“Salammbô” van Gustave Flaubert: een zware brok!
Gedurende weken heb ik mij door “Salammbô” van Gustave Flaubert geploegd in een onverkorte, originele editie. Ik heb altijd gedacht dat mijn Frans niet slecht was, om niet te zeggen heel goed (ik ben er nog altijd fier op dat ik op de middelbare school een franskiljon heb geklopt voor dit vak, wat in zijn geval dus zijn moedertaal was; mijn ouders hadden trouwens liever gezien dat ik romaanse zou hebben gestudeerd in plaats van germaanse, maar ik gruwde van de romanisten die met ons germanisten de Blandijnberg deelden en onder elkaar Frans spraken), maar hier kreeg ik toch mijn twijfels. Alhoewel, het korte fragment dat ik hieronder citeer is niet alleen een illustratie van het erotisch aspect van het boek, maar ook van hoe moeilijk het Frans van mijnheer Flaubert wel is!
Maar het hoge woord is er meteen uit: ik geef toe dat ik dit werk vooral om erotische redenen heb gelezen. Let op: dat wil niet zeggen dat ik verzot ben op wat men over het algemeen “erotische literatuur” noemt, al heb ik die in mijn jeugd (toen ik er nog iets uit kon leren) wel voldoende verslonden moet ik zeggen. Nee, ik lees juist graag zogenaamd “erotische werken” uit een periode dat men het meeste nog ongezegd moest laten. Dàt laat immers juist veel meer aan de verbeelding over! En jawel, op dat vlak werd ik door Flaubert wel op mijn wenken bediend. Een ietsje te veel zelfs, als ik eerlijk moet zijn, want negentig procent van het boek gaat over veldslagen, iets wat me nu juist helemaal niét interesseert. Ik beken dan ook dat ik deze passages zeer diagonaal heb gelezen, als je begrijpt wat ik bedoel…
Gustave Flaubert was een Frans schrijver die vooral bekend is geworden met “Madame Bovary”. Flaubert wordt in Rouen op 12 december 1821 geboren als zoon van de chirurg Achille Cléophas en zijn vrouw Anne Justines. Hoewel hij op school weinig uitvoert, houdt hij zich al vanaf zijn elfde bezig met literatuur. Flaubert verlaat Rouen in 1840 om in Parijs rechten te gaan studeren.
Omdat hij van het buitenleven houdt en in Parijs niet kan aarden, reist hij tegen het eind van het jaar 1840 af naar de Pyreneeën en Corsica. Wanneer hij weer in Parijs terugkeert, doet hij niets anders dan zijn tijd verspillen aan sombere dromen. In 1846 besluit hij in Croisset, vlakbij Rouen, een huis te laten bouwen voor zijn moeder, die alleen is achtergebleven in Rouen, nadat zijn vader en zijn zus Caroline zijn overleden. Het is voor hem ook een reden om Parijs en zijn rechtenstudie te kunnen verlaten. Het huis in Croisset blijft zijn woonplaats voor de rest van zijn leven.
Van 1846 tot 1854 onderhoudt Flaubert een relatie met de dichteres Louise Colet. Hun brieven zijn bewaard en volgens Emile Faguet was dit de enige sentimentele episode van belang in het leven van Flaubert, die nooit is getrouwd. Men neemt dan ook aan dat hij op haar zijn “Madame Bovary” inspireerde, al zijn de gebeurtenissen zelf wel echt gebeurd en maar dan in de persoon van Delphine Delamarre.
Flauberts beste vriend op dat moment was Maxime du Camp, met wie hij in 1846 naar Bretagne reisde en in 1849 naar Griekenland en Egypte. Deze laatste landen maken een diepe indruk op de verbeelding van Flaubert. Tot hij aan een Turks badhuis syfilis overhield wat hem voortijdig oud deed worden: “Flaubert vertrok uit Europa als Romanticus en keerde als Realist uit het Oosten terug” (p.193). In die badhuizen deed hij het, zoals in Cairo b.v., met knapen (zie p.82). Behalve een sporadisch bezoek aan Parijs, blijft hij vanaf dan in Croisset wonen.
Bij zijn terugkeer uit het nabije oosten, in 1850, begint hij met het schrijven van het boek “Madame Bovary”. Hij had daarvoor nog nauwelijks iets geschreven of gepubliceerd. Het schrijven van de roman kost hem uiteindelijk zes jaar voorbereiding, en vanaf 1857 wordt het in afleveringen geplaatst in het blad “Revue de Paris”. In eerste instantie is er uit bepaalde hoeken verzet tegen de publicatie: de overheid klaagt zowel hem als de uitgever aan, omdat de roman immoreel zou zijn. Wanneer het verhaal uiteindelijk in boekvorm verschijnt, krijgt het echter een warm onthaal.
De Engelse auteur Julian Barnes schreef in 1984 “Flaubert’s Parrot”. Hierin stelde hij een biograaf centraal, de Britse ouder wordende arts (ouder dan Flaubert ooit geworden is, zoals hijzelf zegt) Geoffrey Braithwaite, wiens vrouw (die misschien wel wat gelijkenissen vertoonde met Emma Bovary) is overleden. Pas helemaal op het einde van het boek komen we te weten hoe ze is overleden, maar wie de gelijkenissen met Emma Bovary doortrekt, zou natuurlijk al vlug door moeten hebben wat er is gebeurd. (Ik geef het toe: ik persoonlijk had het niet door, maar “my wit has slowed down” door de ouderdom.)
Braithwaite bezoekt Rouen en andere plaatsen waar Gustave Flaubert heeft gewoond en gewerkt. Zo komt hij o.a. op twee plaatsen terecht (het museum in het Hôtel-Dieu ziekenhuis waar Gustaves vader geneesheer-directeur was geweest en het tuinhuis van de schrijver in Croisset, het enige wat is overgebleven van zijn geboortehuis) waar de opgezette papegaai Loulou wordt bewaard (uiteraard beweren ze elk het enige juiste exemplaar te bezitten).
Loulou was al opgezet toen Flaubert hem ontleende van het museum van Rouen om hem op zijn werktafel te zetten tijdens het schrijven van “Un coeur simple”, waarin hij de (levende) papegaai is van Félicité, de hoofdpersoon van het verhaal. Flaubert schreef dit verhaal speciaal voor George Sand, maar die stierf nog voor de novelle àf was. Het is ook aan dit verhaal dat het beest de naam Loulou heeft te danken. De naam zelf had Flaubert wellicht ontleend aan zijn nichtje Loulou, die overigens een Londense gouvernante had, Juliet Herbert, die een tijdlang de minnares van Flaubert is geweest en “Madame Bovary” in het Engels heeft vertaald.
Félicité is een wat achterlijke vrouw (“un coeur simple”) die er niet in slaagt de dingen juist te verwoorden. Dat doet de papegaai bij wijze van spreken dan in haar plaats. Net zoals Flaubert een kluns was in het gewone leven en enkel in de literatuur zijn vleugels kon uitslaan. Maar een papegaai was voor Flaubert ook het symbool van ijdelheid: “IJdelheid daarentegen is een papegaai die van tak tot tak springt en er openlijk op los kletst.” (p.187) Barnes laat Flauberts geliefde Louise Colet dan ook zeggen over hem: “Ik speelde het spelletje mee, ik heb hem zelfs een wilde buffel van de Amerikaanse prairie genoemd; maar misschien was hij eigenlijk alleen maar een papegaai.” (p.187)
“Flauberts papegaai” is een moeilijk te classificeren boek: het is een roman, het is een biografie (van Flaubert uiteraard) en het is een literaire kritiek, maar het is tevens ook een commentaar op deze drie vormen, technisch briljant en bijzonder spitsvondig. Het zou uiteraard zeer interessant zijn om dit werk te vergelijken met “Het zwart uit de mond van Madame Bovary” uit 1974 van Willem Brakman (1922-2008).
In 1991 schreven los van elkaar een Belg, Maxime Benoît-Jeannin, en een Fransman, Raymond Jean (de auteur van “La Lectrice”), een vervolg op het werk van Gustave Flaubert, waarbij ze een toekomst voor de dochter Berthe bedachten. Hun werken hadden dan ook dezelfde, enigszins voorspelbare titel: “Mademoiselle Bovary”. De plots zijn eigenlijk ook voorspelbaar: de Belg laat haar met Rodolphe huwen, de Fransman doet haar in het bed van Flaubert zelf terechtkomen. In het eerste geval is het de bedoeling dat haar moeder gewroken wordt uiteraard, de Fransman doet haar echter tot het besef komen dat alles wat Flaubert heeft geschreven ook wààr was.
In 1858 brengt Flaubert een bezoek aan Carthago. Naar aanleiding van dat bezoek begint hij zich in archeologie te verdiepen om zijn volgende boek “Salammbô” te kunnen schrijven. Hoewel hij onafgebroken doorwerkt, is het boek pas in 1862 af.
Het verhaal gaat over een Noord-Afrikaanse prinses (in dit geval de dochter van Hamilcar uit Carthago) die een bijna goddelijke schoonheid wordt toegedicht: “Des chevilles aux hanches, elle était prise dans un réseau de mailles étroites imitant les écailles d’un poisson et qui luisaient comme de la nacre; une zone toute bleue serrant sa taille laissait voir ses deux seins, par deux échancrures en forme de croissant; des pendeloques d’escarboucles en cachaient les pointes. Elle avait une coiffure faite avec des plumes de paon étoilée de pierreries; un large manteau, blanc comme de la neige, retombait derrière elle, – et les coudes au corps, les genoux serrés, avec des cercles de diamants au haut des bras, elle restait toute droite, dans une attitude hiératique.” (p.433)
Flaubert is in deze passage uitzonderlijk expliciet wat het erotische aspect betreft (misschien omdat het om een pure beschrijving gaat, daarin zwelgt hij ook in andere omstandigheden), want in de “Samson et Dalilah”-achtige sleutelscène wordt meer gesuggereerd dan effectief gezegd (p.275-286). Dat is ook in “L’Atlantide” van Pierre Benoit het geval. De zwoele, bijna verstikkende atmosfeer heeft Benoit ongetwijfeld aan Flaubert ontleend.
Maar de voornaamste overeenkomst is dat Salammbô de dood van haar geliefde Mâtho, als leider van de opstandige huurlingen, nastreeft, maar dat zij precies in het bereiken van haar doel, ook zelf het zwaarste lot ondergaat. Net zoals Antinea juist door haar onsterfelijkheid eeuwig wordt gekweld door het lot dat ze haar Griekse minnaar heeft aangedaan in het boek van Pierre Benoit. Ook Flaubert zelf heeft zijn succes trouwens nog eens willen overdoen met “Hérodias” in 1877.
Maar eerst schrijft hij nog “L’Education sentimentale”, waarin hij gebruik maakt van veel herinneringen uit zijn kinderjaren. Het kost hem zeven jaar voordat het boek uiteindelijk in 1869 gepubliceerd kan worden.
Tot dit punt was het leven van Flaubert betrekkelijk gelukkig geweest. Maar dan begint het ongeluk hem te achtervolgen. De angst voor de oorlog in 1870 is een aanslag op zijn gezondheid. Door de dood of fatale misverstanden verliest hij zijn beste vrienden. In 1872 overlijdt zijn moeder en vanaf dan wordt hij verpleegd door zijn nicht, mevrouw Commonville. Hij onderhoudt vriendschappelijke banden met George Sand en ziet nu en dan zijn Parijse kennissen zoals Emile Zola, Alphonse Daudet, Toergenjev en de Goncourts, maar dat weerhoudt hem er niet van om zich troosteloos en melancholisch te voelen. Hij houdt echter niet op om met dezelfde intensiteit te blijven schrijven tot hij overlijdt in Canteleu op 8 mei 1880.
Ha Salammbo. In 1962 was er een Frans-Italiaanse peplum van, met de toen in mijn ogen uitermate wulpse Jeanne Valérie. Mogelijk is hij links of rechts op dvd te krijgen (ten slotte is nu eindelijk ook de voluptueuze Helen of Troy eindelijk beschikbaar, en nog altijd een meesterwerk, zoniet de film dan toch Rosanna Podesta). Je kan voormijmeren op . Mét foto’s. Zelf daarna het boek aangepakt, maar op 13 was dat wat overmoedig. lol