke arbeider.
Bovendien straalt er van dit boekje een onvergeeflijke ghettomentaliteit uit die aan de lesbische beweging als zodanig geen goed zal doen. Dat hetero-mannen immers sowieso “verdacht” zijn (voor 99 % terecht overigens) dat stond reeds bij voorbaat vast, maar ook homo’s en hetero-vrouwen krijgen het vaak hard te verduren en zelfs de zogenaamde barlesbiennes krijgen een veeg uit de pan. Wie blijft er dan nog over? De schrijfsters zelf? De slogan dat aan dit cahier “andere lesbische vrouwen, homo-mannen, biseksuelen en hetero’s van alle slag heel wat zullen hebben” is dus op z’n minst een herziening waard.
Wat het promiscuë bar-leven aangaat, kunnen we dan eerder “Vrouw-Vrouw, lesbisch leven” van Lea Duffy (Element uitgevers, Naarden-vesting, 191 blz.) aanraden, ook al is Duffy dan een “butch” die nadien een soort moeder Teresa voor aidspatiënten is geworden… Of zij familie is van Carol Ann Duffy die in 1999 werd genoemd als kandidaat-hofdichteres, weet ik niet, maar ook deze Carol Ann zegt “nu nog steeds te worden geïnspireerd door de meisjes op wie zij in haar schooltijd verliefd was”. Zij woont samen met een andere dichteres, Jackie Kay, en ze hebben een dochter.
In december 1992 werd overigens bekend dat ook de Britse succes-schrijfster Daphne du Maurier een jarenlange lesbische verhouding heeft gehad met actrice Gertrude Lawrence. Biograaf Martyn Shallcross had dit in zijn biografie over de in 1989 overleden schrijfster reeds gesuggereerd, maar werd daarvoor zwaar aangevallen door haar familie. Maar in december ’92 kwam de “officiële” biografe Margaret Forster met brieven voor de dag, die het gelijk van Shallcross bewijzen.
Het mag dus duidelijk zijn dat de behandeling van lesbische liefde in de literatuur niet steeds evident geweest. In de Nederlandse literatuur duurde het met name tot Anna Blaman (1905-1960) vooraleer het onderwerp (en dan nog erg omfloerst in “Eenzaam avontuur”, 1948) ook maar bespreekbaar werd! (Blaman had een erg zwakke gezondheid. In 1936 ontmoette ze bij de behandeling van een nierziekte een verpleegster, die haar verdere leven aan haar zijde zal blijven.)
In de Engelse literatuur was het lange tijd slechts in bedekte termen aanwezig. Zo zal Charles Dickens het woord wel niet hebben gebruikt in zijn “Little Dorrit”, maar als miss Wade Harriet “Tattycoram” Beadle kan overhalen om weg te lopen als dienstmeid van Pet Meagle en met haar te gaan samenwonen, is er eigenlijk toch niet veel verbeelding nodig om te weten waarover het gaat.
De Franse literatuur was daar natuurlijk wel een beetje vroeger mee. Zo was er de bekende lesbische dichteres is Renée Vivien (1877-1909), boezemvriendin van die andere schrijfster Nathalie Clifford Barney. De meeste van Viviens werken zijn in de jaren zeventig heruitgegeven en in het Nederlands kan men “Er verscheen mij een vrouw” lezen. Nathalie Barney wordt vaak aangehaald als “bewijs” dat mannelijk uitziende lesbiennes ook in het verleden een cliché waren. Integendeel, haar vriendin Liane de Pougy was beroemd om haar schoonheid.
Dan is er ook nog Violette Leduc (1913-1972), ook wel eens de vrouwelijke Jean Genet genoemd om haar barokke taalgebruik en haar marginale positie. Alhoewel haar werken pas na de Tweede Wereldoorlog zijn verschenen, moesten toch de meest erotische “La Bâtarde” en “Thérèse et Isabelle” nog klandestien worden verspreid. Ook Marguerite Yourcenar was een bekende lesbienne.
LE REMPART DES BEGUINES
In eigen land kende de eerste roman van Françoise Mallet-Joris (°1930), “Le Rempart des Béguines”, in 1951 een “succès de scandale” om zijn lesbische inhoud, vooral omdat men in dit verhaal van een jong meisje dat verliefd wordt op de minnares van haar vader natuurlijk een autobiografisch verhaal zag. Zelfs de verfilming door Guy Casaril, meer dan twintig jaar later (1972), maakte nog veel ophef door de (overigens heel mooie) naaktscènes van Nicole Courcel als de bijna veertigjarige Tamara en Anicée Alvina als de jonge Hélène Noris. Vooral deze laatste laat een grote indruk na (want Courcel gaat uit de bocht in de dronkemansscène in de lesbische club, waar ze in Hélène haar vroeger liefje Emily meent te herkennen), zeker als het het latente SM-aspect van de verhouding aangaat. Daarmee bedoel ik o.m. hoe Hélène oorspronkelijk helemaal onderworpen is aan de grillen van Tamara (het knielen om vergiffenis te vragen b.v.) en bovenal op het einde als de rollen omgekeerd zijn, daar Tamara door met Hélènes vader te huwen haar hysterische meesteressenrol niet meer kan spelen omwille van de “goegemeente”. Of Hélène nu al dan niet ontmaagd wordt door de kunstenaar Max Vilar (Venantino Venantini) is niet helemaal duidelijk.
In “La chambre rouge”, een “vervolg” uit 1955, leren we dat dit niet zo is, aangezien ze daarin ontmaagd wordt door Jean Duflau, een rijke decorateur uit Parijs, die oorspronkelijk zijn blik op Tamara had laten vallen. Dat ze Jean wil “binnendoen” om zich op Tamara te wreken, is overigens de enige reminiscentie aan “Rempart”. Voor de rest evolueert deze veel langere (300 blz.) roman in de richting van een cynische ontleding van een zogenaamde “open” liefdesrelatie. Voor die tijd zal het wel best progressief geweest zijn, maar veertig jaar later overstijgt deze intrige amper het niveau van de Boeket-reeks. Daarbij doe ik wel schromelijk onrecht aan de taalvaardigheid van deze Fransschrijvende Vlaminge, dochter van wijlen minister van justitie Albert Lilar (de vader van Hélène is “toevallig” ook een politicus, in de film nogal saai vertolkt door Jean Martin, maar het is wellicht ook de bedoeling dat hij saai overkomt) en de Gentse schrijfster (in het Frans) Suzanne Verbist (21/05/1901-11/12/1992). In 1969 zou ze als Suzanne Lilar vooral ophef maken met “Le malentendu du deuxième sexe”, een vernietigend antwoord op het twintig jaar eerder verschenen “Le deuxième sexe” van Simone de Beauvoir (1908-1986). Simone de Beauvoir behoorde immers tot de existentialisten en die waren een nagel aan de doodskist van vele katholieken (al werkte ook de Beauvoir een tijdje voor Radio Vichy, de zender van de collaborerende regering Pétain). Opmerkelijk is trouwens dat ook Mallet-Joris zich na een huwelijk en de daaropvolgende echtscheiding tot het katholicisme heeft bekeerd. Nochtans kunnen we uit “Lettres à Sartre” en “Journal de guerre” van Simone de Beauvoir leren dat ze ook de liefjes van “haar” Sartre verleidde (vooral de zussen Olga en Wanda Kosakievitch, zoals te lezen in het boek “L’invitée”, zij het zeer omzwachteld, zodat ze op latere leeftijd betreurde de seksualiteit uit haar geschriften te hebben gebannen: “Ik zou andere vrouwen graag vertellen hoe ik mijn seksualiteit beleefd heb, omdat het geen individuele kwestie is, maar een politieke”). Alhoewel een vrouwelijk lichaam bij haar “weerzin” opriep, was er toch ook nog de verhouding met Louise Védrine en in 1943 raakte ze zelfs haar lesbevoegdheid kwijt, omdat de ouders van een leerlinge haar ervan beschuldigden de oorzaak te zijn van de ontsporing van hun dochter. Dat was zelfs de rechtstreekse aanleiding om te pogen een theoretische grondslag voor de vrije liefde te ontwerpen. Samen spiegelden ze zich ook aan Valmont en de Merteuil (al noemde Sartre haar wel Castor). Zelfs haar lidmaatschap van de PCF wordt toegeschreven aan het feit dat ze naderhand verliefd werd op Claude Lanzmann, destijds een jonge medewerker van Sartres blad “Les Temps Modernes”. Maar misschien zette ze Sartres honger naar steeds groenere blaadjes hiermee betaald?
Onduidelijk is de inhoud van “Pour Delphine”, ondanks zijn Franse titel deze keer een “echte” Vlaamse roman van Chris Yperman. Ik vraag me af of Johan de Belie daarover meer kan vertellen?
Dezelfde onduidelijkheid vinden we terug in “De bloemsteelsteek” van de Portugese Clara Pinto Correia. Meer expliciet is dan de Amerikaanse dichteres Elsa Gidlow, die door Celeste West (auteur van “A Lesbian Love Advisor”) Lady Clitoressa wordt genoemd. Andere lesbische sex-handleidingen zijn o.a. “Lesbian passion” en “The Lesbian Erotic Dance” van JoAnn Loulan en “Susie Sexpert’s Lesbian Sex World” van Susie Bright, de hoofdredactrice van het lesbische pornoblad “On our backs”.
En dan zijn er verder nog Françoise d’Eaubonne (°1920), naast romancière ook de auteur van “Moi, Kristine, reine de Suède”, Monique Wittig (°1935) wier titels voor zichzelf spreken (“Les Guérillères”, “Zwerftocht door de hel” en “Het lesbische lichaam”) en Hélène de Monferrand met “Amies d’Héloïse”, de Prix Goncourt du premier roman uit 1990, gevolgd door “Journal de Suzanne, une nouvelle traversée de Gomorrhe”.
ORANGES ARE NOT THE ONLY FRUIT
Hààr succes is vergelijkbaar met dat van Jeanette Winterson die als 25-jarige in 1985 met “Oranges are not the only fruit” de Whitbread First Novel Prize heeft gewonnen. Alhoewel dit boek een soort van bijbel voor de lesbiennes is geworden, is het tevens erg gevaarlijk. Tegenstanders kunnen voor hetzelfde geld ermee “bewijzen” dat “anders zijn” een typisch gevolg is van een verkeerde opvoeding. De religieuze fanatici van de New Born Christians of de Pinkstergemeente drukken immers zwaar hun stempel op de jonge Jeanette, ook als ze zich uit het milieu heeft ontworsteld. Haar latere boeken werden trouwens steeds slechter ontvangen en na het verschijnen van “Art & Lies” (1994) lag Winterson overhoop met zowat de hele Engelse literaire wereld. Ze had haar kleine kantjes reeds bloot gegeven op haar “readings” waar mannen in shorts de deur werden gewezen, maar helemaal gortig werd het toen ze op een literaire party samen met haar vriendin academica Peggy Reynolds (beiden in leren jekker) het nodig vond de critica van “The Observer”, Nicci Gerard, te bedreigen. Nochtans had ook Julie Burchill “Art & Lies” met de grond gelijk gemaakt. Maar Burchill is zelfs met twee én in leren jekker misschien nog niet “te pakken”? “Art & Lies” bevestigt nogmaals dat Winterson zich niet heeft kunnen ontworstelen aan het religieuze fanatisme waarmee ze is opgebracht. Ze heeft het lesbianisme in zijn geheel en zichzelf in het bijzonder tot onderwerp van de eredienst gemaakt en net zoals in “Sexing the cherry” is ontmanning een deel van het ritueel geworden.
In 1996 verscheen dan “GUT symmetrie”. GUT’s zijn unificatietheorieën uit de quantum-mechanica die de relatie tussen drie fundamentele krachten onderzoeken. Die krachten zijn in dit boek de fysicus Jove, zijn dichtende vrouw Stella en de jonge natuurkundige Alice, die eerst met Jove naar bed gaat, maar later voor Stella kiest. Ook nu weer had Jeannette een verhaaltje klaar om in het nieuws te komen: ze vertelde dat ze zich zestien jaar eerder prostitueerde aan rijke dames uit de provincie in ruil voor Le Creuset-pannen: “Omdat ze niet konden beschikken over veel cash, betaalden ze me met pannen.”
Misschien daarom dat ze hard werd aangepakt door Nicci Gerrard? Het is alleszins weer typisch voor Winterson dat ze de critica persoonlijk rekenschap ging vragen. Zelf heeft ze nochtans ooit verklaard: “Als Anthony Burgess en Graham Greene de beste schrijvers in Engeland zijn, dan ben ik dat zeker.” Maar ja, Burgess of Greene konden zich op dat moment niet meer verdedigen…
Ook Joanna Trollope tekent in “A village affair” met Alice Jordan een merkwaardige vrouw: een mooie kunstenares (schilder), die haar drie kinderen en haar saaie echtgenoot-advocaat in de steek laat voor de uitgesproken lesbienne Clodagh en op die manier het dorpje uit de titel in rep en roer zet. Of Joanna Briscoe die in 1994 met “Mothers and other lovers” de Betty Trask Award heeft gewonnen. Het was het eerste boek over lesbiennes dat deze prijs die wordt toegekend aan romans met een romantische inslag veroverde. Het gaat immers over het erotische spanningsveld tussen een jong meisje en een vriendin van haar moeder. Het is autobiografisch van oorsprong (met Briscoe zijnde het jonge meisje).
In 2003 was er “Fluwelen Begeerte” van Sarah Waters (Nijgh & Van Ditmar), een roman van 450 bladzijden over lesbiennes in het Victoriaanse Londen van het einde van de 19de eeuw. De verliefde Nancy is het revuemeisje Kitty daarheen gevolgd en samen maken ze al snel furore als duo op de planken. Doodsbang dat ze zou herkend worden als lesbienne, trouwt Kitty met haar manager. Nancy loopt weg, maar valt in haar toneelkostuum van gardeofficier dan weer zeer in de smaak van sommige heren. Het lijkt wel een lang uitgesponnen stationsroman maar LHE in “Het Nieuwsblad” van 28/6/2003 probeert ons te overtuigen dat het toch “een schitterend verhaal” is.
STRANGE SISTERS
No fewer than four lesbian paperbacks of the 50′s and 60′s (with five distinct covers between them) have the title “Strange Sisters”: one by Fletcher Flora (published with two different covers), one by David Key, another by Robert Turner, and one by Sheri Blue (purportedly a pseudonym of Ed Wood, Jr.). Fast forward three decades to Jaye Zimet’s book with the appropriately appropriated title “Strange Sisters: The Art of Lesbian Pulp Fiction 1949 ‑ 1969″. Published by Viking in 1999, this was the first book specifically focused on the two key decades for this genre’s artwork. As soon as the book hit the shelves, I got calls… “have you seen it?!”. Anyone who’d seen my room full of paperbacks (including a floor‑to‑ceiling velcro wall display with about 350 books attached) knew Zimet’s book was a book for me. I was thrilled to see someone had put forth the effort of compiling some great covers AND had found a publisher to foot the bill. Bravo! Zimet’s book was thoughtfully and lovingly executed. It was done by a fan, a connoisseur… it’s easy to tell. I added a couple of books to my want list and was happy to see dozens of top‑notch covers showcased for the world. Still, I couldn’t help but think of the books I had that were NOT included… literally hundreds of wild covers, many as good and certainly more outrageous than the ones Zimet included.
A disappointing sequel of sorts would follow Strange Sisters with the publication of Susan Stryker’s lamely titled Queer Pulp in 2001. Stryker had compiled the Lesbian Pulp and Gay Pulp address books the year previous and had been encouraged to follow up with a full‑blown book. While providing some decent historical context, Queer Pulp’s couples a pitiful artwork selection (with poor color reproduction, I might add) with the kind of shallow generalizing and academic analysis that makes me want to stomp in circles around a burning copy of Dick Hebdige’s Subculture: The Meaning of Style. But one of endless examples: “The extensive use of black on these covers thus subtly suggested the psychological horror a straight mind might experience when confronted with bisexual menage a trois and the prospect of homosexuality.” It’s a good thing I got the book for free.
And so with two books out there already, my perpetually postponed coffee‑table‑book‑to‑end‑all‑coffee‑table‑books (perhaps The Strangest Sisters?) would certainly be redundant, that is if it ever got out of the planning stage. And besides, my collection’s still not finished… the want list suffers from the hydra effect. Cut off one book and two more previously unknown titles inevitably grow back in its place. A book full of classic lesbian paperbacks would always been incomplete. A website, then, was the only thing that made sense. In the cybersquatting world of domain names, I was surprised to find what I consider the quintessential lesbian paperback title still available. And so strangesisters.com was born. (Ryan Richardson, P.O. Box 49984, Austin, TX 78765, U.S.A.)
ELEMENTARY, MY DEAR
Het is opvallend hoeveel auteurs in het misdaadgenre vrouwen zijn. Zou dat te maken hebben met de vrouwelijke psychologie? Het is overduidelijk dat er meer mannelijke criminelen zijn dan vrouwelijke. Wordt de misdaad door vrouwen meer geïnterioriseerd? Zelfs als er dan al “eens” een vrouwelijke misdadiger is, zoals Juliet Hulme (1938), die in de jaren vijftig de moeder van haar vriendin Pauline Parker hielp vermoorden (zoals we in de film “Heavenly creatures” konden zien), dan eindigt ze zowaar als schrijfster van detectiveromans (onder het pseudoniem Ann Perry)! Haar verhalen spelen zich af in de Victoriaanse periode, een tijd van hypocrisie, die een vruchtbare bodem vormde voor criminaliteit achter een façade van degelijkheid. De held van het verhaal is dikwijls de Londense inspecteur Monk.
In de Verenigde Staten schreef Mary Roberts Rinehart in 1903 haar eerste thriller, die net zoals Edgar Allan Poe’s “Murders in the Rue Morgue” op de romantische traditie is terug te voeren. En in de jaren twintig was er in Engeland barones Orczy. Die barones Orczy, Emmuska genaamd, was niet alleen de schepper van de fameuze Scarlet Pimpernel, maar ook van Lady Molly, de eerste vrouwelijke detective, in dienst van Scotland Yard dan nog wel. Zij speelt daarbij soms wel andere troeven uit dan Sherlock Holmes. Zo redt ze b.v. een man die ten onrechte van moord wordt beschuldigd door met hem te trouwen. Toch kan men in haar boeken, naast dergelijke Victoriaanse sentimentaliteit, ook feministische trekjes terugvinden die hun tijd ver vooruit zijn.
Een andere Britse schrijfster, Dorothy Sayers (1893-1957), eigenlijk een pseudoniem van Atherton Fleming (één van de eerste vrouwelijke afgestudeerden van Oxford), creëerde een even legendarische detective in de figuur van Lord Peter Wimsey. Zoals de naam reeds aangeeft, spelen haar romans zich “in de betere kringen” af. En net als bij Agatha Christie hebben de schurken nogal eens linkse sympathieën of zijn het geen Ariërs…
Nog een Engelse, Margery Allingham, creëerde de gebrilde en flegmatieke Albert Campion, een mysterieus personage wiens ware naam nooit werd onthuld (hij is wellicht van koninklijken bloede). “The fashion in shrouds” (1938) wordt ook als een literair meesterwerk beschouwd.
Zelfs de (komische) stripper Gypsy Rose Lee (1914-1970) heeft zichzelf gerecycleerd tot schrijfster van detectiveromans, zoals blijkt uit “The G-string Murders” en “Lady of Burlesque”. Enfin, zo wil het de geschiedenis, want in feite leende ze enkel haar naam aan haar persagente Georgiane-Anna Rudolph, die ook al als Craig Rice detectiveromans had geschreven.
Een opmerkelijke “navolgster” (wat ze uiteraard niet graag hoort) is Elizabeth George. Alhoewel Amerikaanse (Californië) zijn haar boeken door en door Brits. Dat komt omdat ze oorspronkelijk een cursus Engelse literatuur gaf, gewijd aan het misdaadverhaal. Aan de hand van “The history of the mystery story” van Dorothy L.Sayers analyseerde ze de gekozen romans, die – op uitzondering van Poe – allemaal Engels waren en na vijf, zes jaar vond ze dat ze het eigenlijk net zo goed zelf zou kunnen proberen. Haar hoofdfiguur is de adellijke inspecteur Thomas Linley, die echter wordt bijgestaan door sergeant Barbara Havers, een typisch “working class” product met een afkeer van de adel, dit is dus wel een uitzondering op de “regel”. Een paar titels: “Tot de dood ons scheidt”, “Mij is de wrake” en “Klassemoord”.
Ook die andere Amerikaanse, Mary Higgins Clark, hoort thuis in het “puzzelgenre”. Zelf verklaart ze dat haar romans eigenlijk gebaseerd zijn op “Klein Duimpje”: “Ik laat hier en daar kruimeltjes vallen die de lezer moet oprapen.” Toch is zij een kind van haar tijd (de jaren negentig) want haar bekendste roman handelt over clonen. Hij vertrekt weliswaar voldoende van de realiteit om tot het detectivegenre te worden gerekend en niet tot de SF, maar toch… Typisch Amerikaans is anderzijds dat het gevaar “van buiten” komt: een braaf, knus, gezellig, burgerlijk gezinnetje wordt bedreigd door de Kwade Wereld (cfr. films als “Cape Fear” of “Desperate Hours”). Het bevestigende rollenpatroon uit zich ook in het vrouwelijke hoofdpersonage dat altijd een slachtoffer is i.p.v. iemand die de oplossing brengt bijvoorbeeld (passief i.p.v. actief). In het boek over de clonen, dat in het Frans “Un jour, tu verras” heet, is dit niet helemaal het geval, aangezien weliswaar de cloon van het hoofdpersonage vermoord wordt, maar zijzelf slaagt als journaliste er toch in de zaak op te lossen.
De beste nog levende vrouwelijke vertegenwoordiger van het puzzelromangenre is echter P.D. (Phyllis Dorothy) James (3/8/1920, Oxford).
In het rijtje van vrouwelijke detectives hoort ook de Amerikaanse juriste en bedrijfseconome Gini Hartzmark thuis. Haar alterego Kate Millholland lost bedrijfsspionage en andere economische misdrijven op in “Een kwestie van principe” en “De laatste kans”. Interessanter is echter Mary Wings, die haar alterego Emma Victor moorden laat oplossen in “Zij kwam te laat” en “Zij kwam in een flits” (niet bepaald briljant vertaalde titels). De laatste roman speelt zich af in een sekte en Wings sloot zichzelf daarvoor gedurende een tijdje bij de Baghwan aan. Haar hoofdpersonage is net als zijzelf lesbisch en men kan dus wel denken dat Wings haar uitleg klaarheeft waarom zoveel vrouwen detectiveromans schrijven: “Vrouwen waren vroeger machteloos, zelfs als ze rijk en welopgevoed waren. Het enige wat ze echt kunnen controleren, is wat ze zien, relaties tussen mensen onderling. Neem nu een begrafenis. Je ziet daar mensen die echt lijden, maar ook komedianten die krokodilletranen storten. Vrouwen noteren dat allemaal. Mannen kijken op hun horloge en zeggen: kom, we gaan weer aan het werk.”
Of zoals Martin Cruz Smith zijn hoofdpersonage Arkady Renko laat filosoferen: “He’d always suspected that while men might make the best police, women would make the best investigators. Or at least a different kind of investigator, picking up different sorts of clues in a different manner, searching sideways or backwards, as compared to the straightforward, pig-in-a-rut method of men.” (***)
Een typisch voorbeeld voor dit soort detectiveromans is de Engelse Minette Walters.
MEISJES, ZE MAKEN ONS KAPOT, MENEER
In de jaren negentig was een minder prettig gevolg van de emancipatie dat ook de vrouwen gewelddadiger werden. Dat weerspiegelde zich bijgevolg ook bij de auteurs. De eerste is de Californische Sue Grafton, die met Kinsey Millhone een vrouwelijke detective heeft gecreëerd voor een reeks die het alfabet volgt. Het is begonnen met “A van Alibi” en “B van Bedrog” en in 1992 zat ze al aan “I is for Innocence”. Tegen dat tempo zit ze in 2008 aan de “Z van Zebrapad” of zoiets. Kinsey is androgyn, deelt klappen uit en is onhandiger met make-up dan Joost Zwegers, om maar die te noemen. Grafton, wiens vader zelf detectives schreef, is opgegroeid met Mickey Spillane. Ze kent echter niets van politiewerk en op die manier leek haar eerste boek wel een parodie. Ze werkte tot dan toe voor Hollywood, maar daar kreeg ze het verwijt dat ze wel karakters kon invullen, maar geen plot bedenken. Daarom schreef ze een boek dat gebaseerd was op haar eigen echtscheiding, waarbij ze haar ex wou vermoorden omdat ze de kinderen niet kreeg toegewezen. In tegenstelling tot, ik zeg maar, Ronny Beks doet Kinsey Millhone het wél voor het geld. Al was het maar om zich een scheerapparaat (voor haar benen) of een stofzuiger te kunnen aanschaffen. Ze is ooit getrouwd geweest “voor het goed fatsoen, maar nu weet ze wel zeker: ze zal het nooit meer doen.” Ze zal dus ook nooit kinderen hebben. Althans zo heeft ze (en de schrijfster voor haar) zich voorgenomen. Toch is Kinsey niet vies van een avontuurtje. Typisch voor het genre is dan dat het met “een lekkere bink” is (Robert Dietz) en geen “huisman”. In tegenstelling tot stripfiguren veroudert ze wel, maar niet in dezelfde mate als de boeken elkaar opvolgen. Ze is in 1992 33 en het is de bedoeling dat ze bij de Z 40 is.
Typisch is dat ook V.I.Warshawski, het hoofdpersonage van de romans van Sarah Paretsky (in de film gestalte gegeven door Kathleen Turner) veroudert, iets wat de meeste detectives niet doen. Paretsky schreef reeds in de jaren tachtig hard-boiled detectives, maar wél helemaal in de lijn van de “the white American male’s prolonged, agonised, but really rather boring struggle with his own masculinity,” zoals Julie Burchill schrijft. Warshawski leeft immers, net als haar mannelijke collega’s, in de marge. Ze ruimt nooit haar appartement op, zit met onbetaalde rekeningen en mannen zijn gewoon seksobjecten. Toch is ook zij in de greep van de “political correctness” en haar boek “Tunnel Vision” uit 1994 handelt dan ook over de daklozen en vrouwenmishandeling. Haar sympathie voor de slachtoffers (haar = Warshawski, maar in dit geval nog meer Paretsky) laat haar dan ook enigszins afdwalen van het pad van de échte hard-boiled novel (ze luistert zelfs naar Mozart!). Na “Zwarte lijst” (uiteraard over de McCarthy-periode) werd haar website overspoeld met hate-mail, want de communistenjagers zijn uiteraard nog steeds onder ons.
Een andere vertegenwoordigster van dit genre is Katherine V. Forrest. Van deze schrijfster van lesbische detectives kennen we “Murder at the Nightwood Bar” en “Murder by the book”. Verder schreef ze ook romans, waaronder “Curious Wine”. En computerdeskundige Patricia D.Cornwell (1956) is “het” tegenwoordig ook, gaat het gerucht… Haar bekendste werken zijn o.m. “Fataal weekend”, “Corpus delicti”, “Rigor mortis” en “Modus operandi”. Zij heeft als weerkerende hoofdpersonages de pathologe Dr.Kay Scarpetta en rechercheur Marino. Haar verhalen zijn eigenlijk klassieke whodunits overgoten met een sadistisch sausje. Zelfs de seriemoordenaar Gault blijft onvatbaar, zodat hij zowel in “Rigor mortis” als in “Modus operandi” kan opduiken. Maar eigenlijk zou het eerlijker zijn deze twee boeken als één te presenteren. Het tweede valt immers niet te lezen als je het eerst niet kent. Cornwell is zo succesrijk dat ze twaalf mensen in dienst heeft die research verrichten voor haar. Haar privé-leven is ook nogal tumultueus – FBI-agent Gene Bennett beschuldigt haar ervan zijn vrouw Margot (1955), eveneens werkzaam bij de FBI, te hebben verleid – en ze aarzelt niet om dit in haar boeken te gebruiken. Zo zijn het nichtje van Scarpetta, Lucy, en haar tante eveneens lesbisch. Bennett heeft daarna, zoals het een echte Amerikaanse flik past, zijn vrouw ontvoerd, geslagen en met de dood bedreigd. In 1996 werd hij opgepakt.
Buiten de V.S. wordt het “lesbische” genre nog vertegenwoordigd door de Noorse Anne Holt, die ooit nog adjunct-politiecommissaris van Oslo is geweest, een rol die in haar boeken wordt ingevuld door Hanne Wilhelmsen. De moeder van alle lesbische detectiveschrijfsters is echter de veel fijnzinniger Patricia Highsmith.
In 2004 debuteerde ook Marthe Maeren (pseudoniem voor Bernadette Demeulenaere, °1959) met “Dode Letter” (Manteau). Zij geeft onbeschroomd toe dat zij zichzelf heeft geportretteerd in haar hoofdfiguur Frieda Degraeve, “een gedreven advocate”. Zij heeft ook een merkwaardige verklaring voor de populariteit van vrouwelijke schrijfsters van detectiveverhalen, namelijk de dialogen: “Ik ken geen enkele man die een realistische dialoog tussen twee vrouwen kan schrijven – ze hebben geen idéé hoe bitsig vrouwen onderling kunnen zijn.” (Zone 09, 7/7/2004)

Ronny De Schepper

(*) “Een mystica is een hysterica die haar biechtvader eerder is tegengekomen dan haar arts.” (Umberto Eco, De begraafplaats van Praag, p.342)
(**) Anne Marie Musschoot, Het Judith-thema in de Nederlandse Letterkunde, Gent, Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, 1972, p.70.
(***) Martin Cruz Smith, Polar Star, London, Pan Books, 1996, p.205.

Selectieve bibliografie
Marie-Jo Bonnet, Les relations amoureuses entre les femmes du XVIe au XXe siècle, Odile Jacob
Natalie Clifford Barney, Nouvelles Pensées de l’Amazone, Ivrea 1996 (oorspr.1939)
Mercedes de Acosta, “Here lies the heart” (1960)
Honoré de Balzac, Fille aux yeux d’or
Ronny De Schepper, Even dieper ingaan op de lesbiennes, De Rode Vaan nr.40 van 1981
Diverse, Spelen met erotiek, speelse SM-verhalen door lesbische vrouwen
Diverse, Venus in vlam, de mooiste verhalen over de damesliefde (Contact)
Emma Donoghue, Passions between women – British lesbian culture 1668-1801, Scarlet Press, 314 blz., 1994
Myriam Everard, Ziel en Zinnen. Over liefde en lust tussen vrouwen in de tweede helft van de achttiende eeuw (Groningen 1994)
Elizabeth George, Crime from the mind of a woman, Hodder & Stoughton, 2002
“The good, the bad and the gorgeous: popular culture’s romance with lesbianism” van Diane Hamer en Belinda Budge (Pandora, 1994)
Shere Hite, Hoe vrouwen vrouwen zien. Nieuwe wegen tussen genegenheid en rivaliteit (Anthos, 1998)
Margaret Reynolds (edit.), The Penguin Book of Lesbian Short Stories, London, Penguin, 1993
Jane Rule, Lesbian Images, 1975
R.Schenkeveld-van der Dussen, “Met en zonder lauwerkrans” (schrijvende vrouwen tussen 1550 en 1850)Algernon Swinburne, Lesbia Brandon
Donald Webster Cory, The Lesbian in America, New York, Citadel Press, 1964

Nog geen reacties

Geef een reactie

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log Out / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log Out / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log Out / Bijwerken )

Verbinden met %s

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.

Join 47 other followers